AOLARPG: Nivelia

Geëvolueerd vanuit een boerengemeenschap, is Nivelia sinds jaar en dag de voedselleverancier van Torsan. Alle gebied ten noordwesten van de stad wordt gebruikt voor akkerbouw, fruitbouw en veeteelt.
De stad zelf is eigenlijk nog steeds niet veel meer dan een groot dorp en de mensen in Nivelia staan in heel Torsan bekend om hun gastvrijheid.

-----------------------
Laruto komt uiteindelijk na een lange reis in Nivelia aan. Hij loopt even door de straatjes en ziet een herberg. Hij loopt naar binnen en ziet meteen dat het een gezellige sfeer is.
Een mollige dienster komt op Laruto af.
”Zeg, ben jij niet wat jong om alleen op pad te zijn?”
”Dat zeggen een heleboel mensen,” antwoordt Laruto. “Maar ik kan me goed verdedigen en ik heb een redelijk goed richtingsgevoel. Ik heet trouwens Laruto. Aangenaam!”
De dienster moet lachen. ”Laruto? Ik ben Enke. Wil je wat te drinken?”
”Ja, graag. Als het kan bosbessensap,” antwoordt Laruto. “Kan ik hier ook overnachten?”
”Een bosbessensap voor meneer,” grijnst Enke als ze even later terugkomt met een glas. “Dit is eigenlijk een taveerne, zonder overnachtingsmogelijkheden, maar aangezien er in Nivelia geen echte herberg is, kun je wel met de waard overleggen of je hier mag slapen.”
”Oké dan!” zegt Laruto nadat hij een slok van het bosbessensap heeft genomen.
Als Laruto het bosbessensap opheeft vraagt hij aan Enke: “Zou ik nu dan met de waard kunnen spreken?”
Enke knikt en gaat Laruto voor naar de keuken. Dan wijst ze op een dikke, snurkende man, die diep in slaap in een stoel ligt. ”Dat is hij.”
”Oké,” zegt Laruto met een hele kleine bibber in zijn stem. “Ehh... meneer... kan ik hier een slaapplaats vinden?”
Hopelijk hoef ik niet weer buiten te slapen net zoals het op reis was...
De waard lijkt even wakker te worden, althans, hij draait zich half om. Dan gromt hij, slaat met een arm en valt weer in slaap.
”Meneer! Ik wil vragen of ik hier een slaapplaats kan vinden,” zegt Laruto nu harder en zonder een bibber in zijn stem.
De waard schrikt wakker.
”Hè? Wat? Wat mot je?”
”Ik wil vragen of ik hier een slaapplaats kan vinden,” zegt Laruto nog een keer.
”Regel maar met Enke,” is het antwoord dat Laruto krijgt. Dan draait de waard zich om en slaapt verder, luid snurkend.
Laruto loopt naar Enke.
”Ik moet het met jou regelen zei de waard,” zegt hij tegen Enke.
Enke grijnst. “Dan zeg ik dat het goed is. Rhimsel moet hier wel ergens rondlopen, hij kan je wel een slaapplaats wijzen.”
”Oké dan! Dan ga ik op zoek!” zegt Laruto blij.
Laruto loopt even rond. Hij komt een jongen tegen die aan het vegen is van ongeveer zijn leeftijd. “Weet jij waar ik Rhimsel kan vinden?”
”Dat ben ik! Waarom zoek je naar mij?” vraagt de jongen.
“Kan je mij een kamer wijzen, waar ik kan overnachten?” vraagt Laruto aan Rhimsel. “Want ik zou hier gaan overnachten.”
“Oké, volg mij maar,” zegt Rhimsel tegen Laruto. Laruto loopt Rhimsel achterna.
De trap op, dan de kamer tweede rechts, onthoudt Laruto voor de zekerheid.
“Hier is het!” zegt Rhimsel uiteindelijk. Rhimsel haalt een sleutel uit zijn zak en maakt de deur met een klik open. Zo te horen is het een roestig slot.
Rhimsel laat de jongen alleen in de kamer. "Als je wat nodig hebt, dan moet je het maar vragen."
"Oke dan," zegt Laruto terwijl hij tevreden rondkijkt in zijn kamer.
Hij legt zijn spullen weg en gaat even op bed liggen.
Eindelijk een slaapplaats.
Lange tijd later wordt er op de deur geklopt en Enke steekt haar hoofd door de deuropening.
"Wil je nog wat te eten? Of slaap je liever door tot morgenvroeg?" Ze knipoogt naar Laruto.
"Ik zou eigenlijk best wel wat te eten lusten, ja," lachte Laruto.
"Blijkbaar dommelde ik al in voordat ik naar beneden ging."
"Als je me helpt met de afwas, krijg je je maaltijd gratis," biedt Enke aan.
"Dan help ik wel mee. Een beetje werken kan geen kwaad."
Ik denk niet dat ik hier lang ga werken... misschien wel een paar dagen...
"Een beetje inderdaad niet," grijnst Enke. "Zolang het daarbij blijft. Kom mee naar de keuken."
Enke gaat Laruto voor naar de keuken en geeft hem daar een groot bord van de een of andere bonenschotel met daarbij een stuk worst en donker brood. "Eet smakelijk."
"Dankjewel. Als ik klaar ben kom ik wel weer naar de keuken," zegt Laruto die uit de keuken loopt, op zoek naar een tafel waar hij kan gaan zitten.
Het is druk in de taveerne, er zijn geen vrije tafels meer. Wel nog enkele plaatsen, voornamelijk naast de minder aantrekkelijke figuren. Een gezette, overduidelijk dronken man, een donker gekleede vechter, een lange vrouw met grote ogen en een loensende blik en een kwaad kijkende monnik.
Nadat Laruto ziet dat er geen tafels meer zijn, besluit hij toch maar om naast de monnik te gaan zitten.
De monnik scheurt juist met zijn tanden een stuk geroosterd vlees van bot en kijkt Laruto met een scheef oog aan. "Ah, jong bloed," mompelt hij, onderwijl enige stukjes vlees weer uitspugend. Hij verheft zijn stem en vraagt: "Jongen, welk geloof hang je aan?"
"Aan geen, meneer," zegt Laruto een beetje beangstigend tegen de monnik.
"Aan geen?!" De monnik slikt zijn vlees door en boert luid.
"Aan geen?!" herhaalt hij.
"Uhmm... nee, aan geen," zegt Laruto wat zachter.
De monnik komt overeind.
"Schandalig!" Hij schreeuwt nog net níet. "Wat een gebrek! Jongen, kom met me mee, dan zal ik je onderrichten."
"Sorry, maar ik hoef niets te weten over een bepaalde godsdienst en ik wil ook niet gedwongen worden," protesteert Laruto. Hij begint toch een beetje in paniek te raken.
De onwetendheid van de jeugd," verzucht de monnik. "Jongen, wil je dan je eeuwig leven riskeren?" Hij schudt mistroostig zijn hoofd.
"Ik vertrouw op mezelf. Ik riskeer mijn leven niet," zegt Laruto die toch wel wat bozer begint te worden, maar niet laat merken.
"Niet je leven, jongen, als je je leven wilt vergooien moet je dat zelf weten," de monnik rolt nog net niet met zijn ogen. "Het eeuwige leven is het enige dat van belang is."
Laruto zucht en gaat maar weer verder met eten.
De monnik pakt hem bij de schouder.
"Ik geef je nog een kans jongen. Kom met me mee voor onderwijs en je eeuwig leven zal gered worden."
"Nee, dat hoeft echt niet," herhaald Laruto.
Hij richt zich weer op zijn eten en stopt een stuk worst in zijn mond.
Op dat moment komt Enke er aan.
"Valt hij je lastig?" grijnst ze naar Laruto.
"Ja, hij wil dat ik bij een een of andere geloof kom," zucht Laruto.
"Maar hij blijft maar doorgaan... maar ik hoef helemaal geen geloof. Ken je hem?"
"Het is een stamgast, maar kom mee naar de keuken."
Ze gebaart licht met haar hoofd naar de volle gelagkamer.
"Dat praat makkelijker."
Enke loopt alweer terug, maar als Laruto op wil staan, houdt de monnik hem tegen.
"Wacht even jongen, niet zo snel!"
"Sorry, maar ik heb nu even geen tijd. Dadelijk kan je het me vertellen," zegt Laruto ongeduldig.
De monnik knippert even met zijn ogen en laat Laruto een moment los.
Laruto verlaat de gelagkamer en loopt naar de keuken.
"Ontsnapt?" grijnst Enke vrolijk.
"Ja, eigenlijk wel," grijnst Laruto.
"Maar ik kom dadelijk nog terug. Ik wil niet graag onbeleefd zijn en hij moest me nog wat vertellen."
"Ga je terug?" Enke zet grote ogen op en kijkt Laruto ongelovig aan.
"Nu niet... dadelijk. Is er iets met hem aan de hand dan?" vraagt Laruto.
"Dat niet... Hij is alleen heel vervelend én ook ontzettend koppig. Hij probeert mij al te bekeren sinds ik hier ben komen werken."
Enke lacht. "Het zal hem toch niet lukken."
"Nooit verwacht dat hij zo erg is," kijkt Laruto verbaasd. "Dan is het toch een slim idee om dan niet terug te gaan... of wel?"
"Je moet het helemaal zelf weten. Maar zeg achteraf niet dat ik je niet gewaarschuwd heb!" Enke kijkt even serieus, maar grijnst dan.
Laruto grijnst terug. "Ik ga toch maar niet. Ik kom hem waarschijnlijk toch nog wel een keer tegen, en hij spreekt mij denk ik meteen aan..."
"Heel verstandig," knipoogt Enke. Dan wijst ze naar de afwas. "Zullen we maar beginnen?"
"Oké dan," grijnst Laruto en kijkt naar de berg van borden.
Toch wel een hoop, maar dat maakt niet zoveel uit...
Met z'n tweeën is de vaat gelukkig zo gedaan, maar het is al laat op de avond als Laruto de keuken weer uit komt.
Laruto wrijft in zijn ogen. Ik ga denk ik maar slapen... het is al laat, denkt hij in zichzelf en loopt de trap op. Hij wist nog te herinneren waar zijn kamer was en ploft op bed, waar hij al snel in slaap valt.
De nacht verstrijkt zonder dat Laruto gestoord wordt.
Laruto wordt uitgerust wakker en gaat naar de gelagkamer, waar het nog niet zo druk is.
Enke is nergens te bekennen, nu is het de waard die achter de bar staat.
Laruto gaat zitten en kijkt of de monnik ergens in de gelagkamer zit.
Ook de monnik is nergens te bekennen. Eigenlijk is het behoorlijk rustig in de gelagkamer.
Wanneer zou ik gaan vertrekken... denkt Laruto. En waar naartoe? Ik weet helemaal niet waar ik naartoe kan gaan. Ik zal dadelijk wel aan Enke vragen of ze een beetje weet van de omliggende dorpjes.
Het lijkt wel alsof Enke die gedachte heeft gehoord, want op dat moment komt ze neuriënd de gelagkamer binnen.
"Hoi Enke! Goed geslapen neem ik aan," zegt Laruto. Hij staat op en loopt naar Enke. "Weet jij wat meer van de omliggende dorpjes hier? Ik wil binnenkort weer op reis gaan, maar ik weet nog niet waar naartoe en wanneer."
Enke denkt even na. "Je kunt naar Dulvia, of naar de Zeven Wouden. Daar is een kasteel en een markt."
"Hmmm... ik denk dat Dulvia wel een mooie plek is..." peinst Laruto. "Ik zal er nog wel over moeten nadenken. Helaas ken ik de omgeving niet zo goed en ik weet dus niet wat ik allemaal kan verwachten. Maar als je aanraders hebt, mag je het wel zeggen." knipoogt hij.
"Sorry, ik ben geboren en getogen in Nivelia!" lacht Enke. "Maar misschien moet je het de monnik eens vragen; hij komt uit Dulvia. Wacht, ik heb nog iets voor je!"
Ze laat Laruto alleen en komt een moment later terug met een rol perkament. "Ik weet niet of je het kunt lezen, maar misschien is deze kaart wel handig op je reis." En ze geeft Laruto een simpele, maar kleurrijke kaart van Torsan.
"Dankjewel," zegt Laruto blij en kijkt aandachtig naar de kaart. "Ik kan het wel goed lezen. En ik vraag later wel aan de monnik of Dulvia een aanrader is," knipoogt Laruto.
"Kom me over een jaar ofzo maar eens opzoeken om me alles te vertellen over de wereld buiten Nivelia." Enke geeft Laruto nog een versgebakken brood en vult zijn waterbuidel met vers water en neemt dan glimlachend afscheid. "Goede reis!"
Vervolges verdwijnt ze in de herberg.

Laruto draait zich om naar loopt naar de plek waar de monnik normaal gesproken zit. En inderdaad, na een klein uurtje komt de monnik inderdaad de herberg weer binnen. Zijn ogen worden even groter als hij Laruto ziet. "Ha, mijn jonge vriend! Kun je de verlokkingen van het geloof niet negeren?"
"Eigenlijk kom ik daar niet voor..." bekent Laruto. "Ik heb gehoord dat jij uit Dulvia komt. Ik zou graag willen weten of Dulvia het waard is om naar toe te reizen."
De monnik lijkt zowaar beledigd. "Wat zoek je in Dulvia?" vraagt hij op norse, bijna agressieve toon.
"Ik ga op reis... eigenlijk zonder doel... maar Dulvia klinkt wel een fijne plaats om te bezoeken," beantwoordt Laruto.
"Goede reis dan." Laruto's afwijzing heeft de monnik een stuk minder vriendelijk gemaakt.
Laruto zucht. "Ik wil je niet boos maken..."
"Let dan wat beter op je woorden, is mijn advies." Het antwoord van de monnik wordt op neutrale toon uitgesproken.
"Ik was te haastig bezig, sorry," verzucht Laruto.
"Het zal je jeugd zijn," geeft de monnik toe.
"Waarschijnlijk," zegt Laruto die toch een beetje schuldig van hoe hij reageerde.
"We moeten vergevensgezind zijn. Je wilde naar Dulvia?"
"Ja. Dat lijkt me wel een goede plaats om een keer te bezoeken," zegt Laruto weer op zijn gemak.
"Je kunt meereizen." De monnik vraagt niet eens of Laruto dit wil, maar stelt het vast.
"Oké dan," beantwoordt Laruto. Ondertussen hoopt hij dat de monnik niet meteen begint met het overhalen van Laruto om naar een geloof te gaan.
"Volgens mij hebben we nog niet ons voorgesteld," grijnst Laruto. "Ik heet Laruto," zegt hij terwijl hij zijn hand uitsteekt.
"Je mag mij wel broeder Don noemen." De monnik schudt Laruto de hand. "Laten we gaan. Het is nu nog rustig op de weg."
"Oké,"zegt Laruto terwijl hij opstaat. "Ik heb mijn spullen al gepakt."
"Kom mee dan," zegt broeder Don en de daad bij het woord voegend, verlaat hij de herberg en loopt met ferme passen Nivelia uit, de hoofdweg op.
----------------------- (De hoofdweg; Nivelia-Dulvia)

-----------------------
Aerandir zou eindelijk de reis maken waar hij al zo lang over had nagedacht. Tien jaar geleden had hij zich niet kunnen voorstellen dat hij ook inderdaad echt zou vertrekken. Eigenlijk was hij de reis al begonnen op het moment dat het voor het eerst in zijn gedachten opkwam, bedacht hij zich. Dat was toen hij nog maar een klein jochie was, de zoon van een landarbeider. Hij had bijna elke dag op de markt rondgelopen om te horen wat voor nieuws er van de wereld van achter de rivier was. Hij had kaarten bestudeert, hij besteedde altijd meteen als hij het geld ontving alles aan reisuitrusting, en kaarten. Maar toen werd hij 12, een leeftijd waarop je geacht werd om mee te werken. Hij realiseerde zich toen dat hij waarschijnlijk nooit echt weg kon, hij voelde zich verantwoordelijk voor zijn ouders, broertjes en zusjes, die zo lang zijn opvoeding hadden betaald. Hij werkte altijd zo hard hij kon, wat hem een aardig pijnlijke rug had opgeleverd, maar ook veel geld en het respect van het boerendorp waar hij in woonde. Hij trouwde met de dochter van een hereboer, en kon nu weer niet weg omdat hij geld moest verdienen voor zijn gezin. Maar dat werk had wel veel opgeleverd. Toen hij trouwde woonde hij nog in een eenvoudige plaggenhut, maar tot recentelijk woonde hij in een groot landhuis. Tot de grote brand. Hij verloor alles, zijn kapitaal, zijn reisspullen, zijn kaarten, zijn respect en wat nog het ergste was: zijn vrouw. Hij had er jaren over gedaan om zijn verlies te verwerken, hij raakte aan lager wal, maar uiteindelijk overwon zijn wil tot overleven. Hij besloot weer helemaal opnieuw te beginnen. Hij liep alle boeren af om werk te krijgen, maar de tijden waren veranderd. Er waren veel mensen van uit het Oosten gekomen, en hij was ook niet de jongste meer. Op dat moment herinnerde hij zich zijn jeugddroom, om de wereld te zien. Hij verkocht al het weinige dat hij nog bezitte dat hij niet nodig zou hebben op zijn reizen en kocht van het geld een nieuwe uitrusting. Er was nog een beetje over, wat hij besteedde aan een laatste nacht in het vertrouwde Nivelia, het dorp dat hij altijd had gekend als 'de grote stad'. Hij nam afscheid van zijn jeugdvrienden, voor zo ver zij nog leefden. Aerandir zuchtte. Hij had ze nu alle vijf gehad. Morgen zou hij vertrekken, alles achter zich laten, en beginnen aan de reis.
Een wandelaar groet Aerandir door tegen zijn pet te tikken, maar verder is het rustig in de straten van Nivelia.
Aerandir pakte in de herberg zijn spullen in, zijn kleien pijp, zijn nog lege dagboek en het eten dat hij die dag had gekocht. Een brood pakt hij in, en kaas, en een fles alcoholvrije wijn voor speciale gelegenheden. Ook had hij nog wat gedroogd vlees van een vriend gekregen, en een handjevol noten. Al met al had hij toch meer dan hij eerst verwachtte, en weer kreeg hij het gevoel van vrijheid dat hij als kind ook al had gehad. Aerandir begint zelfs een liedje te zingen bij het inpakken van zijn spullen. "De weg gaat verder, eindeloos, hm, hm hm hmm, hm, hm, hmmm, hm hm tot ver achter de horizon, hm hmm hm, hm mhm..." Hij controleert nog eens of hij alles heeft. Alles is er. Hij heeft nog wat tijd over voor de zon onder is, dus gaat Aerandir nog even naar de gelagkamer om wat te drinken. Net als hij de deur van zijn kamer uitstapt, bedenkt hij dat hij toch nog niet alles heeft. "Stommeling, je bent water vergeten! Wat wilde je je hele reis gaan drinken?"
Als Aerendir in de gelagkamer komt, is het rustig. Hoewel het etenstijd is, zijn er maar weinig gasten. De meeste Nivelianen lijken hun eten bij voorkeur thuis of tijdens het werk te eten.
De waard ziet Aerendir komen en vraagt: "Wat kan ik voor je doen?"

-----------------------