AOLARPG: Ergens in Torsan
Inderdaad, bestemming onbekend.
---------------------------
(De hoofdweg; Dulvia - Nobles)
--------------------------- (De hoofdweg; Dulvia - Nobles)
»De twee mannen hebben de handen van Floortje en
Twinblade gekneveld en ze de gehele nacht voortgedreven. Tegen de ochtend hebben
beide reizigers geen flauw idee meer waar ze zich bevinden en ze zijn doodmoe
van het lopen. Als de zon opkomt zien ze geen herkenningspunten en geen bewoning,
enkel heuvelachtig gebied tot aan de horizon. De man die Floortje voortduwt
haalt een paar harde koeken uit zijn bepakking en geeft de gevangenen er elk
een.
"Eet op."
Floortje toont geen teken van dankbaarheid of verlossing en probeert de neiging
te weerstaan om in het gezicht van de man te spugen.
De koeken zijn smakeloos, maar voedzaam en als de twee eenmaal zijn begonnen
met eten, hebben ze ze snel achter de kiezen.
De boogschutter geeft hen vervolgens allebei een slok water, zo ruw dat de helft
langs hun gezichten stroomt.
"Opstaan," maant hij dan, "we gaan verder."
Floortje kijkt de man recht in zijn ogen aan. "Wat ben je met ons van plan?
Neem gelijk al mijn goud, maar laat hem ten minste vrij. Ik heb die vriend van
je vervloekt, hij niet."
De man begint hard te lachen, hij lijkt oprecht geamuseerd. Als hij enigszins
bijgekomen is, komt de norse uitdrukking weer terug. Zonder antwoord te geven
op haar vraag, geeft hij Floortje een duw, ten teken dat ze moet gaan lopen.
Zij draait zich om en kijkt de man weer recht in zijn ogen aan.
"Val in de cyclus van het slapen
Met Magie als mijn enige wapen
Gebruik in mijn krachten, zodat jij slapen gaat
En je bewustzijn je voorbij gaat"
De man wordt overvallen door een zware vermoeidheid en zakt door zijn knieën,
maar voor hij helemaal door slaap is overmand, maakt hij een gebaar met zijn
hand en schudt eenmaal zijn hoofd. Dan staat hij weer op en grijnst gemeen naar
Floortje.
"Je denkt toch niet dat we geen van allen zijn voorbereid?"
Zijn stem klinkt nog wat zwak, maar als hij met zijn linkerhand een amulet onder
zijn kleding vastgrijpt, knapt hij zienderogen op.
Floortje kan tot haar spijt de amulet niet zien, enkel een dikke zilveren ketting.
Zonder verder nog iets te zeggen knevelt de boogschutter Floortje opnieuw. Strakker
dit maal dan de vorige keer.
"Helaas kunnen we dit niet te vaak herhalen. Dan maar geen eten meer tot
we er zijn."
De volgende ochtend worden Floortje en Twinblade wakker door onbekende geluiden.
Ze zijn opgesloten in een kleine cel en Floortje ligt ongemakkelijk op een hard
bed.
Een moment later wordt een dienblad met een of andere dampende prut en een kan
troebel water naar binnen geschoven en knalt de deur weer in het slot.
"Wacht!" Floortje rent naar de celdeur. "Laat ons eruit! Ik doe
alles wat jullie willen! Laat hem er dan tenminste uit!" Ze weet dat het
geen zin heeft. Zuchtend komt ze weer tot zichzelf en ze pakt het dienblad en
de waterkan. Ze verdeelt het even tussen Twinblade en haar, terwijl ze vol walging
naar de prut kijkt. Nou ja, iets is beter dan niets. "Eet smakelijk,"
zegt ze nogal sarcastisch.
Twinblade trekt een wenkbrauw op en hij ruikt aan de prut, wat hij misschien
beter niet had kunnen doen.
Als hij het met tegenzin naar binnen heeft gewerkt, staat hij op en kijkt eens
goed naar de deur, om te zien of de scharnieren aan de binnenkant zitten en
of er misschien een zwakke plek is. De deur is echter van massief eikenhout
gemaakt en vertoont geen zwaktes. Als je door een bepaalde hoek naar de deur
kijkt, valt ook op dat er een lichte blauwe glans over het hout ligt. Floortje
legt de prut neer en loopt gefascineerd naar de deur.
Ze haalt haar hand over het ruwe oppervlak. Het valt te proberen...
"Grote deur, kom tot leven,
Om ons toegang tot de volgende kamer te geven.
Ga open en sluit u nooit meer,
Dat is alles wat ik nu begeer."
Er gebeurt niets.
Zuchtend gaat ze weer zitten naast Twinblade. "Wat deed je eerder bij die
deur?"
"Hem openen," zegt Floortje alsof het de normaalste zaak van de wereld
is. "Die glans. Dat is magisch." Ze staat op en raapt een van de scherpe
steentjes op, daarmee begint ze tegen de deur te krassen. Het brengt een schril
gepiep voort en even later hoort Floortje een gedempte stem.
"Hé! Hou es op!"
Verbaasd luistert ze naar de stem. "Wie zei dat? Wie is dat?" Ze krast
nog een laatste keer met de steen.
Gedempt, maar goed verstaanbaar klinkt de reactie: "Ben je doof ofzo? Kappen!"
Ook Twinblade luistert goed naar de stem. Hij wil graag weten of het een bewaker
is, die hij nog niet had gezien of nog een gevangene. Dan krijgt Twinblade een
vreemd idee; in deze wereld waar magie zo gewoon was zou het best kunnen. Hij
draait zich om naar de deur en loopt er op af. Zachtjes legt hij zijn hand op
de deur en vraagt:
"Deur, sprak U net?"
Floortje grijnst. "En zo ja, dat zou ik ons maar vrijlaten. Er zijn hier
nog wat meer stenen. En vier handen..."
Een zucht weerklinkt en in de verte horen beide de stem zeggen: "'Deuren
praten niet!"
"Als jij het zegt," zegt Floortje droog. "Wie bent u dan wel?
Waarom worden wij hier gevangen gehouden?"
"Hoe moet ik dat weten?" is het norse antwoord. "Ik ben niet
helderziend!"
"Nou, aangezien jij antwoord geeft als ik op de deur kras, neem ik aan
dat je een bewaker of iets dergelijks ben. Nou zeg, wie ben je!"
"Wie ben ik? Tja, dat is de grote vraag en wie zal het zeggen. Ik ben ik,
voor mij en ik ben jij voor jou, dus ik ben jij of jij bent ik. Wie weet?"
is de reactie die Floortje krijgt.
"Ah, gaan we het zo spelen." Floortje krast nog een flink aantal keer
op de deur.
"Wees nu eens stil! De dagen zijn hier al lang genoeg zonder dat irritante
getik van je!"
De stem klinkt duidelijk geërgerd.
"Wie ben je dan? Waarom zit je hier?" vraagt Floortje verward.
Twinblade pakt ook weer een steen en knipoogt naar Floortje
"Zullen we een serenade geven?"
"Vraag mij niet waarom ik hier zit," is het antwoord. "Het was
niet mijn keus. Het had iets te maken met wat ik zag en wat ik niet mocht zien..."
Floortje gebaart naar Twinblade dat hij daar even mee moet wachten. "Wat
gezien? Wie zijn het die ons gevangen houden?"
De stem aarzelt.
"Het was groot... zwart... duister. Ja, dat was het. Duister, ontzettend
duister," hij lijkt het woord te willen proeven door het maar te blijven
herhalen. "Duister," hij schreeuwt het uit en vervolgt dan op zachtere
toon: "Ze noemden het..."
Een harde knal weerklinkt en Floortje en Twinblade horen de stem schreeuwen:
"Aahh! Nee! Alsjeblieft! Niet... Nee!"
Het geluid zwakt af tot een wanhopig gefluister en dan is het helemaal stil.
Een moment later horen Floortje en Twinblade voetstappen de kant van hun cel
op komen.
Dan klinkt de
klik van een slot dat wordt geopend en twee mannen stappen de cel binnen. Beiden
dragen een amulet.
Een van hen heeft daarnaast een groot zwaard vast, terwijl de ander vaardig
Floortje en Twinblades polsen bij elkaar bindt.
"Meekomen," snauwt hij. "En geen kik, als je leven je lief is."
Hij duwt de twee richting de deur. In de gang is het donker. De muren, uitgehakt
in rots, zijn amper zichtbaar. Om de zoveel meter is er een fakkel, die slechts
een zachte gloed verspreidt. Er loopt niemand, behalve de vier. De mannen leiden
Floortje en Twinblade enkele hoeken om en zijgangen in tot ze uiteindelijk bij
een grote zaal komen. De zaal is verlaten, maar bij de twee uitgangen staan
wachters, die ook allen eenzelfde amulet dragen. Niemand zegt een woord, totdat
de man met het zwaard beide gevangen een duw geeft, zodat ze de zaal in tuimelen.
"Wacht hier," is de opdracht.
Floortje knijpt haar ogen samen en staat op. Daarna helpt ze Twinblade overeind.
"Met alle plezier!” roept ze sarcastisch. Twinblade zegt niks, maar
kijkt naar de wachters. Naar hun bewapening, naar hun aantal en naar de weg
naar buiten. Er zijn in totaal vijf wachters, drie bij de ene uitgang, twee
bij de andere. Alle vijf dragen een amulet en daarnaast een lang zwaard en schild.
Ook hebben ze alle vijf een maliënkolder aan. Hun gezichten staan strak,
emotieloos.
"Jullie hoeven niet te proberen, het is zinloos."
Plots klinkt een stem van de schaduwen.
"Wie was dat?" vraagt Floortje terwijl ze om zich heen kijkt,
Op een uitstekend stuk muur verschijnt een gemantelde figuur. Hij lacht en kijkt
neer op de twee gevangen. Hij staat zo hoog dat hij onbereikbaar voor hen is.
"Wie ben jij?" vraagt Floortje kalm, terwijl ze van binnen trilt van
angst. Twinblade zet een pas opzij om de gemantelde beter te kunnen zien.
"Het is niet nodig mijn naam te kennen," antwoordt de figuur.
"Dat bedoel ik ook niet. Ben jij een bewaker of ook zo'n ontvoerder?"
De gemantelde grijnst, hoewel dit bijna niet zichtbaar is in de schaduwen.
"Waarom zou dat van belang zijn?"
Floortje zucht en slaat haar ogen ter hemel van irritatie en opgepropte woede.
"Laat ons gaan. We hebben jullie niets gedaan, maar jouw rovertjes hebben
ons berooft. Zeg wat je van ons wilt, laat hem anders gaan. Ik heb die rover
vervloekt, hij niet."
"Als hij het voor elkaar had gekregen zichzelf te vervloeken, had hij meteen
een hogere rang gekregen," is het raadselachtige antwoord dat Floortje
krijgt. De man lijkt de andere vragen te ontwijken of in ieder geval te negeren
en ook nu doelt hij op de wachter en niet op Floortje of Twinblade.
Floortje denkt diep na. Het heeft dus iets met magie te maken Ze mompelt de
namen de van alle magiërs die ze kent. Kolan. Nerin. Taen. Verder
komt ze niet. Ze zucht en wendt zich weer tot de man. "Wat bedoel je daar
mee?"
De man snuift. "Dan had die idioot tenminst wat aanleg getoond, dat bedoel
ik er mee. Maar hij is nuttig, dat is van belang. Je hebt trouwens gelijk dat
je vriend niets heeft gedaan, maar ik heb goede hoop dat hij dat nog wel doet."
Floortje knijpt haar ogen samen en probeert een spreuk uit om de gemantelde
uit haar gedachten te weren.
Uit onze gedachten valt een duidelijk bericht te lezen,
Wij zullen ons lot nooit en te nimmer vrezen.
Laat de duistere Magie dat ons pad blokkeert,
En de toverkracht uit mijn ziel afweert,
Voor een seconde rusten in het lichaam van het kwaad,
Zodat de doorn in onze ogen ons pad verlaat.
Er gebeurt iets wat Floortje nog nooit eerder is gebeurd. Haar toverspreuk manifesteert
zich als een klein, dansend lichtje dat langzaam naar de gemaskerde man zweeft.
Sprakeloos kijkt ze toe. Om de mond van de man verschijnt een glimlach. Ook
hij volgt het lichtje met zijn ogen, terwijl het langzaam dichterbij komt. Als
het enkele centimeters van de man verwijdert is, blijft het echter in de lucht
hangen, alsof het door iets geblokkeerd wordt. Dan, plotseling, schiet het met
razende snelheid terug naar Floortje en raakt haar vol in haar gezicht. Ze is
even verblind en een snijdende pijn schiet door haar hoofd.
De man klapt in zijn handen.
"Ongericht, ongeoefend, maar sterk. Mooi."
Floortje wrijft over haar pijnlijk aanvoelende gezicht. Ze is stomverbaasd over
de uitwerking van haar spreuk en kan de man alleen maar aanstaren. "Hoe
deed je dat?" vraagt ze stotterend.
"Een simpele afweerspreuk, jonge heks," grijnst de man. "Als
je geïnteresseerd bent, en ik weet dat dat zo is, kan ik het je leren."
Floortje kijkt hem twijfelend aan. "Waarom zou ik in de leer gaan bij mijn
ontvoerder?" Diep in haar hart wilt ze het meer dan graag.
"Omdat ik je meer kan leren dan iedere witte magiër," antwoordt
de man op vriendelijke, bijna té vriendelijke toon.
Floortje grijnst. "En ook nog arrogant," zegt ze op dezelfde toon.
"Wil je zeggen dat je een witte magiër bent? Want als dat zo is, zou
je ons nu al hebben vrij gelaten."
"Je luistert niet goed," zegt de man geërgerd. "Ik zei béter
dan iedere witte magiër."
"Dat zeg ik, arrogant," zegt Floortje op gemene toon en kijkt de man
uitdagend aan.
De man glimlacht enkel.
"En als ik zeg dat ik van je wil leren? Doe je dat dan hier? Laat je ons
dan nooit meer gaan?" vraagt Floortje.
"Wie weet? Misschien niet, maar zou ik dan al die moeite doen?"
"Misschien lijdt je een soort van magisch geheugenverlies of ben je gewoon
dement, maar je bood het net zelf aan."
"Klopt en dat meen ik ook..." De man wacht rustig af hoe Floortje
reageert.
"Wist je dat ik gewoon niets van jouw soort begrijp?" zegt Floortje
verward.
"Jammer." De man kijkt zelfs enigszins teleurgesteld, voor zover dat
te zien is althans. "Ik had hogere verwachtingen. Maar ik zal het uitleggen.
Ik bood net aan je te onderwijzen, waarop je mij vroeg of ik je dan zou laten
gaan. Ik antwoordde dat ik me niet kon voorstellen waarom ik alle moeite zou
doen je te onderwijzen als ik dat níet van plan was. Zo onduidelijk lijkt
me dat toch niet?" Zijn stem is steeds harder en kwader geworden, alsof
hij zich ergert aan Floortjes onbegrip.
"Domheid, overal waar ik kom, domheid!"
Floortje knijpt haar ogen samen. "Oké. Ik ga in op je aanbod. Of
moet ik u zeggen, heer der wijsheid?"
Plotseling staat de man vlak voor Floortje en een gehandschoende hand grijpt
haar shirt vast. "Spot niet," sist hij.
Een koude rilling kruipt over Floortjes ruggengraat, maar op het moment dat
ze echt naar de man kijkt, staat hij alweer op zijn vorige plek.
"U volstaat."
---------------------------
Zachtjes kijkt Sanguin naar het meisje en de man. Toen ik mij hiervoor aanmeldde
dacht ik toch dat ik iets beters zou krijgen, ik behoor medestanders te vinden
en niet als een soort van wachter wacht staan voor een stel kleuters. Nerveus
houdt hij zijn goedendag steeds strakker vast in zijn vuist, de drang om één
van die twee te vermoorden is haast te groot. Die jongen is het meest irritant,
hoe hij hem aankijkt... hij schudt even zijn hoofd en blijft weer stokstijf
staan zoals de rest.
Floortje knikt
en neemt zich voor geen grapjes meer te maken met de man die kennelijk niet
dezelfde humor als haar heeft. Ze zucht. "Wanneer wilt u beginnen?"
"Nu, lijkt me. Laat me zien wat je weet, kleine heks."
"Mijn naam is Celema, ik heb liever dat u me zo noemt. En wat is uw naam?"
Celema, dat is wel een mooie naam voor ook een mooi meisje. Ze heeft betoverende ogen, ik vraag me toch af waarom ze hier is en eigenlijk ook waarom ik hier ben. Ik weet dat ik niet iets mag zeggen of doen, maar dat is best wel moeilijk en ook moeilijker dan ik had gedacht, Sanguin staat stil en voelt opeens op zijn rug langzaam een geprik oplopen die steeds sneller gaat. Al snel heeft de jeuk hem te pakken en hoe erg hij zijn best doet om er niet aan te denken des te meer hij de jeuk voelt. Het verspreid zich steeds verder alsof er kleine beestjes over zijn rug lopen. Even denkt hij eraan om zijn hand naar zijn rug te brengen maar bedenkt net wat hem gezegd was als hij zou bewegen. Zweetdruppels broeien op zijn voorhoofd als zijn ogen zenuwachtig van links naar rechts springen. Hoe kan ik dit ook overleven, de jeuk... hij is veel te erg.
"Ik noem
je zoals ik wil, kleine heks en mijn naam is voorlopig nog niet van belang."
Het antwoord is kortaf.
Floortje knikt en kijkt de man recht in zijn ogen aan en zegt: "Waar wil
je beginnen?"
De man werpt vanonder zijn mantel Floortje een schattende blik toe en knikt
dan eenmaal met zijn hoofd naar Twinblade.
"Dood hem."
Floortje's ogen worden groot. "Wat denk je wel niet dat ik ben? Je hebt
een heel erg verkeerd beeld van me!" roept ze furieus.
Sanguin voelt
steeds sterker zijn jeuk opkomen en nu moet hij wel jeuken of het nu mag of
niet. Langzaam hangt hij zijn goedendag in zijn riem en gaat met zijn hand op
zijn rug en kromt zijn vingers, eerst langzaam en daarna steeds sneller. Een
zucht van opluchting ontsnapt zijn mond en dan kijkt hij vals naar Twinblade.
Wat zal ik blij zijn als je dood bent, als zij het niet doet dan doe ik
het wel. Zie je dit wapen, het kan zo iemand hersenpan kapotslaan. Het is geen
mooi gezicht, maar bij jou zal het een grote verbetering zijn. Hij pakt
zijn Goedendag weer vast en glimlacht sinister. Hij kijkt in de ogen van Floortje,
zij wilt het niet doen maar hij zou het graag voor haar doen. "Zal ik het
dan doen?" zegt hij, niet hard maar wel hard genoeg om hoorbaar te zijn.
"Dus praten kan je toch," zegt Floortje droog. "Er wordt hier
niemand gedood, en zeker Twinblade niet."
De gemantelde werpt een vlammende blik op Sanguin, die onbewust terugdeinst.
Dan glijdt de blik wederom naar Floortje.
"Als je mijn leerling wilt worden, dood je hem nu. Aan jou de keus. Het
is een eenmalig aanbod, houdt dat wel in gedachten."
Ongelovig kijkt ze de man aan. "Denk je nu echt dat ik mijn vriend daarvoor
zal doden? Liever onervaren in de magie, dan een moordenares."
De man grimast. "Je krijgt nog een kans. Dood hem nu."
"Ik ga niet in op je aanbod. Ik vermoord hier niemand," zegt Floortje
scherp.
Sanguin deinst terug van angst, hoe kort hij hier ook was geweest, hij wist
wel dat het niet slim was om de wil van hem in twijfel te nemen en die blik
die hij hem net had gegeven gaf niet veel goeds aan. Hij knikt kort naar Floortje
en in zijn blik was wanhoop, hij wilt niet dat haar iets overkomt. Maar als
ze lang door blijft gaan met zijn wil in twijfel nemen, zal zeker iets met haar
gebeuren. "Doe het gewoon... je moet niet gewond raken in een plek als
dit," fluistert Sanguin Floortje zachtjes toe zodat hij niet gehoord wordt
door hem.
"Liever dood of gewond dan een moordenares," zegt Floortje, expres
heel luid. "En ik heb jouw bezorgdheid niet nodig. Het enige wat ik wil
is hier weg gaan!"
"Ow fijn hoor, als je zo graag in een doodskist dit vertrek wilt verlaten.
Ik zou zeggen, ga ervoor. Misschien is er voor jou wel een mooie doodskist vrij
gemaakt," snauwt hij haar sarcastisch toe.
De gemantelde trekt zich weinig aan van het gesprek, richt zich tot Sanguin
en snauwt: "Dood hem, hij is niet nodig. En doe het nu!"
Zijn ogen flonkeren duister, beloven weinig goeds.
"Het is al gebeurd!" Een sinistere lach verduisterd het gezicht van
Sanguin wanneer hij met zijn goedendag Twinblade in een keer neerslaat.
Een luide gil ontsnapt uit Floortje's keel. "Moordenaar!" Tranen lopen
over haar wangen. Ze rent naar Twinblade en duwt Sanguin aan de kant.
Verwond door het kwaad,
Jij, onschuldige ziel,
Kwam het goede hier te laat?
Toen jij hier als gewonde viel.
Laat de grote krachten je genezen,
Door de band die ons verbindt,
En dan is het bewezen,
Dat het goede het kwade overwint
Maar Floortjes hoop is ijdel. Haar wanhopige spreuk haalt niets uit. Twinblade
is al overleden en geen enkele witte magie kan hem terugbrengen.
Floortje schudt Twinblade door elkaar. "Nee!" gilt ze wanhopig. Tranen
rollen over haar wangen. "Laat me hier niet alleen! Alsjeblieft!"
Langzaam zakt ze in elkaar en blijft ze huilend bij zijn lijk liggen.
"Voer haar weg. terug naar haar cel," snauwt de gemantelde naar Sanguin.
In zijn stem klinkt enige walging door. "En meld je daarna bij mij!"
Sanguin knikt kort naar hem en pakt Floortje zachtjes op. "Kom maar met
mij mee, ik zal je geen pijn doen," fluistert hij naar haar. Met zijn goedendag
in zijn riem en Floortje over zijn schouder hangend loopt hij de kamer uit.
Floortje zegt en doet niets. Als een levenloze pop laat ze zich meevoeren.
Wanneer Sanguin bij haar cel aankomt legt hij haar zachtjes op de grond. "Je
moet weten dat ik jou nooit pijn zou willen doen," zegt hij zachtjes en
glimlacht. Hij gaat de cel uit en doet hem met zijn sleutel op slot. Hij draait
zich weer om en loopt terug naar de gemantelde. Alles wat hij heeft gezegd en
wat er is gebeurd is echter volledig langs Floortje heen gegaan. Snikkend valt
ze in slaap.
---------------------------
De gemantelde
zegt niets als Sanguin weer verschijnt. Hij kijkt hem enkel aan.
Te bang om zijn mond open te doen blijft Sanguin stil en loopt naar de gemantelde
toe. "U wilde mij spreken?" vraagt hij uiteindelijk zachtjes en kijkt
ondertussen naar het lijk van Twinblade.
De gemantelde blijft zwijgen.
Sanguin zucht expres luid. "Is er soms iets wat ik hoor te weten?"
spreekt hij agressief, misschien om de verkeerde redenen met een vleug van angst
in zijn woorden.
Plotseling voelt Sanguin dat zijn keel door een onzichtbare hand wordt dichtgeknepen.
Hij worstelt, maar kan niets doen.
Een stem sist in zijn oor: "Negeer nooit, maar dan ook nooit meer mijn
bevelen." Er wordt geen bedreiging aan toegevoegd, maar het is Sanguin
duidelijk genoeg. Dan vervolgt de stem: "En ik tolereer het evenmin dat
men mij agressief aanspreekt, Sanguin." Het laatste wordt venijnig uitgesproken,
terwijl Sanguins keel nog verder wordt dichtgeknepen. Pas op het moment dat
Sanguin echt wanhopig wordt, wordt hij losgelaten.
De gemantelde man staat nog steeds op dezelfde plek. "Ruim het lijk op."
"Ja... ben al meteen mee bezig," spreekt Sanquin kort. Hij pakt het
lijk van Twinblade op en sleept hem mee terwijl hij de kamer uitloopt.
Het complex van tunnels en gangen leidt Sanguin langzaam naar beneden. De lucht
wordt verotter, de omgeving killer. Hier heerst de dood.
Sanguin moet moeite doen om niet te braken want de geur die hier hangt maakt
het ziek tot diep in zijn longen. Uiteindelijk kan hij het niet meer houden,
laat hij het lichaam voor wat het is en braakt al het eten dat hij eerder heeft
gegeten uit. Uit angst om weer te moeten kotsen houdt hij zijn arm voor zijn
mond zodat het lucht dat hij inademt een beetje gezuiverd wordt. Hij pakt met
zijn andere hand het lichaam bij een been vast en sleept het weer verder over
de grond.
Het wordt steeds stiller in de gangen, tot er uiteindelijk geen mens meer te
zien is. Sanguin hoort alleen het onrustige gekabbel van een ondergrondse stroom,
even verderop.
Ik moet dit ondergrondse stroom herinneren, het kan misschien handig zijn...
"Het is gebeurd
meester, mijn excuses. Is er iets anders wat ik kan doen?" Nadat hij het
lijkt heeft gedumpt, meldt Sanguin zich wederom.
De gemantelde werpt een korte blik op Sanguin. "Zoek een groepje jagers
bij elkaar in een van de gemeenschappelijke grotten. Ik heb een klusje.Ik heb
een boek nodig uit de bibliotheek van Stend en ik wil dat jij het gaat halen."
De gemantelde kijkt naar Sanguins reactie.
Sanguin houdt zijn gezicht in de plooi. "En wat is het addertje onder het
gras?"
"Haal gewoon dat boek en keer dan hier terug, dat is alles." Het antwoord
is kort en de gemantelde noemt alleen nog de titel van het boek voor hij zich
omdraait en wegloopt. Zwart.
"Ja hoor meneer, begin er meteen aan,"
"Meteen meneer." Sanguin buigt licht en loopt naar de gemeenschappelijke
grotten. Voor een kleine groep mannen blijft hij staan."De gemantelde vraagt
om vrijwilligers voor wat werk, dus hup in de benen jullie en meekomen!"
Enkele mannen kijken op, echter niemand reageert.
"Als er niet snel iemand hier meegaat, dan zorg ik wel dat er iemand meegaat
of je nu wilt of niet. Ik vraag mij af waarom jullie toch zo moeilijk doen,
als je gewoon meewerkt krijg je de minste problemen."
"Je hoeft het maar te vragen, hoor," reageert een kleine man nors.
"Hoeveel mensen heb je nodig?"
"Ik heb een groep mensen groot genoeg om te jagen, meer is er niet nodig,"
antwoordt Sanguin en hij kijkt een rond naar de mensen om hem heen. "Wie
van jullie een jachtwapen kan gebruiken mag of beter gezegd moet meekomen met
mij. Ik kan beter te veel mensen meenemen en dan een paar terugsturen dan dat
de gemantelde woest wordt omdat ik er te weinig heb..."
De kleine man, Sanquin herinnert zich plotseling dat hij Sam heet, grijnst afzichtelijk.
"Je hebt gelijk. Nor, D'os, Merk, Larin, Blak, Urth, meekomen!"
De zes staan mokkend op en Sam kijkt Sanquin aan.
"Zeven genoeg?"
Sanguin glimlacht naar Sam. "Ja, Sam. Ik denk dat zeven mensen wel genoeg
zullen zijn."
Sam gaat
de groep, nadat ze voor paarden en proviand hebben gezorgd, voor naar de grote
weg.
"Ga je gang, geëerde leider," lacht hij dan naar Sanguin. In
zijn ogen is echter geen vrolijkheid te zien.
Sanguin trekt zijn wenkbrauwen op. "Een grote weg, een weg naar van hel
en weer terug," spot hij. «
--------------------------- (De grote weg)
»Floortje
wordt al snel gewekt door dezelfde stem die zij en Twinblade eerder hadden gehoord.
"Wat is er?"
Verward gaat Floortje overeind zitten. "Uhm.. Niets. Er is niets."
"En daarom huil je?" De stem lacht schamper.
Floortje veegt haar gezicht schoon. "Ben ik jou verantwoording schuldig?"
Ze blijft naar beneden kijken, trillend van woede en verdriet.
"Nee, nee, natuurlijk niet." De stem zwijgt.
"Mooi," zucht Floortje. "Als je me nu alleen zou willen laten."
"Alleen? Waar is die ander dan?"
Floortje kijkt om zich heen. "Wie ben je? Bespioneer je me? Ben je ook
een bewaker?"
"Ik heb hem vanmorgen gehoord," reageert
de onbekende. "En er zijn ook nog wel anderen dan bewakers buiten de muren
van je cel."
"Als jij het zeg," zegt Floortje koeltjes terwijl ze weer gaat liggen.
"Ik beweer toch ook niet dat mijn cel de hele wereld is?" is de enigszins
verontwaardigde reactie.
Floortje komt overeind. "Sorry, ik dacht écht... Waarom zit jij
hier?"
"Dat heb ik je al verteld," de stem trilt licht. "En een keer
is genoeg."
"Sorry," zegt Floortje snel. "De laatste uren zijn zo langs me
heen gegaan..." Haar gedachten gaan weer uit Twinblade. Tranen verschijnen
weer in haar ogen.
"Wat is er gebeurd?" Uit de stem klink medeleven.
Floortje zucht. "We werden beroofd in onze slaap, toen we beide wakker
werden, namen ze ons mee hier naar toe," ze vermijdt het onderwerp magie
angstvallend. "Toen we uiteindelijk in die grot daar waren, liet die gemantelde
zomaar," ze stopt even met praten, haar stem trilt. "Die bewaker.
Hij sloeg hem gewoon letterlijk kapot met zijn morgenster. Gewetensloos,"
tranen stromen weer over haar wangen.
De ander zwijgt ook even.
"Waarom werden jullie ontvoerd?" vraagt hij dan.
"I-ik weet het niet," liegt Floortje. "Ze brachten me hier zonder
enige reden."
"Jullie moeten toch wel íets gedaan hebben?" klinkt het verbaasd.
"We verdedigden ons en raakten daarbij een van die schoften. Daar is niets
op tegen?"
"Nee, maar waarom vielen ze jullie in eerste instantie aan dan?"
"Waarom werden we overvallen? Dat moet je niet aan mij vragen."
"Je hebt gelijk," reageert de ander. "Ze geven geen redenen voor
wat ze doen."
"Inderdaad." Floortje haalt onopmerkbaar, opgelucht adem voor het
feit dat de persoon naast haar niet door blijft vragen. "Hoe heet u trouwens?"
"Floris, en jij?" Plotseling klinkt de stem een stuk jonger. Naar
wat Floortje zo kan horen, behoort hij toe aan een jongen van een jaar of twintig,
vijfentwintig.
"Celema," zegt Floortje. "Maar noem me maar Floortje."
"Mooie naam," antwoordt Floris, hoewel zijn stem eerder treurig klinkt
dan opgewekt.
"Hoe zie je eruit?"
Floortje lijkt even uit het veld geslagen. "Het is heel moeilijk je zelf
te omschrijven."
"Probeer het eens, alsjeblieft," vraagt Floris.
"Je haarkleur, je ogen, je kleren, je leeftijd."
Ze begint twijfelend. "Ik heb goudblonde haren en lichte groen-grijze ogen.
Nouja, m'n kleren zijn nu niet echt in hun perfecte staat. En ik ben zestien
jaar."
"Je klinkt mooi," mijmert Floris. "Vertel nog eens wat!"
Floortje begint zich steeds ongemakkelijker te voelen. "Wat wil je weten?"
vraagt ze rustig en ze voegt er sarcastsich aan toe: "Je mag alles van
me weten"
"Weet je de weg naar buiten misschien?" Floris probeert een grap te
maken, maar slaagt daar maar half in.
"Ik weet het ook niet; ik zit hier al zo lang."
Floortje begint medelijden met de jongen te krijgen. "Hoe oud ben je, en
hoelang zit je hier al?"
"Volgens mij ben ik een paar weken geleden 18 geworden. Ik zit hier nu
al een jaar ofzo," is het sombere antwoord.
Floortje schrikt even. "Ik wordt al gek van een dag in deze cel. En jij
zit hier al een jaar."
"Zoiets... Het kan ook meer zijn..."
"Wat doe je hier dan hele dag?"
"Slapen, eten en dromen dat ik ergens anders was," antwoordt Floris
somber.
"Dromen. Ja.." Haar gedachten gaan nu uit naar Elanor, en haar voorspellende
droom over de zwarte magiër. Opeen schiet haar iets te binnen. Een persoon
die vaak voor haar verschijnt als ze in nood is. "Moeder. Moeder, hoort
u me?" fluistert ze zachtjes.
Als Floortje zich concentreert is het enige wat ze voelt in dit grottencomplex
een inktzwarte, bedreigende duisternis.
Ze begint wanhopig te worden. "Nooit aan ontsnappen gedacht?" fluistert
ze tegen Floris.
"Ja, wel eens aan gedacht," antwoordt Floris. "Maar tot nu toe
blijf ik toch liever leven."
Floortje zucht. "Ik sterf liever dan hier heel mn leven opgesloten te zitten."
Dan fluistert ze: "Heb al informatie over hoe je hier kunt ontsnappen?
Of zit je non-stop in je cel?"
"Nee, zo nu en dan ga ik even wandelen. Vooral na het eten," reageert
Floris sarcastisch. Bijna onmiddellijk komt hij er al op terug:
"Sorry, ik ben het gewoon zo zat! Maar om op je vraag te antwoorden: Ik
weet hier buiten wel ongeveer de weg. In de grotten bedoel ik. Ik weet alleen
niet hoe ik in vredesnaam uit mijn cel moet komen én dan nog ontsnappen
zonder gezien te worden."
"Op die bewakers weet ik wel iets. Alleen om uit deze cel te komen..."
Gefrustreerd loopt ze naar de deur van haar cel en bonkt ze erop. "Doe
open!" roept ze kwaad.
"Ja, dat zal helpen!" gromt Floris.
"Ik ben niet van plan hier ook een jaar te blijven!" reageert Floortje
fel.
"En ik was dat zeker wel van plan? Ik heb hier ook niet voor gekozen hoor!
Ik kan er niets aan doen dat ik op het verkeerde moment op de verkeerde plaats
was, wel?"
Floortje gaat zuchtend zitten. "Sorry," mompelt ze. Het lijkt alsof
de situati bij het Zilveren Woud zich gaat herhalen. Dan herinnert ze zich plotseling
die speciale bril die ze van Indige heeft gekregen. Ze begint te zoeken in haar
kleren of ze die nog bij zich heeft, misschien kan ze er nog wat mee...
Als Floortje de bril vindt en deze op zet, ziet ze niets anders dan anders.
Ze vloekt zachtjes, ten einde raad. De hoop heeft ze nu opgegeven. Ze gaat weer
in de hoek zitten en zegt "Ik ga nu slapen," tegen Floris. Voorzichtig
sluit ze haar ogen en probeert ze in slaap te komen.
De slaap komt snel. Floortje slaapt zo diep dat het bijna lijkt of ze buiten
bewustzijn is. De gebeurtenissen van de afgelopen dag hebben een boel energie
gekost. Wel wordt ze vroeg in de ochtend wakker, met een knorrende maag.
Slaapdronken kijkt ze om zich heen. Haar lichaam is verkleumd en vuil, en haar
maag is leeg. Ze rekt zich voorzichtig it en gaapt. Dan zoekt ze in haar tas
naar iets eetbaars.
Op enkele kruimels na is Floortjes tas leeg geplunderd.
"Oke," zucht Floortje. Ze heeft nog nooit zulke erge honger gehad
als nu. Verlangend denkt ze aan de feestelijke maaltijden waarvan zij altijd
de restjes kreeg in het Kasteel van de Zeven Wouden. Dan schiet haar plotseling
iets te binnen, iets wat haar moeder haar vroeger over heeft verteld, Droomlopen.
Ze sluit haar ogen weer en probeert te slapen.
Floortje vangt een glimp op van hetzelfde benauwende duister als de vorige dag,
maar de honger houdt haar wakker.
"Floris?" fluistert ze zachtjes. "Floris, ben je wakker?"
"Goeiemorgen! Lekker geslapen?" Floris klinkt bijna vrolijk.
"Heerlijk," antword Floortje op een droge manier terug. "Jeetje,
ik verhonger hier zo wat."
"Het eten zal straks wel komen en dan kun je maar beter honger hebben,"
grinnikt Floris.
Floortje glimlacht terug, maar als ze beseft dat er een dikke muur tussen hun
twee in staat, verdwijnt deze direct. "Reken maar dat ik dat ben."
"St, daar komen ze," maant Floris. En inderdaad, enkele minuten later
wordt een luikje in de deur geopend en een onsmakelijk uitziende brij wordt
naar binnen geschoven. Als de wacht weer weg is, komt Floris' stem gedempt:
"Nou, eet smakelijk."
Floortje's honger blijkt opeens een stuk minder erg bij het zien van haar maaltijd.
"Hetzelfde." Met een onaangenaam gevoel in haar buik pakt ze de schaal
op en begint ze te eten.
De brij smaakt als modder. Een rilling van pure walging over Floortje's rug
heen. Ze kokhalst zachtjes. Ze knijpt haar neus dicht en eet noodgedwongen verder.
"Lekker hè?" merkt Floris wrang op.
"Heerlijk," zntwoord Floortje droog terug. "Wel slim van ze.
Nu is het drinken en eten in een."
"O, water is er voldoende hoor!" lacht Floris.
"Til de kleine steen in de rechterhoek van je cel maar eens op. Aan de
kant van de deur."
De steen die Floris bedoelt, is misschien de grootte van een hand en ligt los
in de vloer.
Floortje legt de kom neer en lopt naar de steen. Zonder erbij na te denken tilt
ze deze op.
Een minuscuul stroompje baant zicht een weg tussen de rotsen onder de cel. Het
water is weinig, maar helder.
"In overvloed, ja," mompelt ze zachtjes. Dan probeert ze met haar
handen het water op te vangen.
Het gaat, zij het met moeite. Het water is ijskoud.
Langzaam drinkt ze het water dan. Dan gaat ze rillen liggen. Ze voelt zich ellendiger
dan ooit.
Een tijdlang blijft het stil in beide cellen. Dan, na een uur of twee, komt
Floris' stem bezorgd: "Floortje, ben je erg nog? Is alles wel in orde?
Je moet niet gaan wanhopen hoor!"
"Ja ik ben er nog," zucht ze zachtjes. "Hoe hou je het hier in
hemelsnaam een jaar lang uit! Werkelijk, als ik in God geloofd had, had ik dat
geloof nu op gegeven!"
"Waarom?" is Floris' antwoord.
"Waarom?" antwoord ze fel. Dan laat ze de woede en wanhoop even zakken
en komt ze langzaam tot zichzelf. "Als er werkelijk een grote Goedwillige
zou zijn geweest zou hij me hier niet vast laten houden."
"Misschien kun je er juist wel iets van leren, misschien is dat wel de
bedoeling," reageert Floris, hoewel hij zeker niet overtuigd klinkt.
"Wat moet ik hiervan leren?" zegt ze rustig. Diep in haar hart weet
ze het antwoord wel. Voorzchtiger met je Magie omgaan.
"Geduld?" Zo te horen grijnst Floris als hij dit zegt.
"Iets dat jij na een heel jaar lang nog steeds niet verloren hebt, nietwaar?"
Terwijl ze het zegt, begrijpt ze opeens hoe absurd en onwerkelijk het verhaal
van Floris is, en begint ze ongelooflijk aan de waarheid in zijn woorden te
twijfelen. Ze sluit haar ogen en concentreerd zich op het gebruik van haar mensenkennis.
Floortje merkt dat Floris helemaal niet zo vrolijk is als hij klinkt. In tegendeel,
hij is juist bijna wanhopig.
Ze schrikt even, maar vervolgt dan langzaam:"Of je houdt je gewoon groot.
Niemand zal het hier een jaar uithouden zonder de hoop te verliezen."
Floris antwoordt niet.
"Floris?" zet ze langzaam. "Alsjeblieft, antwoordt. Je bent de
enige die ik hier nog heb."
Het blijft stil, doodstil.
Floortje knikt langzaam. "Hier hopeloos blijven zitten heeft echt geen
zin. We moeten hier weg zien te komen." Dan schiet haar plotseling de bewaker
te binnen die Twinblade om heeft gebracht, maar even snel verdwijnt die weer
uit haar gedachten; ze zou het als verraad aan Twinblade zien als ze hem om
hulp zou vragen. Ze haalt diep adem en probeert het nog maals. "Waarom
zwijg je, Floris?"
Na minuten die uren lijken te duren komt er eindelijk een reactie.
"Ik ben bang."
Floortje maakt een geluid dat ze het begrijpelijk vind. "Ik weet hoe je
je voelt, maar we mogen niet bij de pakken neer zitten. Is er hier werkelijk
geen uitweg?"
"Vóór dat jij hier kwam, zat er een tijd een andere gevangene
in die cel. Hij werd gek, probeerde te ontsnappen..." Floris huivert hoorbaar.
"Je wilt niet weten wat ze met hem hebben gedaan."
Floortje zweeg even. De gedachte aan het noodlot dat Twinblade had onergaan
maakte haar er niet vrolijker op. "Ik weet wel een manier om te gebruiken,"
zegt ze uiteindelijk. "Maar wil jij liever je hele leven lang hier slijten,
of snel uit je lijden worden verlost?"
Floris snuift. "Het was niet bepaald snel. Dan sterf ik liever hier langzaam."
Floortje knikt. "Daarin moet ik je wel gelijk geven."
"Toch?" Er klinkt weer wat humor door in Floris' stem. "Zou je
hier dan toch blijven afwachten?"
Floortje zucht. "Ik kan het gewoon niet geloven! Dat mijn leven hier eindigt
in deze cel! Ik had dromen en ambities, doelen en principes! Dat ik de rest
van mijn leven hier eenzaam moet slijten terwijl ik wegrot in verveling."
"Dromen? Ambities? Vertel er eens over alsjeblieft?"
Floortje twijfelt even of ze wel wilt zeggen dat ze bij een magiër in de
leer wilde gaan. "Ik ga je nu iets vertellen wat ik bewust voor je verzwegen
hebt. Het is de reden waarom ik hier zit." Ze zwijgt even en slikt. Ze
kan er nu niet meer onderuit om de enige met wie ze nog contact heeft de waarheid
te vertellen. "Ik ben een heks," zegt ze met een schorre stem.
"Je bent een heks?" reageert Floris. Hij lijkt niet geschokt te klinken,
eerder verbaasd.
Floortje maakt een erkennend geluidje. "Een heks."
"Leuk," peinst Floris.
"Dank je," antwoordt Floortje droogjes terug.
Even is het stil, dan vraagt Floris: "Ben je al lang een heks? Ik bedoel,
ben je als heks geboren of ben je opgeleid tot heks?"
"Ik ben er pas achter gekomen. Iedereen heft het voor me verzwegen. Ik
ben nog heel onervaren."
"Voor je verzwegen? Hoe? Waarom?" vraagt Floris verbaasd.
"Ik heb er nooit iets van gemerkt, terwijl het altijd in me zat. Ik heb
vroeg de banden met mijn ouders verbroken, en ik ging werken als gewone schoonmaakster
in het Kasteel van de Zeven Wouden. En opeens deed ik het, ik gebruikte mijn
gave. Ik en mijn vriendin werden, naar ons weten, opgejaagd. Ik bewoog mijn
hand en wilde zo vurig en krachtig dat mijn kamerdeur dicht klapte. En het lukte,
ik deed het. Met mijn geest kan ik dingen met een onzichtbare kracht bewegen.
En met andere maige kan ik spreuken sommeren die varieeren van een gesloten
luik openen tot iemand in slaap bezweren."
"En hier kan je dat niet?" vraagt Floris, hoewel hij het antwoord
al lijkt te weten.
"Denk je nu werkelijk niet dat dat het eerste was dat ik deed toen ik hier
belandde?" Ze zwaait nog een keer met haar arm in de richting van de deur,
hopend dat hij open zwaait.
De deur beweegt nog steeds niet.
"En?" vraagt Floris.
"De deur beweegt nog steeds niet," zucht Floortje.
"Jammer," antwoordt Floris.
"Zeker," pijnst Floortje. "Ik ben werkelijk ten einde raad."
"Geef de moed niet op hoor!" zegt Floris dringend. "Als dat een
keer gebeurt..."
"Horen wie het zegt," antwoord Floortje met een ironische ondertoon
in haar stem.
Op dat moment voelt Floortje hoe ze door een onzichtbare kracht tegen de muur
wordt gepind. Ze kan zich niet bewegen, hoe hard ze dat ook probeert. Ook spreken
gaat niet.
De deur van haar cel gaat open en twee gemantelde mannen stappen naar binnen.
Hun mantels zijn donkergrijs en niet zo allesverhullend als die van de man die
iedereen "de gemantelde" noemt, de man die Floortje eerder ontmoette.
Deze twee mannen zijn ook veel jonger, waarschijnlijk pas een jaar of twintig.
Beide hebben een ontbloot hoofd en dragen een amulet. Hun haren zijn lichtbruin,
evenals hun ogen. Ze glimlachen, maar zeggen niets.
Floortje blijft vastgepind tegen de muur.
Verdomme! denkt Floortje bijna hardop. Ze voelt een akelig gevoel van
walging en haat jegens het gevoel dat de amuletten veroorzaken.
Floris! Help me! Ze probeert haar gedachtegang naar Floris te sturen.
Even lijkt het alsof Floortje Floris bereikt. Vaag merkt ze dat hij verbaasd
is, dan is de verbinding alweer weg.
De twee mannen in haar cel doen nog niets.
Het lijkt alsof de beide mannen woordeloos communiceren, althans gezien de blikken
die ze elkaar werpen. Het blijft echter stil in de cel.
Plotseling ziet Floortje een andere cel en een donkerharige jongen die wanhopig
haar kant op kijkt. Hij lijkt haar echter niet te kunnen zien, maar als ze nogmaals
in gedachten om hulp roept, balt hij machteloos zijn vuisten. "Ik kan niets
doen! Ik zou wel willen, maar ik kan niets doen!"
Op dat moment wordt Floortje losgelaten en uitgeput zakt ze op de grond. Dit
keer is het Floris, die in gedachten bij háár komt. Floortje ziet
zijn bezorgde blik voor haar en even is het alsof ze elkaar hun hele leven al
kennen.
"Gaat het?" vraagt Floris. "Ben je in orde? O, kon ik maar naar
je toe komen om te helpen! Ik wilde dat ik door de muren heen kon lopen."
Floris, er zijn hier bewakers. En naast me zit nog een jongen. Ik zie alles
opeens. We moeten iets proberen, Floris! Iets... magisch... Als ik een doorgang
creeer, zullen de bewakers het merken...
Floris kijkt
geschrokken om zich heen en fluistert dan: "Floortje? Wat stel je voor?"
Ik weet het niet... Denk met me mee!
"Misschien kunnen we iemand buiten bereiken?" fluistert Floris. "Weet
jij iemand die ons kan helpen? Ik denk niet dat het een magisch persoon moet
zijn, want dat merken ze!"
Floortje aarzelt. Wie kan ze bereiken? Dan weet ze het plotseling! Elanor!
Elanor? Hoor je me? Elanor? Dit is Floortje. Hoor je me? Alsjeblieft, antwoord!
Floortje voelt een bekende aanwezigheid en weet dat het Elanor is. Elanor aarzelt
even, maar vraagt dan in gedachten voorzichtig hoe het met Floortje is.
Ik heb je hulp nodig. Ik zit gevangen.
O Floortje, ik ook, antwoordt Elanor.
Floortje zucht en luistert als Elanor vertelt dat ze in Stend gevangen is genomen
door een man die zich voordeed als geleerde.
Dus we zitten in hetzelfde schuitje... Floortje fronst als het stil
blijft. Elanor? Ben je daar nog?
"Floortje?" Floris klinkt gespannen. "Weet jij iemand?"
"Ik dacht dat ik iemand wist..." Floortje blijft even stil. "Een
oude vriendin, maar ze kan niets voor ons doen. Weet jij nog iemand?"
"Hier?" Floris snuift. "Nee. Maar hoe kun je met je gedachten
zo ver reiken? Laat maar, antwoord maar niet. Kijk liever of er iemand anders
in de buurt is die ons zou kunnen helpen! Als je je vriendin kunt bereiken,
waarom andere reizigers buiten dan niet?"
"Waarom ook niet. Het valt te proberen." Niet erg hoopvol gaat Floortje
op haar rug liggen, sluit haar ogen en reikt met haar gedachten om zich heen.
Er lijken
mensen in de buurt te zijn, maar het gevoel dat Floortje krijgt is niet echt
duidelijk.
Ze peinst. Het zou gevaarlijk kunnen zijn om iemand aan te spreken die zich
eigenlijk nog binnen de gevangenismuren bevond. Toch waagt ze het erop en reikt
ze naar de personen die het verst weg zijn. "H-hallo?"
Plotseling bevindt ze zich in gedachten buiten.«
---------------------------