AOLARPG: De hoofdweg; Kyrdath - De Zeven Wouden

Deze weg leidt van de hoofdstad van het Rijk tot een van de grotere havensteden en doorsnijdt het Graafschap van de Zeven Wouden.

---------------------------
De ochtendnevel is langzaam aan het optrekken. Het is rustig op de weg, de meeste reizigers liggen nog diep onder de dekens.
De vogels zijn al wel wakker en kwetteren alsof het een lieve lust is.
Aan de kant van de weg ritselt wat onder de dorre bladeren en een nies weerklinkt.
Het eerste wat tevoorschijn komt is een narrenmuts, vervolgens zwart haar en een bleek gezicht.
Dan volgt nog meer felgekleurde kleding.
De nar, want dat is wel duidelijk, kijkt enigszins gedesoriënteerd om zich heen. Als ze zich uit wil rekken, merkt ze dat haar handen stevig vastgebonden zijn aan een boom.
Wat ze ook doet, ze krijgt ze niet los. Ondertussen zijn verschillende dieren nieuwsgierig een kijkje komen nemen.

---------------------------
Een enkele mijl verderop loopt de eerste eenzame reiziger. Haar lichtblonde haren dansen op het zachte ochtendbriesje en haar felblauwe ogen lijken alles te zien wat er om haar heen gebeurd.
Het duurt niet lang of ze komt in het zicht van de nar.

---------------------------
Niet ver achter de blondharige loopt Keyra. Zoals gebruikelijk als ze in de wildernis overnacht, is ze vroeg alweer op weg gegaan.
Keyra's grijsgroene ogen staan dof. Het is alweer te lang geleden dat ze voor het laatst in beschaafde streken is geweest; hoeveel dagen geleden was het nu dat ze het dorpje Kalamosk had verlaten? Ah! Kalamosk. Eén van haar meest geslaagde projecten. De inwoners hadden haar niet graag zien vertrekken, maar ze had ervoor gezorgd dat ze nu ook zonder haar door konden gaan met de Heilige taak. Maar goed, dat moet nu al minstens een week geleden zijn. En in die week had ze alleen maar reizigers getroffen met haast en een enkele herberg. Nergens tekenen van een uitgebreidere nederzetting.
Nu ziet Keyra ineens de blonde vrouw in de verte. Ze versnelt haar tred iets, hopend de andere vrouw in te halen. Enig gezelschap zou welkom zijn.

Met een bonzend hoofd probeert ze te herinneren wat er de afgelopen uren is gebeurd. Ze was onderweg, toen plots daar die rovers voor haar verschenen, zomaar uit het niets. Veel wist ze er niet meer van, alles scheen in een waas te zijn gebeurd. Wel wist ze zich nog wat kleine details te herinneren. Ze had het droge bloed op hun kleren geroken, de verse wonden op hun lichamen gezien en de ruwheid van hun ledematen gevoeld. Veel had ze niet tegen de struikrovers kunnen doen. Één vrouw tegen 5 woeste, stevige, op geld en lust bedachtte kerels maakte geen schijn van kans. En al helemaal niet als die ene vrouw zo iel en onervaren is, zoals Rana. Ze had nog geprobeerd een van de mannen aan te vallen door haar nagels in hem te zetten. Maar die actie werd grondig gewroken door de rovers. Met al hun kracht scheurden ze de kleren van haarlichaam, waar nodig. Een van de mannen sloeg met een hard metalen voorwerp op haar achterhoofd en veel meer wist ze zich niet meer te herinneren. Behalve de pijn, de enorme intense pijn waardoor alles in haar hele lichaam leek te branden.
En nu staat ze hier, gebonden aan deze boom. Met al haar kracht probeert ze haar handen los te wringen, maar de touwen om haar polsen lijken alleen maar strakker te gaan zitten. Haar kleren zitten haveloos om haar lichaam heen, gescheurd, besmeerd met modder en veel van de belletjes aan haar narrenkostuum zijn verloren gegaan.
Verslagen zoekt ze naar een manier om los te komen, maar erg ver komt ze niet. Haar handen zitten te strak vast om ook maar iets in beweging te kunnen brengen. Als ze nou bij haar rode knapzak zou kunnen, zou ze haar kleine dolk kunnen pakken. Maar haar knapzak lag te ver weg en naar alle waarschijn hadden de rovers de dolk meegenomen. Haar enige redding zou iemand moeten zijn die langs deze weg loopt, maar erg veel hoop daarop heeft ze niet, veel reizigers heeft ze tot dusver niet op deze weg gezien.

Na enkele minuten echter, ziet de nar twee reizigers lopen. De voorste, blonde vrouw, wordt van achteren ingehaald door een donkerharige.
De eerste lijkt dat niet in de gaten te hebben, maar ondertussen komen ze steeds dichterbij de gevangen nar.

De blonde vrouw kijkt plotseling op als ze voetschappen achter zich hoort.
De donkerharige heeft haar nu bijna ingehaald en even later staan ze oog in oog.
De felblauwe ogen van de vrouw nemen nu de nieuwkomer nieuwsgierig op.
"Goedemorgen, ik had niet verwacht zo vroeg al andere reizigers aan te treffen..."
"Goede dag, vrouwe," zegt Keyra, terwijl ze de blonde deerne observeert, "Moge de Vrede van de Godin op u en de uwen rusten." Keyra kijkt goed naar de reactie van de vrouw, zodat ze weet of ze met een gelovige praat. Haar groene ogen, geaccentueerd door kleine wallen staren indringend.
"Mijn pad kent geen tijd," voegt ze aan haar standaardbegroeting toe.
De blondharige glimlacht enigszins afwezig.
"Een priesteres? Wat leuk... "
Langzaam begint ze weer te lopen.
"Loopt u een stukje met mij op? Gezelschap tijdens het wandelen is altijd prettig. Ik ben Ninquëwen," ze grijnst. "'Noem me maar Nynke."

Plots was haar oog gevallen op de twee reizigers die haar kant op kwamen. Dit was haar kans!
"Help me!" Schreeuwt ze door het bos heen. "Help me! Ik zit hier vast!" Ze ziet de twee mensen haar kant op kijken maar het lijkt alsof ze haar niet zien. Nog harder schreeuwt ze wat: "Hier! Help me dan!" Wanhopig probeert ze haar armen los te rukken, een poging die haar alleen nog maar ergere striemen rond haar polsen opleverd. "Help me dan!"

Keyra is teleurgesteld in de houding van de blonde vrouw; ze is geen gelovige, maar toont ook geen enkele interesse. Het zal nog een hele tour worden om haar de Vrede van de Godin te doen inzien.
"Ik ben Keyra," zegt ze tegen Nynke, "en ik kan je heel veel moois leren..."

Voordat ze door kan gaan hoort ze plotseling geschreeuw uit het struikgewas. Nu ze beter kijkt ziet ze tussen al het groen de afwijkende kleuren van… van een zottenkap. Daaronder bijbehorende, maar gescheurde, narrenkledij. Keyra's gemoed klaart op, want een nar, dat betekent dat er beschaafdere streken in het verschiet liggen. Streken waar weer mensen, en misschien wel veel mensen, wonen - allemaal mensen die de Vrede van de Godin moeten leren kennen.
"Nynke, daar in de struiken!" wijst ze de blonde vrouw, en ze loopt op de nar toe. Dan ziet ze dat deze is vastgebonden. Ze haalt haar mes tevoorschijn, maar aarzelt. "Beste nar. Wat heb je de Godin gedaan om deze behandeling te verdienen?"
Nynke rolt met haar ogen en trekt haar eigen dolk uit de schede. Met vlugge halen snijdt ze het touw door en kijkt dat bezorgd naar de nar.
"Gaat het met je?"
"Het gaat wel goed. Voor zover het goed kan gaan met iemand die net, met dank aan wat uiterst vriendelijke rovers, uren aan een boom vastgebonden heeft gezeten." Ze hoopt dat de satirische toon waarop ze het uitspreekt niet te veel doet vermoeden. Deze vreemdelingen hoeven niet te weten wat die rovers haar aangedaan hebben.
Met pijnlijke trekken op haar gezicht wrijft ze over haar polsen heen. De striemen die het touw er in achter had gelaten zouden de komende dagen nog wel te zien blijven. Zo goed als mogelijk trekte ze haar kleren recht. Ze waren behoorlijk beschadigd, ziet ze nu, gelukkig had ze nog een andere kleding in haar knapzak zitten.
"Rana is trouwens mijn naam. En zouden jullie misschien zo vriendelijk willen zijn die van jullie te vertellen?" Met een schuin hoofd en kleine sprankelingen in haar ogen kijkt ze haar twee redders aan.
"Ik ben Keyra, priesteres van de Tempel van de Godin en ik kom Haar Vrede brengen," spreekt Keyra. Ze voelt dat de nar niet het volledige verhaal verteld heeft en voegt daar timide aan toe: "Ik kan u ook geestelijke bijstand verlenen."
"Bespaar uzelf de moeite. Aan Geestelijke Bijstand zal ik bar weinig hebben. Het enige wat ik op dit moment nodig heb is een goed maal." De vele uren zonder eten hadden haar maag behoorlijk aangetast.
Tijdens het praten met de Priesteres valt Rana's oog op haar eigen rode knapzak, ze weet dat het onbeleefd is, maar toch moét ze het weten. Vliegensvlug gritst ze haar knapzak van de grond af en begint er meteen in te pluizen. Het is zoals ze verwacht had, haar zuurverdiende geld is gestolen. Luidkeels vloekt ze even. De barbaren! Vrijwel meteen hoort ze de vrouw die zich net als Keyra heeft voorgesteld een of ander schietgebedje prevelen.
"Ze hebben mijn geld genomen! Mijn zuurverdiende, opgespaarde geld!" Zo hard als ze kan schopt ze tegen een klomp mos aan. Even staart ze hulpeloos voor zich uit, een tijd die eeuwig lijkt te duren. De hulpeloosheid stijgt haar naar haar hoofd. Maar dan herinnert ze zich wat het dienstmeisje haar had verteld voor ze vertrok. "Pas op voor zakkenrollers en rovers in de grote stad, mevrouw Rana. Ik denk dat het verstandig is om een speciaal compartiment in uw kleding te laten naaien, waar u dan wat extra geld in kunt stoppen." Rana haad de vrouw maar wat geld toegestopt en had haar opgedragen maar te doen wat haar het beste leek. Hierna had ze er nooit meer aan gedacht en was er nooit meer over gesproken, maar nu koestert ze stille hoop dat de vrouw toch haar plannetje in werking had gezet. Ze besluit later eens te gaan kijken hoe slim de vrouw is geweest.

Zonder er erg in te hebben was ze, met haar gepeinz over de verloren goudstukken, haar redders bijna vergeten. De Priesteres had zich nu wel voorgesteld, met propoganda voor de Godin en al, maar de vrouw die haar boeien had doorgesneden had er als een stille mus naast gestaan. Vriendelijk keek ze de vrouw aan terwijl ze op spottende toon zegt: "Oké, ik weet nu dat ik gered ben door 'de vrede van de heilige godin', maar wat is uw naam?"
"Ik ben Nynke en met de 'vrede van de Godin' heb ik niets te maken; ik kwam deze priesteres toevallig tegen."
Ze glimlacht en haalt dan een homp brood uit haar tas die ze de nar aanbiedt.
Gulzig neemt Rana het aangeboden brood aan en begint meteen te eten. Na uren niets gegeten te hebben smaakt zelfs dit ietwat droge brood haar goed. Na genoeg happen genomen te hebben om haar ergste honger een beetje te stillen buigt ze zich naar Nynke toe en fluistert zacht met een knipoog erbij: "Dan raad ik je aan de volgende keer iets minder idiotere figuren tegen te komen."
Na wat gegrinnik haalt ze haar schouders op kijkt om zich heen. Haar richtingsgevoel lijkt haar weer eens in de steek gelaten te hebben. Ze heeft geen idee waar ze precies is. Voor de overval had ze gedacht de goede kant op te lopen, maar door de klap op haar hoofd was haar oriëntatievermogen nog verder achteruit gegaan. Om de twee vrouwen niet meteen te vertellen hoe verdwaald ze eigenlijk was vraagt ze maar waar zij eigenlijk heen gaan. Misschien weten zij de weg wel, denkt ze terwijl ze met haar handen met een van de belletjes van haar narrenmuts speelt.
"Ik was van plan richting de stad te gaan. Maar hoe zit het met jullie? Ik neem aan dat jullie niet zonder bestemming door dit bos dwaalden?"
Nynke grinnikt zachtjes.
"Ik ben op weg naar het kasteel van de Zeven Wouden, althans, dat is een van de haltes op mijn reis."
"Ik ben wel zwervende, om iedereen de Vrede van de Godin te kunnen brengen," antwoordt Keyra in ernstige oprechtheid, "maar ik begrijp nu dat er een kasteel hier in de buurt ligt - en zelfs een stad?" Keyra's ogen lichten op. Zoveel zieltjes te winnen... Haar zusters zullen trots op haar zijn. Vergeleken hierbij zou haar succes in Kalamosk nog wel kunnen verbleken!
"Maar goed, terwijl we weer even bij zinnen komen, wil ik jullie met plezier vertellen over de Zegeningen van de Godin!" verkondigt Keyra, terwijl ze de Heilige Schrift van de Godin uit de zadeltassen van haar trouwe ezeltje haalt. Met volle overtuigingskracht vertelt ze een kwartier lang over de Schepping van de Wereld door de Godin en Haar overwinningen op het Kwade.
Nynke zucht en werpt een wanhopige blik op de nar.
Even lijkt ze te aarzelen om iets te zeggen, dan doet ze toch haar mond open.
"Zullen we maar op weg gaan? Ik wil het kasteel vandaag nog bereiken."
Teleurgesteld in de houding van Nynke zegt Keyra: "Vooruit, het is nog een lange weg. Maar de Godin zal ons gelukkig vergezellen!"
"Zoals ook haar idiote volgelinge ons tot onze grote heugenis zal vergezellen," vult Rana vol overgave Keyra aan terwijl ze er een overdreven groot gebaar bij maakt. "Laten wij ons nu op dit pad begeven in de hoop dat de liefde van de heilige godin ons bij zal staan." Terwijl ze nog wat sarcastische opmerkingen over Keyra's godsdienst maakt richting Nynke draait ze zich om en loopt dollend rond om haar spullen bij elkaar te pakken. Ze had wel lang genoeg stil gezeten. Het werd hoog tijd voor wat vermaak.
"Dat Kasteel klinkt wel goed. Laten we hopen op een stad waar veel vraag is naar vermaak ende vertier!" zegt ze terwijl ze haar zwarte haar weer in haar narrenmuts stopt en de knapzak over haar schouder gooit. "
Nynke pakt ook haar spullen weer bij elkaar en even later zijn de drie op weg. De ochtend is ondertussen verder gevorderd en er zijn al meerdere reizigers te zien.
Het duurt niet lang voor de eerste toren van een kasteel zichtbaar wordt.
Nynke lacht opgelucht.
"Kijk daar, dat moet het kasteel zijn. Met een kwartiertje kunnen we er zijn!"
Enkele tientallen meters verderop staat een wegwijzer met twee pijlen. De eerste wijst naar het kasteel en geeft 0.75 mijl aan. De tweede wijst iets langs het kasteel, daarop is 'Markt; 2.5 mijl' te lezen.
Keyra staat een moment in twijfel bij de wegwijzer. "Mijn hart geeft me in dat ik de grootste successen kan behalen in het stadje verderop, maar de Godin moet bepaald hebben dat ik eerst het kasteel bezoek. Dat voel ik in mijn hoofd. Zullen we die weg maar gaan?"
"Ik denk dat er op de markt meer werk voor mij zal zijn, hoewel werken voor een kasteelheer natuurlijk ook niet slecht is." Even worden haar gedachten terug getrokken naar haar vorige baan, naar de norse oude man, die nog geen klein geintje verdragen kon. "Maar die zijn meestal zo saaï!" voegt ze er snel aan toe.
"Ik zou graag als eerste mij ergens om willen kleden en iets doen aan mijn voorkomen. Deze verscheurde kleding is natuurlijk geen vertoning."
"Zullen we dan maar eerst het kasteel bezoeken? Wie dan verder wil, kan verder." Nynke kijkt de andere twee vragend aan.
"Zo moet het zijn," antwoordt Keyra.
"Op naar het kasteel dan maar!"
Met vlugge tred loopt Nynke naar het kasteel.
"Kom op!"
--------------------------- (Het kasteel van de Zeven Wouden)
--------------------------- (Het kasteel van de Zeven Wouden)
--------------------------- (Het kasteel van de Zeven Wouden)

En zo is de weg weer verlaten en wacht op de volgende reiziger.
--------------------------- (Het kasteel van de Zeven Wouden)
--------------------------- (Het kasteel van de Zeven Wouden)
--------------------------- (Het kasteel van de Zeven Wouden)
--------------------------- (Het kasteel van de Zeven Wouden)
--------------------------- (Het kasteel van de Zeven Wouden)
--------------------------- (Het kasteel van de Zeven Wouden)
--------------------------- (Het kasteel van de Zeven Wouden)
--------------------------- (Het kasteel van de Zeven Wouden)
Een grote groep mensen zet zich vanaf het kasteel in beweging. Landarbeiders blijven nieuwsgierig staan kijken als de reizigers, gehuld in verschillende kleuren en vergezeld door een kleine erewacht van de Zeven Wouden, langskomt.
Veel van de reizigers zien dit echter niet, zo zeer zijn ze verzonken in hun eigen gedachten.
Gyonval houdt zich een beetje apart van de rest van de groep; soms rijdt hij zelfs een stuk voor of achter ze. Hij weet dat het eigenlijk veiliger is om bij de groep te blijven, maar hij voelt af en toe de behoefte om alleen te zijn. Hij geniet van het prachtige landschap, en omdat het tempo van de groep laag ligt, heeft hij soms de mogelijkheid zijweggetjes in te slaan en wat meer van het gebied te verkennen.
Nerin rijdt met Graaf Jaric een eindje achter de groep; ze praten druk en hebben daardoor weinig oog voor de omgeving. Arutha heeft Céline naar het voorste gedeelte van de stoet geleid en wijst haar de omgeving.
De avond valt al vrij snel, maar omdat Kyrdath nog maar enkele mijlen verder is, besluit men door te rijden.
Tijdens de reis praat Rodan een beetje met Morin, maar na verloop van tijd reizen ze zwijgend verder. Rodan is blij voor Céline en Arutha, maar kan toch het gevoel niet negeren dat hij nu een vriend minder heeft. Als Arutha eenmaal getrouwd zal zijn, zal er weinig van zijn goede vriend Roderick overblijven.
Céline luistert aandachtig naar Arutha's verhalen over het gebied, hoewel haar gedachten vaak afdwalen. Tijdens het rijden begint ze wat kalmer te worden, haar verloofde is erg charmant en ze begint haar lot enigszins te aanvaarden. Toch krimpt haar maag samen wanneer ze hoort dat het nog slechts een paar mijlen is tot Kyrdath.
Ik moet nog met mijn vader praten! schiet door haar hoofd, maar ze weet dat het niet lang genoeg rijden meer is om het gesprek te kunnen voeren dat ze wil hebben. Ze besluit om het uit te stellen tot ze in Kyrdath zijn.
Na een lange, vermoeiende reis, komt een pittoreske stad in zicht... Kyrdath! Het is al laat in de avond en de reizigers zijn moe van de lange reis die ze gemaakt hebben. Daar is de stad waar Arutha en Céline zullen trouwen, binnenkort vinden daar de feestelijkheden plaats, die, zoals te verwachtten valt voor een bruiloft van dit formaat, ongetwijfeld groots zullen zijn....
Céline had in de laatste mijl voor de stad al gemerkt dat ze in de buurt kwamen. Boerderijen die eerst schaars verspreid waren, staan nu dicht op elkaar en ook het verkeer op de weg wordt meer voorkomender. Kinderen en ook volwassenen stoppen met hun laatste avondwerk om de stoet te bekijken en er is een toestroom van nobelen en vermakers voor op de festiviteiten.
De overgang van platteland naar de stad is niet direct duidelijk. De huizen staan niet dicht op elkaar, waardoor Céline niet het gevoel heeft dat het een drukke stad is. Toch is er ook op dit late tijdstip nog veel activiteit te vinden, vooral de herbergen zijn een drukte van belang.
Alle indrukken zijn een beetje te veel van het goede en Céline ziet er eigenlijk naar uit om in het Kasteel aan te komen. Ze hoopt dat een audiëntie met de koning en koningin tot morgen uitgesteld kan worden, want hetgene dat ze nu het liefste wil is eigenlijk een zacht bed om in te slapen.
Als ze Kyrdath naderen, zorgt Gyonval ervoor dat hij bij Céline in de buurt komt te rijden, zodat hij straks haar paard kan overnemen voordat één van de stalknechten van het koninklijke paleis dit doet. Céline heeft tenslotte gevraagd of hij voor haar paard wil zorgen. Het valt hem op dat het meisje er gespannen uit ziet, en hij wil haar graag vragen of het wel goed met haar gaat, maar hij durft niet. En bovendien, zo zegt hij tegen zichzelf, zijn er vast mensen genoeg bij wie ze haar hart kan uitstorten en heeft ze hem daar niet voor nodig.
Elanor heeft tijdens de reis niet gesproken, en ook nu kijkt ze nog steeds zwijgend om zich heen. Ze zou niet eens weten waar ze het over zou moeten hebben.
Als de stad in zicht komt, weet ze niet of ze zich opgelucht of teleurgesteld moet voelen en laat het maar voor wat het is. Met gemengde gevoelens rijdt ze met de stoet mee.
--------------------------- (Kyrdath)
--------------------------- (Kyrdath)
--------------------------- (Kyrdath)
--------------------------- (Kyrdath)
--------------------------- (Kyrdath)
--------------------------- (Kyrdath)
--------------------------- (Kyrdath)
--------------------------- (Kyrdath)


--------------------------- (Kyrdath)
--------------------------- (Kyrdath)
Zeldimee kijkt nog één keer om naar de stad achter hen en haast zich dan om Lineal en Amber in te halen die al vooruit gelopen zijn de zonnige weg op.
Zwijgend lopen ze naast elkaar, ieder genietend van de rust en de warme zon. Op de velden om hen heen werken de boeren met hun paarden en ploegen, op de weg passeren ze zo nu en dan wat reizigers op weg naar de stad en wat spelend kinderen maar na een tijdje wordt het rustig en zijn ze vrijwel de enigen op de weg.
Zeldimee kijkt naar Lineal die dromerig naar de velden kijkt. Ze lijkt mijlen verweg en Zeldimee herinnert zich plotseling haar vreemde huilbui in de stad. Ze heeft daar nog niet veel over verteld, maar misschien wil ze dat niet en hij wil niet nieuwsgierig lijken. Maar hij is het wel. "Lineal, hoe lang ben je al heelvrouwe?" vraagt hij om zo toch wat toe te geven aan zijn nieuwsgierigheid.
Lineal schrikt op als ze Zeldimee's stem hoort. "Ik eh…" Ze denkt na. Goede vraag van Zeldimee, ze weet het zelf niet eens. "…heb geen idee."
Zeldimee kijkt haar raar aan, maar laat het onderwerp rusten. Ze kijkt om zich heen. Wat is het hier toch heerlijk rustig. Was dat altijd maar zo. Maar helaas, dat is niet zo. Ze zucht. Een vraag schiet haar te binnen. "Hoelang ben jij eigenlijk al kaartschrijver?" vraagt ze aan Zeldimee.
Zeldimee schiet in de lach en schud zijn hoofd. "Jij bent een mooie! ík vroeg het eerst aan jou!" Hij rekt zich uit en kijkt naar de lucht. "Denk nog eens goed na. Als jij wat vertelt over jezelf, vertel ik jou hoe lang ik al kaartenmaker ben!"
Ze aarzelt even, maar begint toch. "Toen mij moeder stierf, was ik vijf. Mijn vader heeft me gedumpt bij een genezeres. Die heeft mij het vak geleerd. Ik wilde van haar weg en ben op reis gegaan. Vanaf dat ik vijftien ben, ben ik dus heleres. Maar nou moet jij vertellen!" Ze kijkt hem doordringend aan en wacht af.
"Goed goed, rustig maar!" lacht Zeldimee en houd plagend zijn handen voor zijn gezicht om zo zich zo tegen haar indringende blik te beschermen. "Toen ik een jaar of acht was werd ik we...vertrok ik uit het klooster waar ik grootgebracht ben. Ik mocht naar de universiteit van Kyrdath, de enige in het land! Je kunt je misschien voorstellen hoe blij ik was. Weg uit dat klooster en naar de grootste stad van het land!" Zeldimee staart naar de horizon en een dromerige glimlach deed zijn gezicht stralen. "Ik werd uiteindelijk leerjongen bij de kaartenmaker en toen ik het vak beheerste kon ik eindelijk reizen zover ik maar wilde. Je kunt je misschien niet voorstellen hoe weinig goede kaarten er te krijgen zijn van veel landen! Dus er is werk zat te doen!"
"Aha." Ze pakt zijn handen, zodat hij weer naar haar moet kijken. "Genezers zijn ook maar zeldzaam. En er zijn zoveel gevechten de laatste tijd." Ze zucht even. "Maar het is lekker rustig hier hè!"
Zeldimee knikt.
"Zeldimee," zegt Lineal dan opeens. "Twijfel jij wel eens over het leven?"
Wanneer hij de serieuze klank in haar stem hoort schrikt Zeldimee. "Hoe bedoel je twijfelen? Waaraan twijfel je in het leven?" Een beetje van zijn stuk gebracht kijkt hij haar aan.
Lineal schrikt op haar beurt weer van Zeldimee's gezicht. "Ik eh… Ik weet niet. Soms twijfel ik, of het wel zin heeft om te leven. Niemand geeft om mij. En al die gevechten, de oneerlijk in de wereld." Met lege ogen staart ze voor zich uit.
"Ieder leven heeft zin! Waag het niet om dat in twijfel te trekken!" Zeldimee schrikt van zijn eigen heftige reactie en probeert om alle gedachten en beelden die in hem opborrelen uit alle macht weg te duwen.
Als hij haar geschokte gezicht ziet, slaat hij zijn arm om haar heen en zegt zachter. "Ik geef om je, dat heb ik je al eens gezegd en dat meende ik. Ik geef om je en Amber geeft om je...nou ja..." Hij trekt een grimas als hij naar het meisje kijkt dat meer interesse lijkt te hebben voor een steen op de weg dan voor de twee mensen naast haar. "Ehh, nou...ja! Ze lachte naar je toen je in Kyrdath zo verdrietig was, weet je nog? Wij geven om je, Lineal. En als iemands leven zin heeft dan is dat jouw leven wel, het leven van een heelvrouwe! Jij beschermt het leven, hoe kun je dan twijfelen?"
In stilte lopen ze verder en Zeldimee voelt hoe krampachtig Lineal zijn hand vasthoud. Hoe kan hij haar overtuigen?
"Ik denk dat het goed is dat je even weg bent van al die gevechten waar je over spreekt. Voor zover ik weet is er in dit land geen oorlog. Een tijdje rust zal je goed doen, denk ik!"
Haar hand ontspant iets maar haar gezicht blijft bleek en vertrokken. In een poging het gesprek iets op te vrolijken grapt Zeldimee "Nu we allebei iets over onszelf verteld hebben is het de beurt aan Amber om iets te vertellen over haar zelf!"
Amber werpt een blik op Zeldimee, rolt komisch met haar ogen en steekt dan haar tong uit.
"Nou, dan niet!" Ook Zeldimee steekt zijn tong uit maar schopt toch wat gefrustreerd tegen een steentje op de weg. Dan wendt hij zich weer tot Lineal, knijpt even in haar hand en zegt zacht "Vertel me eens wat je mooiste herinnering is, dan vergeet je al die sombere dingen wellicht een tijdje."
Ze denkt hard na. Zeldimee kijkt haar vragend aan. "Ik eh…" stamelt ze. De tekening! flitst het door haar heen. "Ik was bijna vijf en mijn moeder wilde zo graag een tekening van ons beiden. We gingen naar de sneltekenaar. Maar ik wilde niet. Ik duwde en trok, maar van mijn moeder móest ik. Uiteindelijk stond ik boos op de tekening." Ze haalt een gerafelde tekening uit haar zak. Op de tekening staat een jonge vrouw en een klein meisje. "Dat ben ik."
Zeldimee neemt de tekening van Lineal aan en bekijkt het kwaad kijkende meisje erop met een rimpel in zijn voorhoofd. "Euhh...dít is je móóiste herinnering?" Zeldimee kijkt haar vragend aan. "Dit is het leukste wat je je kunt herinneren? Leg eens uit, want je kijkt nog kwaaier dan Amber!"
Ze kijkt even naar Amber die verveeld tegen een steen staat te schoppen, daarna kijkt ze weer naar Zeldimee. "Omdat dit het enige is wat ik van mijn moeder heb," zegt ze zacht.
"Het spijt me" Zeldimee geeft de tekening aan haar terug. "Ik wilde je niet...wil je er over praten?"
De tranen staan in Lineals ogen. Ze knippert hard om ze weg te krijgen. "Nee eh, liever niet," zegt ze snel. Ze slaat haar ogen neer. "Laten we maar verder lopen."
Zeldimee kan zichzelf wel slaan! Hoe krijgt hij het toch weer voor elkaar om met zijn poging haar op te vrolijken Lineal aan het huilen te maken?!
Zwijgend lopen ze door en in een allerlaatste poging de schade weer een beetje goed te maken zegt hij zacht "Ik kan me heel goed voorstellen hoe je je voelt, Lineal. Maar je bent haar niet kwijt, ze is nog steeds bij je, geloof me. En ik ben er, en Amber, dus je bent niet alleen."
"Maar ik zal nooit meer haar armen om me heen voelen, ik zal haar stem nooit meer horen, ik zal haar nooit meer zien. En het enige wat ik van haar heb is een tekening. Ik heb haar nog zoveel te vertellen! Ze zou blij zijn als ze hoorde dat ik nu twee echte vrienden heb, maar dat hoort ze toch nooit." Haar stem trilt. "Maar ik hou van haar. Altijd." Ze zucht. "Zeldimee, vertel maar wat over jezelf. Méér over jezelf. Over je familie, je leven, je bestaan en je doel."

De avond valt, het lijkt er op dat de drie de Zeven Wouden niet meer voor de nacht zullen bereiken.
Wanneer de zon achter de boomtoppen verdwijnt, zoeken Lineal en Zeldimee een plaats om de nacht door te brengen. Een strookje bos, een eindje van het pad lijkt de beste plek, want in geen velden of wegen is een huis of een schuur te bekennen. Terwijl Zeldimee een vuurtje stookt rommelt Lineal wat in haar tas en spreidt ze haar mantel uit op de grond voor Amber om op te zitten.
"Ik geloof dat je moeder je wel degelijk hoort, " zegt Zeldimee plotseling, terwijl hij nog wat hout op het vuur gooit. "Ze weet dat je van haar houd en ze houdt ook van jou. Voel je haar armen nooit om je heen, wanneer je net wakker wordt? Merk je nooit dat ze bij je is wanneer de wind langs je gezicht strijkt?"
"Jawel, ik hoor haar soms fluisteren in mijn oor. Maar toch, toch is ze niet helemaal bij me." Ze deelt wat eten uit. "Ik droom vaak over haar. Vooral over de laatste keer... Maar ik heb teveel gezegd. Jij MOET nu iets over jezelf vertellen. Ik ben niet interessant."
Zeldimee trekt één wenkbrauw op. "Ben je wel!" glimlacht hij. "En ik moet? Ik zou niet graag je patiënt zijn, Lineal! Ik hoor je al rondcommanderend: je MOET in je bed blijven! DRINK dit op, geen gemaar!" Grinnikend kijkt hij haar aan en ziet gelukkig een flauwe glimlach op haar gezicht verschijnen.
"Zo en wat wilde je weten? Mijn leven is zo verteld hoor! Ik ben opgevoed in een klooster, mijn ouders ken ik niet, ik heb mijn leven lang geleerd om de wereld te kunnen zien en dat doe ik nu."
"Ik geloof er niks van!" Ze gaapt. "Maar ik ga slapen. En morgen, dan vertelt Amber is iets over zichzelf." Ze kruipt in haar slaapzak en valt in een diepe slaap.
"Toch klopt het wel..." mompelt Zeldimee terwijl hij controleert of Amber goed ingepakt is in een mantel. "Alleen is het een beetje ingekort..."
Hij rolt zichzelf op in zijn mantel bij het vuur en valt ondanks de vermoeiende dag in een lichte onrustige slaap.
Het is niet echt stil in de omgeving. Zeldimee hoort overal gekraak en de lichte tred van roofdieren. Er is echter niets te zien.
Amber zit een eindje van Zeldimee en Lineal verwijdert. Ze zit rechtop en haar ogen zijn open gespert. Toch lijkt ze niet wakker te zijn. Ze reageert althans nergens op.
Lineal schrikt van een raar geluid. Ze kijkt rond en ziet Amber. Haar ogen zijn wijd opengesperd. Lineal loopt snel naar Amber toe en pakt haar vast. 'Amber! Wat is er?' Ze schudt zachtjes, maar Amber zegt niets. Amber kijkt naar haar, maar lijkt haar niet te zien. Oh, alsjeblieft. Laat er niks ergs aan de hand zijn! Ze rent naar Zeldimee toe en maakt hem wakker. "Zeldimee, Zeldimee! Kom snel!" Zeldimee protesteert slaperig. "Het is Amber!" roept Lineal. Dat helpt wel. Zeldimee staat snel op en loopt naar Amber toe.
Door de korte nacht ervoor en het gebrek aan slaap van de huidige nacht lijkt het alsof er iemand met een moker aan de binnenkant van Zeldimee's hoofd aan het hameren is. Lineals hulpkreet snijdt er nog eens extra doorheen en het feit dat hij van schrik meteen overeind schiet en binnen twee tellen bij Amber staat werkt ook niet echt goed tegen de hoofdpijn.

Amber staart nog steeds nietsziend voor zich uit. Er lijkt verder niets mis met haar te zijn en Zeldimee pakt snel genoeg Lineals hand beet om te voorkomen dat ze Amber nogmaals wakker probeert te schudden. Dan legt hij zijn vinger tegen zijn lippen.
"Ssst! Ik denk niet dat we haar moeten laten schrikken!" fluistert hij. "Misschien is het een soort slaapwandelen wat ze doet. Veel kinderen doen dat. We weten ook nog steeds niet wat ze heeft meegemaakt, hoe ze bijvoorbeeld aan die snee in haar hoofd kwam toen we haar vonden. Misschien heeft ze een soort trauma ofzo, en doet ze daarom zo vreemd. We kunnen haar beter niet wakker maken, wie weet hoe ze reageert als we haar aan het schrikken maken."
Het vuur is bijna uitgegaan en de geluiden van de nacht komen steeds dichter en dichter om hen heen. Zeldimee gooit nog wat hout op het vuur, wat na enige moeite weer oplaait. Dan neemt hij zijn mantel, legt die voorzichtig om de schouders van het kind en gaat zelf dicht bij het vuur tegen een boom zitten. "Ik houd haar wel even in de gaten. Ze houdt dit vast niet de hele nacht vol." Zegt hij. "Ga maar slapen Lineal, je was erg moe vanavond. Ik maak je meteen wakker als er iets is. "
Amber reageert in het geheel niet op alle gedoe, maar blijft apathisch voor zich uit staren.

Enkele mijlen verder weerklinkt het gehuil van een wolf.
Aan de stand van de maan ziet Zeldimee dat er inmiddels al ongeveer twee uren verstreken zijn en Amber heeft zich in al die tijd nog niet verroerd. In het vage licht van het vuur kan hij niet eens zien of ze wel met haar ogen knippert, maar hij betwijfelt dat ten zeerste.
Er is iets heel vreemd aan de hand met dat kind, iedere keer dat Zeldimee naar haar kijkt besluipt hem het griezelige gevoel dat ze wel degelijk alles in zich opneemt, ja zelf alsof ze ieder woord wat gesproken wordt onthoud, ook al ziet ze er uit alsof het haar niet interesseert. Maar hij wil Lineal niet ongeruster maken dan ze al is, en misschien zich zelf ook wel niet, daarom zegt hij maar niets.
Ook het gehuil van de wolf in de verte maakt hem onrustig, en Zeldimee besluit dat hij maar beter wat meer hout kan gaan zoeken. Wie weet wat voor dieren zich allemaal in dit bos verstoppen. Het vuur kunnen ze maar beter goed brandende houden.
Met een laatste blik op de onbeweeglijke Amber en de slapende Lineal loopt Zeldimee met een fakkel een eindje het bos in. Hij zorgt er wel voor dat hij in de buurt van de twee bij het vuur blijft.
Het bos is donker, duister. Zo nu en dan hoort Zeldimee een zacht gekraak van een takje, of iets wat de ademhaling van een dier zou kunnen zijn, maar hij ziet niets.

Lineal bij het kampvuur draait wat en valt dan in slaap.
Ze kijkt om zich heen. Waar is ze? Het is donker, toch ziet ze om zich heen wat vage schimmen. Wat is dit? Waar ben ik? denkt ze. Een angstig gevoel bekruipt haar. Ik moet hier weg, maar hoe. Haar voetstappen galmen na in de lege ruimte. Ze kijkt over haar schouder. Twee rode ogen kijken haar gemeen aan. Ze voelt iets over haar rug kruipen. "Ga weg!" roept ze. Het begint met haar te vechten. Maar ze is te zwak. Kermend zakt ze in elkaar.
Ze schrikt wakker van het gehuil van een wolf. Zeldimee!

Helder maar angstig weerklinkt Lineals stem door het donkere bos. Zeldimee draait zich meteen om en houdt de fakkel hoog boven zijn hoofd in een poging wat meer te zien. Vanaf waar hij staat kan hij het vuurtje zien en de silhouetten van Lineal en Amber. Er lijkt niets aan de hand maar wanneer Lineal voor een tweede keer roept klemt hij de bos droge takken stevig vast en rent terug naar het vuur. "Lineal? Wat is er, is alles goed met je?"

Met net zulke grote ogen als Amber kijkt ze hem aan. "Ik had zo'n nare droom, ik voel me niet veilig hier, Zeldimee. Ik wil weg," snikt ze.
"Maar het is midden in de nacht!" zegt Zeldimee.
"Nou en!" is Lineals knorrige antwoord. "En toch wil ik weg." Ze hoort Zeldimee zuchten. Opeens hoort ze een krakend geluid. Ze ziet een schaduw achter Zeldimee. "Zeldimee, achter je!" roept ze angstig.
Als Zeldimee zich omdraait, ziet hij tot zijn opluchting dat het een doorbuigende tak is.
"Kalmeer eerst 's, rustig nou!" Zeldimee pakt Lineal bij haar schouders en dwingt haar om hem aan te kijken. "Zo, dat is al wat beter. Je had een hele nare droom en hij is nu voorbij, weg! Er is hier verder niets wat je kwaad kan doen. Die geluiden horen bij de nacht, geloof me, ik heb heel vaak de nacht onder de sterren doorgebracht, je bent niet in gevaar! Ik ben er toch? En zo lang het vuur goed brand blijven wilde dieren op een afstand. En ik houd de wacht, je kunt gerust gaan slapen."
"Oké, oké, ik ga al," zegt ze boos terwijl ze in haar slaapzak kruipt. Ze moppert nog even en begint dan eindelijk eens lekker te slapen.
Zeldimee laat zich met een vermoeide zucht naast het stapeltje brandhout tegen de boom bij het vuur zakken. met een blik op Amber, die nog steeds in dezelfde houding zit, gooit hij nog wat takken op het vuur en doet zijn best om niet in slaap te vallen.
De nacht kruipt erg langzaam voorbij. De minuten lijken wel uren te duren en er is geen enkel teken dat het binnenkort ochtend wordt.
Zeldimee staart naar de bundel dekens naast het vuur die zacht op en neer rijst door Lineal's ademhaling. Alleen haar zwarte haar is zichtbaar en een stukje van haar voorhoofd. Hij is blij dat ze rustig slaapt. Het is wel duidelijk dat de jonge vrouw vreselijke dingen heeft meegemaakt, wanneer men naar haar reacties op bepaalde zaken kijkt. Rust zal haar goed doen, denkt Zeldimee terwijl hij zelf vecht tegen de slaap.
Zijn hoofdpijn is niet gezakt, alleen erger geworden en hij zou er veel voor over hebben om nu ook te gaan liggen en morgen een gat in de dag te slapen. Maar Lineal heeft gelijk, er klinken wel degelijk geluiden die een mogelijk gevaar zouden kunnen vormen. Die wolven bijvoorbeeld. Het is wel niet het juiste seizoen om wolven te vrezen, maar je weet maar nooit.
In een poging wakker te blijven staat Zeldimee moeizaam op en loopt een rondje om het vuur. Even gaat hij voor Amber zitten, die met nietsziende ogen de nacht in staart. Ze zit doodstil en Zeldimee krijgt het er koud van. Dit gedrag alleen al is een reden om wakker te blijven...
Wanneer hij bij de boom terugkomt, stookt hij het vuur flink op en gaat weer zitten, zijn hoofd in zijn handen en zijn vermoeide ogen op het vuur gericht. Even sluit hij zijn ogen, even maar, maar opent ze dan met moeite weer. Maar het vuur straalt een heerlijke warmte uit en het is haast onmogelijk om niet weg te doezelen. Het duurt dan ook niet lang voordat Zeldimee's kin op zijn borst zakt en hij wegzinkt in een droomloze slaap...
Als Zeldimee in slaap is gevallen, draait Amber langzaam haar hoofd naar hem toe. Haar ogen volgen zijn schouders, die met iedere ademhaling op en neer gaan. Dan draait ze haar hoofd net zo langzaam richting Lineal en kijkt ook even naar haar ademhaling.
Uiteindelijk glimlacht ze licht en rolt zich dan in elkaar, om onmiddellijk in slaap te vallen.

Slapend grijpt Lineal naar iets. Ze beweegt haar arm over de grond heen en weer en pakt dan uiteindelijk niets en draait zich weer om.
Enkele uren later wordt het langzaam lichter in de lucht en komen de eerste zonnestralen boven de einder uit. Als Lineal en Zeldimee wakker worden, ligt Amber opgerold, diep in slaap.
Zeldimee knippert slaperig met zijn ogen, ziet dan het al lang gedoofde vuur en vervloekt zichzelf dat hij toch in slaap is gevallen. Pijnlijk stijf in al zijn spieren staat hij op en rekt zich moeizaam uit, zonder veel resultaat.
Wanneer hij Amber ziet slapen richt hij zijn ogen ten hemel, prevelt wat en doet een poging om de slaap uit zijn ogen te wrijven.
Omdat Lineal nog ligt te soezen besluit hij haar niet te storen en neemt een kijkje verderop in het bos, op zoek naar water en misschien wat eetbaars.
Even verderop is een klein stroompje, maar het water is troebel. Ook groeien er bessen aan de struiken rond het water.
Als Zeldimee wegloopt, word Lineal wakker. "Eindelijk, het is ochtend!"
Ze staat op en loopt Zeldimee achterna. "Lekker, water!" roept ze. Ze helpt opgewekt Zeldimee met bessen plukken.
"Goedemorgen! heb je goed geslapen?" Zeldimee tovert een slaperige glimlach tevoorschijn, terwijl hij een hand van het water door zijn warrige haar haalt. De bessen die hij geplukt heeft liggen op een bergje bij elkaar op een groot blad. "Ik ken alleen die paarse Bolbessen. Die zijn goed te eten, maar die andere ken ik niet. Jij? Anders lijkt het me niet zo verstandig ze op te eten."
Lineal wijst op een struik met grote, rode bessen eraan. "Die kun je ook eten."
Ze plukt er een handjevol van. Stil plukken ze allebei bessen, totdat Lineal de stilte verbreekt. "Zeldimee, ben jij wel eens bang voor iets?"
"Zeker wel," antwoordt Zeldimee terwijl hij tussen de struiken door hun overnachtingplaats probeert te ontdekken. Vaag ziet hij iets wits tussen de struiken dat Ambers jurkje zou kunnen zijn. Gerustgesteld dat ze nog steeds is op de plaats waar ze haar achterlieten draait hij zich terug naar Lineal.
"Iedereen is wel bang voor iets. Ik denk dat je altijd moet proberen je angsten onder ogen te zien, want het bang zijn zelf is vaak erger dan datgene waar je bang voor bent. Maar waarom vraag je dit?"
"Omdat ik me eigenlijk niet kan voorstellen dat zo iemand als jij bang bent. Ook al is iedereen wel eens bang."
Zeldimee schiet in de lach, waardoor de pasgeplukte bessen van zijn hand vallen en alle kanten op stuiteren. Grinnikend kijkt hij Lineal even aan terwijl hij ondertussen de vruchtjes bijelkaar probeert te rapen. "Wat heb ik gedaan om je die indruk te geven?"
De bessen die nog te redden zijn legt hij bij de verzameling die ze al hadden, zoekt dan naar een koordje om zijn hals en vist een lange glanzende amulet uit zijn hemd. Hij laat hem aan Lineal zien en zegt zacht "Hier ben ik bang voor Lineal. Het is de tand van een Zwarte Draak. Toen ik klein werd ik er door eentje aangevallen. De man die ik lange tijd als mijn vader beschouwde heeft van deze tand een Amulet gemaakt, zodat ik zou weten waar ik bang voor was en met die angst zou leren omgaan. Ik ben er daarna nooit meer een tegen gekomen, dus ik weet niet of het werkt. Ik wil er niet achter komen."
Zijn gezicht staat ernsig en in zijn ogen ligt een verdrietige blik wanneer hij verdergaat. "Ik ben voor veel dingen bang, Lineal. Niet voor spinnen, of hoogte, of het donker. Misschien líjk ik daarom in jouw ogen niet bang. Maar ik ben het wel degelijk. Ik vrees om mensen te verliezen die me dierbaar zijn, om mijn vrijheid te verliezen. Noem maar op."
Lineal is even stil. Wat moet dat vreselijk voor Zeldimee geweest zijn. Ze legt haar hand op zijn schouder. Zo staan ze een tijdje. Niemand weet iets te zeggen totdat Zeldimee zijn keel schraapt en met een warme glimlach Lineal aankijkt. "Nou, kom, het is al heel lang geleden hoor!" Een beetje onhandig geeft hij Lineals hand terug die ze op zijn schouder had gelegd en pakt het blad met bessen op. "Ik was toen acht zomers oud ofzo. Dus...ehh...het is lang geleden..." Zeldimee kleurt licht en kijkt snel de andere kant op. "Laten we maar naar Amber toegaan."
Lineal ziet dat Zeldimee bloost en trekt snel haar hand weg. "Laten we inderdaad maar naar Amber gaan." Ze loopt naar de nog slapende Amber toe. "Amber, wakker worden," zegt ze zachtjes.
Amber opent onmiddellijk haar ogen en lijkt meteen klaarwakker.
"Zo, jij bent snel wakker!" Zeldimee fronst zijn wenkbrauwen en schuift het blad met bessen naar Amber en Lineal toe. "Ontbijttijd, Dames. We kunnen beter vlug weer op pad gaan, misschien bereiken we dan vandaag nog het kasteel."
Terwijl Lineal en Amber eten raapt Zeldimee hun spullen bij elkaar en controleert of het vuur echt helemaal uit is. De omgeving is nog wel vochtig van de onweersbui twee nachten geleden maar hij wil geen bosbrand riskeren. De zon voelt nu al warm aan en het is nog maar vroeg op de dag.
Bij het stroompje water vult hij met een bedenkelijk gezicht hun waterzakken met het troebele water. Ze zullen het ermee moeten doen. Dan loopt hij terug naar Amber en Lineal om te zien of ze al klaar zijn.
Amber speelt verveeld met enkele bessen, maar lijkt niet van plan verder nog wat te eten.
"Kom, Amber," zegt Lineal en ze pakt Ambers hand. "Misschien zijn we vandaag nog op het kasteel! En daar is het vast leuker dan hier. Daar zul je je niet vervelen."
Zelidmee geeft Lineal haar tas, stopt de overgebleven bessen voorzichtig in zijn lege geldbuidel in zijn eigen tas en gaat Lineal en Amber voor door het bos naar de weg. De hemel is stralend blauw en weg ligt er warm en stoffig bij. Zeldimee draait zich om naar Lineal en Amber en glimlacht breed terwijl Lineal zich uit een braamstruik worstelt. "Laat me je helpen!" zegt hij terwijl hij zijn hand uitstrekt en die van Lineal grijpt.
"Dank je," zegt ze terwijl ze afkeurend naar een klein vlekje op haar jurk kijkt. Ze lopen weer verder. De warme zon schijnt in haar gezicht. Ze geniet ervan. Ze ziet dat Zeldimee de warme zon ook heerlijk vind. "Lekker weertje hè?" zegt ze. "Dat is wel beter dan dat vieze weer."
De zon schijnt inderdaad uitbundig en Zeldimee, Lineal en Amber schieten aardig op. Het duurt dan ook niet lang voor een wegwijzer aangeeft dat de Zeven Wouden nog maar enkele mijlen verwijderd is.
"We schieten al aardig op!" lacht Zeldimee en wijst Amber op de wegwijzer. "Ben je nog niet moe van het lopen, kleintje? Iemand trek?" Zeldimee kijkt ook Lineal aan bij het stellen van zijn laatste vraag. "Als je behoefte hebt aan pauze dan moet je het even zeggen hoor!"
"Nee, hoor," zegt Lineal. "Maar als Amber even wilt rusten, stoppen we wel." Ze kijkt samen met Zeldimee vragend Amber aan en wacht op haar reactie.
Amber haalt haar schouders op.
Lineal zucht en zegt: "Amber, toe nou. Werk nou even mee, wil je of niet?"
Amber kijkt Lineal aan, maar doet niets.
"Dan lijkt het me beter dat we doorlopen." Zeldimee grijnst inwendig als hij de gezichten van Lineal en Amber zo tegenover elkaar ziet, maar houd zijn gezicht strak. "Ik ga er van uit dat wanneer er iets is, je dat ons zegt, Amber." Zegt hij terwijl hij weer begint te lopen.
"Maar voor ons is het handig als je ons een beetje helpt door soms te zeggen hoe jij er over denkt. Wat je wilt eten, wanneer je moe bent, waar je naar toe wilt bijvoorbeeld. Is er nergens iemand die op je wacht? Thuis bijvoorbeeld? We brengen je er graag heen."
Niet wachtend op een reactie mompelt hij tegen niemand in het bijzonder "Ik kan me toch al niet voorstellen wat voor soort persoon een kind van acht alleen achterlaat."
"Ik ook niet. Waar zijn je ouders, Amber. Door wie ben je opgevoed?"
Amber begint de weg verder te huppelen, zonder van plan antwoord te geven.
Lineal kijkt Zeldimee aan. "Nou ja, laat dan maar hoor. Hé, volgens mij zijn we er!"
Inderdaad wordt aan de horizon het kasteel van de Zeven Wouden zichtbaar.
Opgewonden zegt Lineal tegen de twee: "We zijn er! We zijn er eindelijk!" Ze wacht op Zeldimee's reactie.
Zeldimee lacht haar toe wanneer hij haar zo enthousiast ziet. Het doet hem goed Lineal zo vrolijk te zien, want hij maakt zich best ongerust over haar reacties op sommige momenten. Maar nu haar gezicht zo straalt kan hij zich bijna niet voorstellen dat ze soms zo verdrietig kan zijn. "Rustig aan! Wacht op ons!" Grinnikt hij, terwijl hij naar de muren en torens van het kasteel voor hem kijkt. Het zou fijn zijn als ze even op adem zouden kunnen komen in het kasteel. Het is te hopen dat reizigers er kunnen blijven overnachten, want hoewel Lineal schijnbaar onvermoeibaar naar de poort toe huppelt, voelt Zeldimee zich doodmoe na twee halve nachten slaap en twee dagen lopen. Een nacht eens goed slapen zou geen overbodige luxe zijn, hoewel hij toch wel wat gewend is.
Wanneer hij met Amber bij de poort aangekomen is staat Lineal al ongeduldig te wachten. Zeldimee grijnst en klopt op de poort. "Hallo? Is daar iemand?"
Een wachter opent de poort en kijkt de bezoekers nieuwsgierig aan.
"Wat willen jullie?" vraagt hij niet onvriendelijk.
"Goedemiddag!" groet Zeldimee de wachter vriendelijk. "Mijn naam is Zeldimee van Nasfharen, Kartograaf, en dit zijn Heelvrouwe Lineal en Amber. Wij zijn op reis en hoopten hier onderdak voor de nacht te kunnen vinden."
En misschien werk en eten enzo, denkt hij er achteraan maar zwijgt beleefd. Hij wil hen niet al te opdringerig laten overkomen, maar de vragen branden op zijn lippen. Om zijn woorden dan maar te verduidelijken wijst hij naar Linal en Amber die naast hem staan en trekt Amber zachtjes maar dwingend naar zich toe omdat ze weer met hoog ongeïnteresseerde blik de andere kant uit staat te kijken. Zeldimee glimlacht verontschuldigend naar de wachter en kijkt hem verwachtingsvol aan. Hij hoopt maar dat de graaf zo vriendelijk is om reizigers in zijn kasteel op te vangen.
De wachter knikt.
"Kom verder."
Hij opent de poort helemaal en laat de drie binnen. Dan wijst hij richting het kasteel en glimlacht.
"De kokkin is in de keuken, ze heeft vast wel iets te eten voor jullie."
"Bedankt!" glundert Zeldimee, terwijl hij zich moet inhouden om niet naar de keuken te rennen. Hij voelt nu pas hoe leeg zijn maag werkelijk is. "Het is erg vriendelijk van de Graaf dat hij reizigers zo gastvrij onthaalt!"
Hij groet de wachter, lacht breed naar Lineal en buigt zich voorover naar Amber. "Kinkt goed hé! Een mooi kasteel, goed eten en misschien wel een lekker bed vanavond?!"
--------------------------- (Het kasteel van de Zeven Wouden)
--------------------------- (Het kasteel van de Zeven Wouden)

---------------------------
Opgewekt stapt Lana de stadspoort door. De reis kan beginnen, ze heeft er zin in.
Waarom ze als eerste bestemming de Zeven Wouden heeft gekozen, weet ze eigenlijk niet. Lana grinnikt even bij de herinnering aan haar eigen verbazing toen ze deze morgen de deur achter zich dichtsloeg en zich realiseerde dat ze nog niet eens wist waar ze heen zou gaan. Misschien had haar vader toch wel een beetje gelijk, toen hij haar bij haar vertrek uit Nobles zei dat ze beter moet nadenken voor ze wat doet. Ach wat, ze zal wel zien waar ze uitkomt. Verhalen worden immers overal verteld.
Fluitend volgt Lana de hoofdweg die haar langzaam wegvoert uit Kyrdath. De zon schijnt, de hemel is blauw, het is droog. Niets lijkt Lana op haar weg te kunnen hinderen.
Na een paar uur stappen ziet ze in de verte iemand voor zich uitlopen. Langzaam haalt ze de trager lopende figuur in.

Nop kijkt om. Al enkele minuten merkte hij dat er iemand achter hem liep. Hij voelde de blikken in zijn rug, hoorde de voetstappen en het veranderende gezang van de vogels en rook een lichte stadsgeur.
Met een zachte glimlach blijft hij op Lana staan wachten. Zijn haren, langer dan bij de meeste jongemannen van zijn leeftijd, wapperen vrolijk in de wind. Zijn kleren hangen in vodden om hem heen, maar hij maakt toch geen arme indruk.
Een beetje verbaasd ziet Lana dat de figuur voor haar zich omdraait nog voor ze hem dicht genaderd is. Zoveel lawaai maakte ze toch niet? Ze stapt op de onbekende jongeman af. Hij ziet er wel een beetje vreemd uit, maar kijkt haar vriendelijk aan, dus ze maakt zich niet veel zorgen.
"Goedemiddag!" groet Lana opgewekt, "Wat een prachtige dag om te reizen vandaag, vind je niet?"
"Zeker weten!" antwoordt Nop, terwijl hij rustig doorloopt. "Helemaal als je met z"n tweeën reist!" Hij lacht naar Lana. "Waar ben je naar op weg?"

---------------------------
Tan gaat verzitten en haalt haar lier te voorschijn uit het grote pak dat naast haar staat. In de verte ziet ze twee personen aankomen.
"Ha, klanten! Reizigers ook nog, zo te zien!" denkt ze en ze tokkelt haar lievelingsliedje op haar lier. Ze onderdrukt een geeuw.
"Misschien is het gisteren een beetje te laat geworden... Mmm..."
Ze sluit haar ogen en leunt met haar rug tegen de stam van een boom. Boven haar ritselen de bladeren in de wind.

Met een schok wordt Tan wakker. Haar lier is van haar weggerold en ligt een paar meter verderop in de berm. De twee reizigers zijn nu een stuk dichterbij.
"Jemig", denkt Tan, "Wat... Hè??"
Met een verdwaasde blik wrijft ze over haar hoofd, dat bonkt en klopt. "Het...Het lijkt wel of ik ben flauwgevallen!" Tan schudt met haar hoofd en probeerd het vreemde gevoel kwijt te raken. Dan staat ze op om haar lier terug te pakken.
Tan"s oren suizen, en als ze opstaat, wankelt ze. Ze verliest haar evenwicht en het word zwart voor haar ogen. Het laatste wat ze denkt voor dat ze weer het bewustzijn verliest: "Mijn lier..."

"Waar het lot me brengt." antwoordt Lana, "Op dit moment is mijn bestemming de Zeven Wouden, aangezien deze weg daarheen loopt, maar... hé!" Ze wijst geschrokken naar een meisje dat niet ver voor hen aan de rand van de weg onvast op haar benen staat. Plots valt ze.
Ongerust kijkt Lana even haar nieuwe reisgezel aan en holt naar het meisje toe. Ze ligt in een vreemde houding in het gras, naast een lier die waarschijnlijk aan haar toebehoort.
Lana knielt naast haar neer. Een muzikante die reizigers die hier voorbijkomen vermaakt, ziet ze. Het gezicht van het meisje is lijkbleek. Lana schudt verward haar hoofd, hier heeft ze helemaal geen verstand van. Hulp zoekend kijkt ze om.
Nop knielt aan de andere kant naast Tan en voelt zachtjes naar hartslag.
"Ze leeft nog." Dan legt hij een hand op haar voorhoofd en concentreert zich even. "Vuurblad misschien?" mompelt hij. Hij kijkt Lana aan.
"Wacht hier even." Dan staat hij op en verdwijnt in de bosjes. Nog geen minuut later is hij terug met enkele versgeplukte kruiden.
"We moeten haar hier wegslepen. Onder deze struiken groeit ontzettend veel Duivelsadem. Het geeft een giftige damp af. Wie weet hoeveel ze al heeft ingeademd!" De daad bij het woord voegend tilt hij Tan op onder haar oksels en sleept haar enkele meters richting de weg.
"Kun je vuur maken?" vraagt hij Lana. "Als we deze kruiden verbranden zal de rook haar longen zuiveren." Hij houdt Lana het bosje voor.
Natuurlijk kan ze dat! Lana kijkt Nop even verontwaardigd aan. Ziet ze er dan zo onwetend uit? Het ligt op het puntje van haar tong om hem duidelijk te maken dat ze niet stom is, maar ze slikt de woorden snel in. Dit is niet het moment om te gaan discussiëren. Bovendien, beseft ze terwijl ze het bosje aanneemt, ziet ze er waarschijnlijk uit als een typisch stadsmeisje, wat ze eigenlijk ook wel een beetje is. Hij kon toch niet weten dat het tot voor kort haar taak was om de werkkamer van haar leraar aangenaam warm te houden.
Zwijgend maakt Lana een klein vuurtje, zo dicht mogelijk bij het meisje als ze durft. Dan legt ze de kruiden, vuurblad noemde Nop ze, in de vlammen. Grijze rook kringelt omhoog en dringt binnen in haar neusgaten, het heeft een scherpe geur.
Gespannen kijkt Lana naar het stille gezicht van het meisje onder de dikke rook.
Tan hoest en opent haar ogen. Ze ziet vage vormen, die snel scherper worden. Ook hoort ze zacht gepraat. Mensen?
"Stik! Niet weer!?"
Ze probeert rechtop te gaan zitten, maar grijpt naar haar linkerarm. Ze kreunt zachtjes, als ze constateerd dat die gebroken is.
"Geld verdienen kan ik voorlopig vergeten!"
Opluchting en medelijden strijden om voorrang op Lana"s gezicht.
"Oh nee," zucht ze, "Wat erg voor je!"
Tan probeert nogmaals rechtop te gaan zitten. "Mag ik mijn lier hebben?"
"Natuurlijk," antwoordt Nop en hij pakt Tans lier. "Maar misschien vind je het handiger als ik die zolang vasthoud? Je wilt toch wel met ons mee reizen?" Hij zegt het op zo"n toon dat het lijkt alsof hij niet kan indenken dat het niet zo is. "Je kunt niet alleen reizen met die arm," voegt hij er aan toe. "Kom, ik zal hem verbinden."
Hij scheurt een lange reep stof van zijn tuniek en pakt twee platte takken van de grond. Vaardig spalkt hij vervolgens Tans arm. Met een tweede reep stof maakt hij een lus die hij om Tans nek en pols legt, zodat ze haar arm kan laten steunen. "Is dat beter?"
Hoofdschuddend kijkt Lana toe. Die jongen lijkt wel overal verstand van te hebben. Ze mag zich wel gelukkig prijzen met zo"n reisgenoot, beseft ze. De eerstvolgende dagen van de reis kunnen al niet meer stuk met dit gezelschap. Bovendien, bedenkt Lana, zich haar zelfopgelegde missie herinnerend, kent een muzikante vast wel een paar mooie verhalen!
"Bedankt, maareh... hoe heet u eigenlijk?" vraagt Tan, nu een beetje verlegen. "Mijn naam is Tan El"Turin, heer, vrouwe..." en ze maakt een buiging. "Ik zou het heel fijn vinden als ik met u mee kon reizen, maar waar gaat u eigelijk heen?" Ondanks dat Tan afstamt van een eenvoudige herder, kent ze de formaliteiten wegens ouderen en hogergeplaatsten.
Lana lacht vrolijk. "Ik ben geen vrouwe, Tan, mijn naam is Lana Torfannin en ik ben een schrijfster, op zoek naar zoveel mogelijk verhalen uit heel Torsan. Ik ga daar waar er verhalen zijn, overal dus. Het zou inderdaad leuk zijn als je met ons meeging."
Dan draait ze naar Nop zodat hij zich ook kan voorstellen. Op dat moment dringt het tot haar door dat ze zelf eigenlijk ook nog niet weet wie hij is.
"Nop. Noem mij maar Nop," grijnst hij, maar verder zegt hij niets.
"Goed, heer Nop, ik zou het erg op prijs stellen als u mijn lier bij u zou willen houden." zegt Tan. "En vr...eh...Lana, misschien ken ik nog wel een paar mooie verhalen! Normaal gesproken houd ik het liever bij liedjes en gedichten, maar aangezien ik met mijn arm geen lier kan spelen..."
Tan zucht. Dan kijkt ze Lana even aan. "Nou wanneer vertrekken we?"
De zon staat al hoog aan de hemel. Lana voelt haar maag knorren. "Als jullie het niet erg vinden, zou ik graag eerste een stukje eten."
"Klinkt goed. Laat dat "heer" maar zitten hoor," grijnst Nop naar Tan. Hij haalt een zakje gedroogd fruit tevoorschijn en spreidt de inhoud uit op een doek. "Brood heb ik helaas niet, maar tast toe!"
Tan staat op en loopt naar haar plekje in de berm, waar het grote pak nog trouw op haar staat te wachten. Met een rood hoofd van inspanning sleept ze het terug naar haar nieuwe gezelschap. "Ik denk dat hier ook nog wel wat in zit...."
"Prachtig!" lacht Lana, "Ik kan wel aanvullen met brood." Ze haalt het brood uit en snijdt er met haar mes drie dikke sneden af.
"Het gaat niet echt..." puft Tan, als het haar na drie pogingen nog niet gelukt is om het pak open te maken. "kan iemand me even een handje helpen? Ik heb namelijk maar één hand op dit moment..." Waarom maak ik ook altijd van die strakke knopen???
"Ja, hoor." zegt Lana. Ze knielt neer naast het grote pak en begint aan de knoop te prutsen. "Pfff," mompelt ze, terwijl ze steeds verbetener aan de touwen trekt, "jij weet ook wel knopen te leggen, zeg!"
Eindelijk gaat het pak open. "Oef." Lana houdt de zak open voor Tan. "Neem maar wat je nodig hebt, ik maak hem wel weer dicht, als je dat wilt."
Tan haalt een groot stuk kaas, een waterfles en een deken uit het pak. "Laat maar zo liggen hoor, anders moeten we "m zo weer open maken." Tan spreidt de deken op de grond uit, en gaat er met gekruiste benen op zitten.
Nop breekt een stukje van Tans kaas af en stopt het in zijn mond. "Lekker, dank je!"
Als iedereen voldoende heeft gehad en ze ook de tijd hebben genomen bij te komen, staat Nop als eerste op. "Zullen we verder gaan, dames?"
"Goed idee!" Tan rolt het overgebleven deel van de kaas in een doek en propt dat samen met de deken en de waterfles weer terug in het pak. "Nop, kan jij even een goede knoop maken, zodat we straks het pak wel snel open kunnen krijgen?"
Nop grijnst. "Natuurlijk. Moet ik het je laten zien?"
"Graag! Ik moet dat toch eens zelf kunnen!" Tan kijkt over Nop zijn schouder mee.
Vaardig legt Nop een knoop in de zak. Hij doet het zo langzaam mogelijk, zodat Tan kan ziet hóe hij het doet. Als de zak dichtgeknoopt is, gooit hij hem over zijn schouder.
"Deze draag ik wel. Laten we gaan!" Bij die woorden zet hij er stevig de pas in, richting de Zeven Wouden.
Lana pakt snel haar eigen gerief en mantel op, knipoogt naar Tan en snelt dan achter Nop aan.
Tan springt ook op, en rent met wapperende mantel achter Nop en Lana aan. Ze gaat naast Lana lopen. "Wat gaat u doen in de Zeven Wouden, als ik vragen mag? Gaat u naar het kasteel, de markt of trekt u door het woud zelf? Ik zou u aanraden naar het kasteel te gaan, daar kennen de barden nog wel een paar goede vertellingen!"
"Dan ga ik je raad opvolgen, denk ik." knikt Lana, "Ik wist toch nog niet waar ik heen zou gaan. En zeg maar gewoon "je", zo"n belangrijk persoon ben ik niet."
Ze zwijgt even. "En jij, weet je al wat je gaat doen nu je je arm een tijdje niet kan gebruiken?"
"Ik kan altijd nog zingen!" zegt Tan met een glimlach.

Langs de hoofdweg staat een
zilvren zee van bloemenpracht
de bomen: bronzen stammen;
en een bladerdek smaragd
de vijvers als saffieren,
een zonsopgang robijn
en zelfs als het diamanten regent,
dan is een regenboog,
door de gouden zonneschijn
nog een handvol edelstenen....

Tan wordt helemaal vrolijk van haar lievelingsliedje, en ze zet een huppelpasje in.
"Hé, wat een leuk liedje." Lana lacht, Tans vrolijkheid werkt aanstekelijk.
Dan keert ze zich naar haar andere reisgezel. "Zeg, Nop, waar ga jij eigenlijk heen?"
"Waar mijn voeten mij brengen," glimlacht Nop. "Soms met de zon mee, soms met de sterren."
"Mooi gezegd." vindt Lana, "Sinds vandaag leef ik ook zo en ik moet zeggen dat het me tot nu toe bevalt."
Na enkele ogenblikken vraagt ze "Is er dan iets speciaals dat je onderweg doet? Ik bedoel, zoals ik schrijf en Tan muziek maakt."
"Jaaaa", valt Tan Lana bij. "vertel eens wat meer over jezelf Nop!"
Nop blijft glimlachen. "Als ik onderweg ben, luister ik naar de verhalen van de dieren."
Lana kijkt verward opzij. Wat bedoelt hij daar nu mee? Kan hij echt de dieren verstaan of is dit zijn manier om te zeggen dat hij goed met dieren overweg kan? Ze werpt een snelle, maar bestuderende blik op Nop, in de hoop dat zijn gezichtsuitdrukking haar iets wijzer maakt.
Nop lijkt volkomen oprecht te zijn. Hij glimlacht Lana toe.
"Hoe..." aarzelt Lana, "Hoe kan dat dan?" Hoe meer ze over Nop te weten komt, des te mysterieuzer lijkt hij te worden. Talloze vragen tollen door haar hoofd. "En hoe komt het dat je dat kan? Kan je dat dan leren?"
Nop denkt even na voor hij antwoord geeft. "Sommige mensen kunnen, als ze voldoende oefenen, inderdaad leren luisteren naar de natuur."
"Ik begrijp het niet zo goed." geeft Lana toe. Onzeker kijkt ze opzij naar Nop. "Kun je... misschien... een voorbeeld geven?"
"Kijk eens om je heen," glimlacht Nop. "Wat zie je?"
Verbaasd hoort Tan het gesprek tussen Nop en Lana aan. "Wat kun je sommige mensen toch in zo"n korte tijd leren kennen..." Tan voelt voorzichtig aan haar arm, die Nop zo mooi gespalkt heeft.
"Euh..." Lana kijkt rond naar het landschap rondom haar. "Een weide," aarzelt ze, "met hier en daar een groepje grazende schapen, en," ze tuurt naar de horizon achter de schapen, "ik denk dat daar een boerderij ligt." Dan draait ze haar hoofd naar de andere kant van de weg. "Daar is het wat minder open, er staan veel struiken en hier en daar een boom." Lana zwijgt. Zou dit zijn wat Nop bedoelt? "O ja, in de verte zie ik nog een bos."
Tan weet als Muzikante precies wat Nop bedoelt. Je moet de stilte kunnen beschrijven en de zon kunnen zingen om dat te kunnen begrijpen.
"Waarom denk je dat daar een boerderij ligt?" vraagt Nop vriendelijk.
Lana schudt haast onmerkbaar haar hoofd. Waar wil hij in hemelsnaam naartoe? Ze werpt een blik op Tan, maar die lijkt er niet veel moeite mee te hebben. "Omdat... euh... tja, die schapen moeten toch van iemand zijn." Ze kijkt Nop nu openlijk vragend aan, in de hoop dat hij wat uitleg geeft.
"Dat lijkt een beetje op wat ik bedoel," antwoordt Nop. "Je leest de tekenen, niet waar? In de natuur is het net zo. Ook daar zijn tekens." Hij kijkt Lana vragend aan. Begrijpt ze wat hij bedoelt?
Vanuit zijn ooghoek ziet hij verderop een beweging tussen de bomen.
Lana knikt langzaam. Na even in stilte nagedacht te hebben over Nops woorden, stelt ze: "Maar dan gaat het waarschijnlijk om tekens die ik niet zie en jij wel."
Opeens denkt ze te begrijpen wat hij bedoelde met "leren luisteren als je genoeg oefent". "En als je jezelf oefent, kan je ze wel zien en leren ze te begrijpen. Is het zo?"

---------------------------
Meryn ziet drie wezens van dezelfde soort aan komen lopen. Even overweegt ze erheen te gaan, maar dan bedenkt ze dat dat gevaarlijk zou kunnen zijn. Ze besluit tussen de bomen te wachten, waar haar paarden nog staan, tot de reizigers voorbij haar zijn. Dan zal ze hen volgen.
"Precies!" lacht Nop. "Zoals daar," hij wijst naar de bomen. "Daar staat een meisje met drie paarden, twee merries en een veulen. Ze is bang, maar wel nieuwsgierig, daarom laat ze zich niet zien, maar vlucht ze ook niet weg."
Hij kijkt Meryn nu rechtstreeks aan. "Kom maar," zegt hij vriendelijk. "We doen je niets."
Meryn schrikt. Zien ze haar? Dat geluid; is het voor haar?
Ze snapt het niet, maar blijft even stil staan. Dan stapt ze bij de bomen vandaan. Het meisje voelt zich meteen minder veilig, maar doet nog enkele passen naar voren. Haar paarden, op de oude merrie na, gaan naast haar staan. Meryn hinnikt de naam van het wantrouwende paard. Na enkele besluitloze seconden gaat de merrie naast haar staan. De bruinharige Meryn slaat haar arm om de hals van het paard en blijft naar de reizigers kijken. Wat moet ze doen?
Nop houdt zijn hoofd een moment scheef, alsof hij nadenkt. Dan glimlacht hij en steekt zijn hand uit naar Meryn.
Meryn schrikt even, en deinst terug. Dan kijkt ze goed en ziet hoe vriendelijk de reiziger kijkt. Langzaam loopt ze naar hem toe, gevolgd door de paarden.
Nop doet enkele passen in de richting van het meisje en de paarden.
Meryn kijkt vragend naar haar paarden. De oudste merrie briest zachtjes. Dan gaat ze recht tegenover Nop staan, op minder dan een meter afstand. Ze hinnikt zachtjes naar de reizigers.
Nop knikt naar Meryn, het is meer een soort halve buiging. Dan wacht hij even hoe zijn medereizigers reageren. Ondertussen glimlacht hij bemoedigend.
Lana staart met open mond naar het meisje en de paarden voor hen. Heeft ze het wel goed gehoord? Het meisje leek wel te... hinniken. Niet zoals ieder ander mens die een paard nadoet, maar echt...
Stomverbaasd kijkt Lana toe hoe Nop doodkalm blijft, alsof dit de normaalste zaak van de wereld is. Hij had geweten dat ze daar zaten, terwijl er helemaal niks te zien was geweest. In een flits verschijnt het gesprek van daarnet terug in haar hoofd. Lana knikt haast onmerkbaar in zichzelf, ze begrijpt het steeds beter.
Als ze haar blik terug verplaatst naar het vreemde gezelschap, ziet ze de onzekere houding van het meisje. Ze mogen haar niet laten schrikken, beseft ze. Aarzelend volgt Lana Nops voorbeeld en buigt eveneens even haar hoofd.
Tan kan niet anders dan Lana en Nop nadoen. Ze wil niets van dit gebeuren missen, en is ook erg nieuwsgierig naar dit meisje.
Meryn steekt twijfelend haar hand uit naar Nop. Ze schrikt even als één van haar paarden zachtjes hinnikt. Dan hinnikt ze terug en raakt met haar vingertoppen die van Nop aan.
Heel voorzichtig trekt Nop zijn hand terug en zo langzaam mogelijk gaat hij met zijn hand richting zijn zakje met gedroogd fruit. Daar haalt hij een paar appeltjes uit, die hij, nog steeds heel langzaam, aan Meryn aanbiedt.
Nog steeds voorover gebogen slaat Tan alles gade. Ik vraag me af... Tan zou wel wat willen zeggen, maar ze is bang dat het meisje schrikt en er vandoor gaat.
Voorzichtig pakt Meryn de de appels aan. Ze ruikt er even aan en stopt ze dan in haar buidel. Ze probeert Nop te bedanken door met haar wijs- en middelvinger zachtjes over zijn neus te strijken. Ze houdt haar hoofd even schuin. Dan draait ze zich naar de overige reizigers. Meryn"s angst is vervangen door nieuwsgierigheid. Ze hinnikt weer. Dan legt ze wat van haar eigen eten tussen de drie reizigers is en stapt naar achteren om haar paarden gerust te stellen.
Tan gaat nu rechtop staan en kijkt met grote belangstelling naar het meisje. Heel voorzichtig stoot ze Nop aan. "Mijn lier! Mijn Lier!", lijken haar ogen te zeggen.
Nop pakt een klein beetje van Meryns eten en stopt het in zijn mond. Dan geeft hij Tan heel langzaam haar lier.
Lana kijkt aandachtig toe hoe Nop en het meisje een schijnbaar vastgelegd kennismakingsritueel lijken uit te voeren. Als ze ziet dat het meisje niet meer zo bang is, besluit ze ook iets te doen.
Terwijl Nop aan Tan haar lier geeft, neemt ze een stuk brood uit haar zak en legt het bij het andere eten op de grond. In ruil neemt ze wat van hetgeen er al lag op en eet het op. Lana wil iets zeggen om de vreemdelinge te begroeten, maar luidop gesproken woorden schijnen haar zo ongepast op dit moment dat ze zwijgt.
Het meisje met de paarden kijkt aandachtig naar wat er om haar heen gebeurt. Ze kijkt vragend en wijst naar de lier. Dan legt Meryn haar hand op haar borst en fluistert: "Meryn," daarna wijst ze naar elk paard en hinnikt hun namen. Weer raakt ze Nop"s vingertoppen aan en kijkt hem vragend aan, om daarna met dezelfde blik naar het tweebenige wezen met het instrument en de ander te wijzen. "Meryn." zegt ze nogmaals, als ze voor de tweede keer haar hand naar zichzelf draait. "Meryn."
Nop wijst naar zichzelf en zegt zacht, maar duidelijk: "Nop."
"Lana." zegt ook Lana nadrukkelijk, op zichzelf wijzend.
Tan slaat haar ogen op en kijkt Meryn recht aan. Ze slaat zachtjes een akkoord aan. "Tan.", zegt ze dan.
Langzaam herhaalt Meryn de namen. Dan kijkt ze radeloos om zich heen. Ze heeft dan wel haar eigen soort gevonden, maar weet niet wat ze nu moet doen.
Nop knikt naar Lana. Meryn ziet Nop knikken, en doet het gebaar na, om vervolgens vragend te kijken.
Tan wijst naar een van de paarden. "Paard." Lana knikt naar Tan. Dan wijst ze naar Meryn en zegt "Mens." Vervolgens wijst ze ook elk van hen aan en zegt telkens "Mens."
Meryn kijkt verbaasd als ze hoort dat Lana haar een "mens" vindt. Omdat ze het er niet mee eens is wijst ze de alle reizigers en zichzelf aan, en herhaalt hun namen. Dan springt ze plotseling op één van haar paarden en stapt langzaam de weg op. Vragend kijkt ze achterom. Ze wil meer van deze wezens tegenkomen. Ze wil hun taal leren.
Nop grijnst. "Volgens mij wil ze verder. Laten we maar gaan dan!" Hij gaat naast Meryn lopen en vraagt: "Op weg?"
Als Lana Meryns verbaasde gezicht ziet, vermoedt ze dat het meisje haar niet helemaal begrepen heeft. Maar blijkbaar wil ze wel met hen mee, dus volgt Lana hen als ze verder gaan richting de Zeven Wouden.
Als Nop naast Meryn komt lopen krijgt het meisje weer even de neiging te vluchten. Als ze hem "op weg" hoort zeggen verdwijnt haar angst meteen. Nop"s lijken haar gerust te stellen. "Op weg?" doet ze hem na, op dezelfde vragende toon.
Tan gaat naast Meryn lopen. Ze tokkelt een paar akkoorden, en begint zachtjes te zingen:

Paardenkind, Paardenkind,
dwaalster door het woud,
slaapster bij rivierenstroom
kijkster naar de nacht

Paardenkind, Paardenkind,
telster van de hemelsterren
zienster van zonlicht
dieren roepster

Paardenkind, Paardenkind,
lezeres van ogen,
ruikster aan levens,
luistert naar de dag.

Paardenkind, Paardenkind,
Ligt jou wereld verborgen;
verscholen in het paardenhart?
En waar is hij dan te vinden?

Paardenkind, Paardenkind,
verstaat de taal van mensen niet.
Zit rechtop op een paardenrug
Met ons op tocht, de wereld roept!

Ze kijkt met oprechte belangstelling weer naar het meisje. Ze blijft haar verbazen. Wat zou ze van haar lied vinden?
Met grote ogen kijkt Meryn naar Tan. Wat een prachtig geluid! Halverwege het liedje snapt ze de melodie en neuriet mee en zingt op het juiste moment "paardenkind" mee. Als het lied afgelopen is staart ze Tan vol bewondering aan. Ze hoopt dat de jonge muzikante nog een lied spelen zal.
Ook Lana luistert bewonderend naar het lied. Dat meisje heeft talent, zeg. Ze moet zich inhouden om niet meteen naar pen en papier te grijpen om de woorden op te schrijven. Later kan ze er Tan nog wel eens naar vragen, bedenkt ze, nu kunnen ze maar beter verder gaan.
Meryn steekt haar hand uit naar Tan en raakt deze zachtjes aan met haar vingertoppen. "Tan," zegt ze. Dan wijst ze naar Tan"s lier en kijkt als een koe die voor het eerst in haar leven een ploeg ziet.
"Op weg," neuriet Nop, maar verder houdt hij zich rustig op de achtergrond, terwijl hij geïnteresseerd de handelingen van zijn reisgenote volgt.
Aangezien Meryn en Tan met Tans lier lijken bezig te zijn, gaat Lana terug naast Nop lopen.
"Waar denk je dat ze vandaan komt?" vraagt ze hem.
Ondertussen laat Tan aan Meryn zien hoe haar lier werkt. Ze slaat telkens een andere snaar aan, en zingt er een stukje bij. Dan houd ze Meryn de lier voor.
"Jij ook een keer proberen?"
Voorzichtig slaat Meryn één van de snaren aan. Onder haar vingers voelt ze de kwetsbaarheid ervan. Ze schrikt even van het geluid dat ze maakte, maar is blij dat het contact maken goed lukt. Ze denkt even na over wat ze terug kan doen. Dan roept ze de oudste merrie bij zich, en hinnikt haar naam. Ze kijkt afwachtend naar Tan. Zou die het na kunnen doen? en zou ze erop durven klimmen?
Tan probeert voorzichtig het paard te aaien.
Als Meryn ziet dat Tan haar enigszins begrijpt springt ze behendig op de rug van het paard, en komt er na enkele seconden weer af. Weer richt ze haar vragende blik op Tan.
Het paard blijft gehoorzaam staan als Tan dichterbij komt. Ondertussen loopt Nop zachtjes verder. Ze komen vanzelf wel, lijkt hij te denken.
Lana aarzelt even als ze Nop ziet voortlopen, maar blijft dan op een afstandje geamuseerd staan kijken naar Tan en het paard.
Ondanks ze het nooit eerder heeft gedaan, klimt Tan gemakkelijk op het paard.
"Oke... en nu? Eh... Lana... wat weet jíj eigenlijk van paarden? Nog tips?"
"Ik?" Lana schudt haar hoofd. "Ik heb al ruiters gezien, maar verder gaat mijn kennis over paarden niet." Ze probeert zich te herinneren hoe ruiters normaal doen, maar die hadden over het algemeen een zadel en teugels... "Euh... moet je niet iets doen om het vooruit te laten gaan?" probeert ze. "Iets met je voeten of... ach, ik weet het niet."
Voorzichtig zet Tan het paard met haar hakken aan. Het paard springt vooruit. "Ehhh..... LANA!! DIT GAAT ME EEN BEETJE TÉ SNEL!"
Hoewel ze op een veilige afstand staat, springt Lana automatisch achteruit. Meteen besluit ze om nooit meer iemand advies te geven over dingen waar ze geen verstand van heeft. "Misschien," roept Lana wat geschrokken naar Tan, "kan Meryn aan het paard zeggen wat ze moet doen. Dat lijkt me nog het veiligst."
Als Tan haar kuiten in de buik van het paard drukt vreest Meryn al wat er komen gaat. Ze roept haar geschrokken paard terug en hinnikt geruststellend. Áls Meryn haar benen gebruikt bij het rijden, dan is de beweging zo subtiel dat ze niet eens zichtbaar is. Ze maakt een geluid dat haar paard aanspoort om haar vervolgens wéér terug te roepen. Dat herhaalt ze. Zou de onervaren ruiter het snappen?
Omdat Meryn het paard blijkbaar kalmeert met haar stem probeert Tan het geluid na te doen. Hmmm.... Misschien spoorde ik haar iets te hard aan... Héél voorzichtig zet ze weer haar kuiten in de paardenflank.
Als Lana ziet hoe Tan Meryn nadoet, vermoedt ze dat het niet lang meer zal duren voor de twee zullen verdergaan. Ze begint alvast verder te lopen, achter Nop aan, anders mag ze straks nog alleen achter de paarden aan rennen.
Als Meryn ziet dat ook Lana nu wegloopt besluit ze achter hen aan te gaan. Ze roept haar paarden, die onmiddellijk volgen, met Tan en al.
Nop wacht even op Lana en grijnst. "Jij loopt ook liever?"
"Absoluut!" zegt Lana grinnikend. "Eén keer heb ik op een paard gezeten, jaren geleden al, en dat beest bleef maar bewegen, alsof het er elk moment vandoor kon gaan met mij erbij. Ik kon er niet snel genoeg terug af zijn."
Als Meryn de paarden roept, krijgt Tan een doorbraak in haar leven. Oh mijn god. Ik zit op een paard. Hij beweegt. Ik zit op een paard. Ik ríjdt paard. Oh nee. Oh nee oh nee oh nee. Als ik nou maar blijf zitten. Tan probeert zo veel mogelijk met de bewegingen van het paard mee te gaan.
Lana kijkt even om als ze de paarden dichterbij hoort komen en schiet in de lach bij het zien van Tans gezicht. Nee, jaloers op de muzikante is ze zeker niet! "We schieten in ieder geval wel op zo." Nop kijkt naar Tan, die hen al bijna voorbij komt.
"Heb je er bezwaar tegen als we wat sneller gaan wandelen? Misschien kunnen we de Zeven Wouden morgen dan wel bereiken."
"Nee hoor, geen probleem."
Gehinnik. Meryn zegt het paard onder Tans dijen te stappen, spring op een ander paard en galoppeert door tot ze naast de drie reizigers is. Dan stapt ze naast hen voort, zich afvragend waarom hun pas zomaar versnelde.
Nop kijkt Meryn aan en wijst naar de horizon, alsof hij wil zeggen: Die kant op?
Eén van de reizigers kijkt Meryn aan en wijst. Als ze zijn vraag denk te snappen wijst ze in dezelfde richting. Ze had nog geen idee van wat ze wilde gaan doen als ze haar soort gevonden had, maar deze reizigers lijken haar erg aardig. Ze wil met ze mee.
De middag verstrijkt snel, terwijl de groep steeds verder vordert. Nop zegt niet veel, hij lijkt voornamelijk van de omgeving te genieten.
Lana is naast het paard van Meryn gaan lopen en af en toe benoemt ze iets door er naar te wijzen en langzaam de naam te zeggen.
... "Boom." "Schaap." "Gras." ...
Ze zou het meisje honderduit willen vragen over wie ze is en waar ze vandaan komt, maar blijft geduldig de eenvoudige woorden opsommen. Het lijkt haar voorlopig de enige manier.
... "Hand" "Stok" ...
"Boom, schaap, gras, hand, stok..." Meryn zegt alle woorden na, met een redelijk vreemd accent. Dan wijst ze op Lana zelf. "Lana,"
Als het donker begint te worden vraagt Tan aan Nop en Lana: "Moeten we zo onderhand niet eens uit gaan kijken voor een slaapplaats? Of zijn jullie van plan om aan de kant van de weg te gaan slapen?"
Nop grijnst. "Eigenlijk wel, ja. Of heb je daar problemen mee?"

---------------------------
Verderop het pad is een vage gestalte zichtbaar. op het horen van Nop's stem draait hij zich om rustig, al steunend op zijn staf, richting de vreemde groep achter hem te lopen. Er goed op lettend dat zijn beide handen zichtbaar zijn, zodat hij zijn vriendelijke bedoelingen kenbaar maakt, komt hij dichterbij. De gedachte dat iemand hem, een man die nog vele malen ouder was als dat hij er uitzag, gevaarlijk kon vinden deed hem binnensmonds lachen
"Gegroet mensen!" met een schuin hoofd naar de paarden voegt hij er zacht grinnikend aan toe " ... en paarden." Ik ben al tijden alleen op weg en als ik jullie niet mishaag zou ik graag van jullie gezelschap gebruik willen maken.
"Natuurlijk niet, wees welkom," gebaart Nop, met een lichte buiging. "Tenzij een van de anderen bezwaren heeft, maar dat kan ik me bijna niet voorstellen."
Meryn deinst achteruit als ze een nieuwe man van haar eigen soort ziet. Ze kijkt achterdochtig en houdt halt.
De man bemerkt de aarzeling bij Meryn. Zich afvragend wat die veroorzaakt richt hij zich rustig tot het vreemde meisje. "Vrees niets, ik heb enkel goeds in de zin." Dan om zijn woorden kracht bij te zetten bied hij zijn hand heel voorzichtig en rustig aan.
Ook Lana kijkt eerst een beetje wantrouwend naar de man die opeens uit het duister tevoorschijn komt. Maar het vertrouwen van Nop en de vriendelijke manier waarop de man Meryn benadert, stellen haar gerust.
"Ik heb geen bezwaar," zegt ze en ze knikt bemoedigend naar Meryn.
Dit gebaar kent Meryn, het stelt haar op een vreemd soort manier gerust. Ze steekt haar hand uit, raakt de mans" oude vingertoppen aan en probeert te begrijpen waar hij en Lana over spreken. Seoman houd de verbinding even in stand en verbreekt dan met een glimlach het contact.
"Ik ben blij om eens onder de mensen te zijn dus mijn dank voor de mogelijkheid om met uw gezelschap mee te reizen. Wat is uw reisdoel als ik zo vrij mag zijn? Of wacht... hoe onbeschoft. Ik zal me eerst eens behoorlijk voorstellen. Mijn naam is Seoman. Seoman van Holth. Holth komt overigens van mijn geboorteplaats vlak bij de bergen in het oosten Niet bepaald van mijn edele afkomst." Even onder breekt de man zijn woordenstroom om wederom met veel plezier om zijn eigen grapje te lachen. "Ik heb een tijdje in de bergen gewoond maar ik ben nu op weg. Ik hoefde niet in Kydrath te wezen dus ben ik er maar langs gelopen. Jullie zijn de eerste mensen die ik zie in". . . in een hele lange tijd in ieder geval."
Holth? Lana fronst even. Ze kan zich niet herinneren al van die plaats gehoord te hebben. En zijn aarzeling toen hij wou zeggen hoelang hij al geen mensen meer gezien heeft, vindt ze ook maar vreemd.
"We zijn op weg naar het kasteel van de Zeven Wouden," antwoordt ze. "Ik ben trouwens Lana, schrijfster van opleiding."
Als Lana uitgepraat is regeert Seoman enthousiast. "Een schrijver! Wat geweldig!" roept hij uit, "Het zou leuk zijn weer eens te kunnen praten over boeken." Hij kijkt Lana aan en zegt: "Leest u ook graag. Als u niet tussen de Zeven Wouden wandelt natuurlijk? En hoe kan ik de rest van dit gezelschap aanspreken?"
"Ik ben Nop," stelt Nop zichzelf voor. "Althans, zo kunt u me noemen."
Hij glimlacht. "En ik ben van plan verder te reizen dan het kasteel, maar dat zal de dag van morgen wel brengen. Laten we een plaats zoeken om te overnachten, de avond valt dan nog wel niet, maar de ervaring heeft mij geleerd dat je daar niet vroeg genoeg mee kunt beginnen."
Misschien een half uurtje later vindt het gezelschap een geschikte plek en met z"n allen zetten ze kamp op. Nop bouwt een kampvuur, samen zorgen ze voor het eten en al snel zit iedereen rond de knisperende vlammen te genieten van een simpele maar voedzame maaltijd.

---------------------------
Dana zit tegen een boom aangeleund. Ze kijkt over het landschap en de lange weg. Iets verder op zit ze een klein kampvuur schitteren. Nieuwsgierig loopt ze er heen.
Lana zit te genieten van het gezellige vuur en het eten als ze plots denkt voetstappen te horen. Met samengeknepen ogen tuurt ze in het donker in de richting van het geluid. Er nadert iemand hun vuur, ziet ze, maar meer dan een schim kan ze niet onderscheiden.
"Daar is iemand," zegt ze een beetje gealarmeerd.
Dana ziet iemand die bij het kampvuur zit naar haar kijken. Geschrokken doet ze een stap achteruit. Ze trapt op een takje dat luid kraakt. Nou weet meteen iedereen dat ze daar staat toe te kijken.
Ook Meryn ziet en voelt de aanwezigheid van het meisje. Ze staat op en loopt erheen, steekt haar hand uit.
Dana geeft het meisje verbaasd maar ook een beetje angstig een hand. Dan wil ze terug lopen naar de plek waar ze eerder die avond als slaapplek had gevonden. Maar iets weerhoudt haar ervan. Besluiteloos blijft ze staan.
Nop ziet het meisje aarzelen. "Kom er gerust bij, we doen je niets," glimlacht hij.
Dana komt voorzichtig bij het vuur zitten. Door de jaren die ze op straat heeft geleefd weet ze dat ze niet iedereen kan vertrouwen.
Tan houdt zich een beetje afzijdig. Ze houdt niet zo van grote gezelschappen.
Nop steekt zijn hand uit. "Ik ben Nop."
Dana geeft Nop een hand. "Ik ben Dana. Mag ik vragen waar jullie naartoe reizen?"
"Voorlopig reizen we samen naar het Kasteel van de Zeven Wouden. Maar ik denk dat sommigen daarna verder reizen in verschillende richtingen." antwoordt Lana. "O ja, ik ben trouwens Lana."
Als de anderen zich ook hebben voorgesteld, neemt Nop het woord. "Laten we nu ons eten op eten en dan gaan slapen,-" terwijl hij het zegt, probeert hij het zo goed mogelijk uit te beelden voor Meryn. "want morgen wordt het ook weer een lange dag, willen we de Zeven Wouden bereiken."
Zelf maakt hij het zich gemakkelijk door half tegen een boom te gaan zitten met een deken om zich heen. "Slaap lekker." Hij sluit zijn ogen wel, maar op de een of andere manier lijkt het toch alsof hij wel alert blijft.
De gedachte aan slaap lijkt Lana heel aantrekkelijk. Ze was vergeten hoe vermoeiend reizen kon zijn. Als ze zich een zacht plekje heeft uitgezocht, blijft ze nog even met open ogen naar de sterren kijken en denkt na over het grote gezelschap waarin ze zich plots bevindt. Maar al snel worden haar ogen zwaar, vergeet ze dat ze buiten in de open lucht ligt en valt in slaap.
Dana maakt het zich gemakkelijk op een zacht stukje gras en doet haar dunne deken om zich heen. Ze valt meteen in slaap.
Meryn gaat bij haar paarden zitten, een eindje bij de rest vandaan. Ze sluit haar ogen niet maar op een vreemde manier lijkt dat wat ze doet haar net zoveel nieuwe energie te geven als slaap. Ergens doet het denken aan hoe trekkende vogels rusten. Of paarden.
Zo verstrijken de eerste uren van de nacht rustig. Rond middernacht klinkt eenmaal het gehuil van een wolf, maar verder blijft het ook stil. Dana wordt wakker, draait zich om en slaapt rustig verder, zich van geen enkel gevaar bewust.
Tan verwijdert zich en eindje van de rest. Ze haalt mes tevoorschijn en legt die voor haar neer. Iets aan die vreemdelingen zint haar niet. Daar na gaat ze met haar rug tegen de dichtstbijzijnde boom zitten, en tokkelt met haar goede hand zachtjes een stukje op haar harp.
Meryn ziet Tan een glinsterend object neerleggen dat lijkt op iets wat zijzelf gebruikt om te snijden, verdedigen. Ook merkt ze dat het meisje zich niet gelukkig voelt. Ze sluipt erheen. Wanneer ze achter de muzikante staat fluistert ze "Tan".
Tan kijkt op naar Meryn als ze haar naam hoort. Ze steekt haar hand op, en gebaart dat ze bij haar mag komen zitten.
Meryn wil vragen wat er is; maar weet niet hoe het moet. Ze kijkt Tan hulpeloos aan.
De klanken van een harp en het geluid van zachte voetstappen dringen van ver door tot Lana. Half slapend richt ze zich op en ziet Tan en Meryn een eindje verder zitten. In een poging tot helder nadenken vraagt ze zich af waarom zij niet slapen, het moet nog steeds midden in de nacht zijn. Ze besluit hen echter niet te storen en gaat terug liggen, hoewel nieuwsgierigheid haar belet terug in een diepe slaap te vallen.
Dana wordt wakker. Ze hoort de muziek van Tan. Ze ziet haar met Meryn een eindje van haar en de anderen afzitten. Zelf gaat ze bij de plek zitten waar het vuur eerder die avond was.
Nop slaapt rustig door, althans, zo lijkt het. Seoman daarentegen beweegt onrustig.
Als Tan ziet dat de klanken van haar lier anderen wekken, stopt ze hem maar weg. Ze blijft echter waakzaam, alsof ze verwacht dat er elk moment een gewapende persoon uit de bosjes kan springen.
Dana kijkt op als ze merkt dat Tan niet meer op haar lier speelt. "Wat is er," vraagt ze. "Waarom ben je gestopt met spelen?"
Van ver hoort Lana, die alweer half in slaap gedommeld was, nu ook de stem van Dana. Ze draait zich om, zoekt een nieuwe gemakkelijke houding en vraagt zich af hoe al die mensen midden in de nacht nog zo wakker kunnen zijn.
"Sst." doet Tan, en ze wijst naar Lana. "Ik denk dat het wijzer is om te gaan slapen." Maar Tan is niet van plan om vannacht te gaan slapen. Ze ruikt onraad.
Niemand komt op hen afstormen, maar Seoman schokt nu heviger dan even tevoren. Hij begint naast het schokken te mompelen. "Gevonden......... Ze.. hebben... gevonden...." Het schokken en trillen wordt nog heviger en de ogen van de oude man draaien weg zodat zijn ogen geheel wit worden. "Gevonden!!!" Zijn hele lichaam schokt en trilt. Alleen zijn rechterarm ligt ongewoon stil en lijkt volledig verstijfd.
"Dana...Seoman!" Tan zit recht overeind, alsof dit was waar ze op wachtte. Ze loopt naar Nop en begint zachtjes aan zijn arm te trekken. "Nop, word wakker!" sist ze in zijn oor. Als die niet meteen reageert, hurkt ze bij Seoman neer. De oude man ziet er niet echt gezond uit.
"Seoman...Ontwaak!" roept ze nu, harder dan eerst, al probeert ze Lana niet wakker te maken.
Meryn rent naar de oude man en legt haar hand op zijn voorhoofd. Warm. Zelf is ze niet vaak ziek geweest, maar ze weet welk kruid ze moet gebruiken tegen deze ziekte - wat ze vermoedt dat het is. Ze rent het bos in om op zoek te gaan; zonder nog op de anderen te letten.
Het schokken lijkt een tijdlang niet echt af of toe te nemen. Al die tijd blijft Seoman mompelen. "Gevonden....twee heksen" Na een poos lijkt het er op dat de aanval toch iets in hevigheid afneemt. Nu echter begint de verstijving in zijn rechterarm langzaam uit te breiden over zijn hele lichaam. Seoman slaakt nog een laatste uitroep: "Ze hebben elkaar gevonden!" Vervolgens blijft hij verstijfd liggen zonder nog maar een geluid te maken.
Meryn komt teruggerend en vindt de man verstijfd. Ze kijkt hulpeloos naar de anderen. Het kruid legt ze naast zich neer. Nop slaapt rustig door alles heen.
Ondanks de zorg van de anderen om niet teveel lawaai te maken, dringen de geluiden toch door tot Lana, die slechts licht sliep. In haar ogen wrijvend gaat ze overeind zitten en kijkt naar het groepje mensen die wat verderop rond Seoman staan. Nog net kan ze zijn laatste woorden horen. Een koude rilling loopt over Lana"s rug, tegelijk met een gevoel dat Seomans woorden meer waren dan het ijlen van een zieke. Langzaam staat ze op en loopt op het groepje toe, hoewel ze ervan overtuigd is dat er niets is dat ze kan doen.
Hulpeloos staat Dana toe te kijken. "wat moet ik doen, wat moet ik doen", denkt ze de hele tijd bij zichzelf. "Komt het door mij, ik kwam als laatst bij dit gezelschap". Stilletjes gaat ze wat verder van de rest afstaan. "Misschien willen ze me er niet bijhebben", maalt het door haar gedachten. In gedachten verzonken gaat ze tegen een boom aanzitten en al snel komen de eerste tranen.
De verstijving lijkt geleidelijk maar langzaam ook weg te trekken. Steeds meer delen van Seoman"s lichaam ontspannen zich. Als hij volledig ontspannen is, schud Seoman een paar keer met zijn hoofd alsof hij uit een droom ontwaakt en gaat rechtop zitten. Hij kijkt om zich heen en ziet de verontruste mensen staan; "Oh jee, heb ik jullie laten schrikken. Och dat spijt me zo. Dit was..." heel even leek Seoman naar woorden te zoeken: "... hoogst onverwachts." Mijn verontschuldigingen als ik jullie heb laten schrikken maar de laatste keer dat dit me overkwam is al langer geleden dan sommigen van jullie oud zijn. Mijn lichaam is het niet echt gewend meer. " Hij wreef even over zijn voorhoofd: "Hoogst onverwachts.....Absoluut onverwacht"
Als ze ziet dat Seomans aanval over is, trekt Tan zich grommend terug uit de meute mensen die allemaal om Seoman heen staan. De dolk neemt ze mee, en ze gaat met haar rug weer tegen "haar" boom zitten, de ogen gesloten, alsof ze diep nadenkt.
Meryn gaat naast Tan zitten; vraagt zich af waarom ze zich van de rest afzondert. "Tan."
Opgelucht ziet Lana dat Seoman terug bij zinnen komt. Stomverbaasd hoort ze echter zijn verontschuldigende woorden, die klinken alsof het bijna normáál was wat er gebeurd is, en ziet tegelijk hoe zowel Dana als Tan zich afgezonderd hebben. Aangezien Meryn al bij Tan is, blijft ze een ogenblik staan, verscheurd tussen bezorgdheid om Dana, die er allesbehalve gelukkig uitziet, en vreselijke nieuwsgierigheid naar een verklaring van Seoman. In een poging beide te verzoenen, gaat Lana bij de oude man zitten en wenkt Dana om erbij te komen. Even voelt ze zich schuldig omdat ze het meisje niet vraagt wat er mis is, maar de leergierigheid die haar zoveel jaren geleden al naar Kyrdath deed vluchten, overwint ook nu.
"Hoe bedoel je? Heb je dit al eerder gehad? En weet je wát het is?" vraagt ze Seoman in één adem.
Voorzichtig schuift Dana naar het meisje en de oude man toe. Ze gaat op haar hurken naast het meisje zitten. Een beetje angstig kijkt ze naar Seoman, bang dat hij weer een aanval krijgt.

Tan kan niet uitleggen waarom ze dat gevoel van dreiging houdt. Ze zucht. Wat gebeurt hier toch allemaal?
Dan kijkt ze met een schuin oog naar Nop. Opeens krijgt ze een plannetje en een haar ogen gaan glimmen. Ze wenkt Meryn en wijst naar Nop. Dan wijst ze naar het beekje dat een eindje verder helder klatert. Tan loopt naar haar pak en trekt de knoop van Nop los. De waterzak haalt ze eruit, en gaat die vullen.
Meryn loopt achter Tan aan, niet wetend waar die mee bezig is.

Dana kijkt naar Lana. Ze lijkt eerder geïnteresseerd in de aanval Seoman dan angstig. Dan kijkt ze wat rond. Ze ziet Nop nog slapen. Wordt hij nou nooit wakker, of pas als het eerste licht van de zon te zien is, denkt ze. Ze ziet Tan iets uitleggen aan Meryn. Iedereen doet alsof er niets gebeurt is, zelfs die oude man zelf, denkt ze verbaasd. Om niet te laten merken dat ze het best eng vond doet ze alsof ze ook geïnteresseerd is in de aanval van Seoman.
Als hij de verbijsterde uitdrukking op het gezicht van Lana ziet en de ietwat angstige blik in de ogen van Dana, beseft Seoman dat de mensen waarmee hij momenteel is geen idee hebben van zijn verleden. Nogmaals spreekt hij: "Sorry. Mijn opmerkingen moeten hoogst onbevredigend zijn voor jullie. Ik heb in mijn jongere jaren, nou ja tussen de veertig en zestig, al eens eerder dir soort aanvallen gehad. Allereerst wil ik zeggen dat ze naar mijn beste weten, voor mij ongevaarlijk zijn. Toen ik zei dat dit alles hoogst onverwacht was meende ik het echter wel. Het is bijna een eeuw geleden dat ik voor het laatst "bezocht" werd."
Seoman kijkt om zich heen om er zeker van te zijn dat hij niet nog meer verwarring sticht. Waarschijnlijk is dit wel het geval want zijn leeftijd is uitzonderlijk hoog en hij ziet er nog niet half zou oud uit. "Nogmaals mijn verontschuldigingen. Ik roep enkel meer raadselen op. Ik ben honderdtweeënvijftig jaar oud. Voorlopig is het het best als jullie dat accepteren zodat ik niet over mijn leeftijd hoef uit te weiden. Zoals ik al zei, dit is niet de eerste keer dat iets dergelijks me overkomt. Het is niet iets ergs al weet ik van eerdere reacties dat het er vreselijk uit kan zien."
Even glimlacht hij: "Ik hoop dat ik geen schuim op mijn mond had staan deze keer. Ik ben al eerder een dorp uitgejaagd omdat ze bang waren voor hondsdolheid. Maar goed, even terug naar mijn verhaal, de aanval die jullie zagen was een visioen. Of tenminste dat is de beste benaming voor wat er gebeurde. Ik zelf heb het idee, en dat zonder ook maar een klein beetje bewijs, dat het van een van de goden afkomstig is. Ik kan niet vertellen of het visioen over iets goeds of slechts ging. Wel kan ik zeggen dat ik wel eens een "donkerder" visoen gehad heb. Daaruit trek ik de voorlopige conclusie dat het niet om iets vreselijks ging. Voor de rest weten jullie net zoveel als ik. Althans als ik nog steeds praat en schreeuw tijdens mijn aanvallen. Ergens hebben twee heksen elkaar gevonden…"
Dana kijkt met open mond naar de man. "Ik weet niet of ik het goed verstaan heb, maar zei u nou dat u honderdtweeënvijftig bent?" "En die visioen, bent u een boodschapper van de goden?"
"Honderdtweeënvijftig." mompelt Lana. Ze zwijgt terwijl ze de woorden van de man tot zich laat doordringen. De vragen van Dana hoort ze maar met een half oor en dat Tan en Meryn ergens mee lijken bezig te zijn ziet ze niet eens. "Raadselen weet je inderdaad wel op te roepen ja." zegt ze dan bedachtzaam. "Ben je misschien een magiër?" Al terwijl ze de vraag stelt, dwalen haar gedachten verder af. Een visioen van een god. Twee heksen. "Waarom zou een god het nodig vinden ons hiervan op de hoogte te stellen?" Als het tot Lana doordringt dat ze de vraag luidop gesteld heeft, kijkt ze haar metgezellen vragend aan.
Als Seoman het ongelooflijke verhaal vertelt, staat Tan met haar mond vol tanden.
Honderdtweeënvijftig... Mijn God...
Nop ondertussen, heeft zijn ogen geopend en kijkt rustig van de een naar de ander. Hij ziet eruit alsof hij helemaal niet geslapen heeft, zo helder is zijn blik.
"Honderdtweeënvijftig ben ik, twijfel daar maar niet aan. mijn leeftijd, hoe uitzonderlijk het ook mag zijn, doet er ook niet echt toe. Een magiër ben ik zeker niet....Al beschik ik wel zo over mijn "hulpbronnen" ik kan geen vlammetje uit mijn vingertop laten komen als dat is wat je bedoelt."
Seoman kijkt in de richting van Dana en zegt "Een boodschapper van de goden zei je? Ik ben geen boodschapper van goden. Ik schijn wel de bijzondere interesse van een godheid te hebben opgewekt. Ik heb zelf jarenlang gezocht naar gevallen zoals ik, en daar had ik alle tijd voor. ik heb echter geen enkel ander gedocumenteerd geval kunnen ontdekken in de recente geschiedenis. Het lijkt erop dat ik een soort van kanaal ben van deze Godheid om boodschappen aan de mensheid over te brengen. ik heb zo het idee dat de goeden in hun ware vorm voor ons mensen onbegrijpelijk zijn. Ondanks het feit dat ik zelf ook niet precies weet wat er gebeurt heb ik met dit opperwezen wel een band die niet in woorden uit te drukken valt. Ik voel een grote mate van... van liefde voor iets wat mijn begrip in feite te boven gaat.
Er kunnen twee redenen zijn om iets aan ons mensen mee te delen. Als het om iets ""slechts" draait dan zal dat zijn omdat we er iets aan moeten doen. Als het om iets "goeds" gaat dan kan ik de reden niet bedenken. Niet nu althans. Hierbij moet ik wel zeggen dat ik lang geleden al geleerd heb dat de scheidslijn tussen goed en kwaad grillig is."
"Maar je vermoedde dat het eerder goed dan slecht was." mijmert Lana, "Ik vraag me echt af of we iets moeten doen. Alleen zou ik niet weten wat..." De eerdere vermoeidheid is nu helemaal verdwenen, zozeer wordt ze in beslag genomen door het gebeurde. Nadenkend staart ze voor zich uit.
"Wat kunnen we doen?" vraagt Nop nuchter. "We weten niet wie, wat of waar?" Bij deze woorden kijkt hij Seoman onderzoekend aan. "Wellicht is het beste gewoon verder te reizen. De zon zal weldra opkomen en niets is prettiger dan voor dag en dauw op weg zijn."
Lana knikt enkel. Ze had waarschijnlijk toch niet meer kunnen slapen als ze het geprobeerd had.
Dana zucht en knikt dan. "Ja, ik zou nou toch niet kunnen slapen." Ze pakt haar dunne deken en rolt die op zodat ze hem weer mee kan nemen.
"Verder gaan lijkt me prima. Als er iets is dat ik heb geleerd is dan is het wel dat dit soort dingen zich vanzelf uitvouwen en openbaren. En als mensen iets moeten doen hebben ze de nare gewoonte er voor weg te lopen. Juist als je ergens niks mee te maken wil hebben dan struikel je erover. We kunnen onze oren en ogen open houden naar tekenen die iets met het visioen te maken kunnen hebben." Seoman hield even stil voordat hij vervolgde: "Hier midden in de bossen zullen we niet veel vinden." Grinnikend voegde hij daaraan toe: "Tenzij een van die twee heksen haar hutje hier in de buurt heeft staan."
Nop glimlacht. "Goed, als niemand bezwaar heeft, laten we dan maar gaan." Hij pakt zijn spullen bijeen. "Ontbijten kunnen we onderweg wel. Misschien kunnen we zo zelfs nog voor het diner in het kasteel zijn..."
Seoman pakt zijn staf en zegt. Dat lijkt me een goed idee. "Het is lang geleden dat ik in een echt bed heb geslapen. Misschien komt het er vanavond dan wel van."
Ook Lana pakt haar gerief bijeen. Dan gaat ze op de weg staan wachten tot iedereen klaar is.
Als iedereen klaar is om te gaan, zet Nop er stevig de pas in. De rest van de groep volgt hem langzaam en terwijl ze zo aan het lopen zijn, komt de zon op. Even staat de wereld in vuur en vlam, maar het is een prachtig gezicht.
Lana geniet met volle teugen van het uitzicht. "Op zo"n moment weet je weer waarom je op reis ging." mompelt ze tegen niemand in het bijzonder.
Tan blijft achter en probeert weer op een van de paarden te klimmen. Dana loopt achter de groep aan. Ze heeft nog steeds het gevoel dat ze er niet echt bij hoort.
Lana grinnikt even als ze ziet dat Tan van plan lijkt te zijn vandaag weer te paard te reizen. Dan ziet ze dat Dana er wat verloren bijloopt. Ze gaat naast het meisje lopen.
"Waar ga jij eigenlijk naartoe?" vraagt ze vriendelijk.
Nop gaat naast Meryn lopen. Hij zegt niets, maar lacht alleen even tegen haar. Ze hinnikt haar paard toe dat deze rustig moet blijven, zodat Tan er makkelijk op kan klimmen. Naar Nop glimlacht ze terug, al weet ze niet goed wat het gebaar betekent.
"Ik ga waar mijn voeten mij brengen", beantwoord Dana Lana"s vraag. "En waar ga jij heen?"
Lana schiet in de lach. "Ik zou juist hetzelfde kunnen antwoorden." Iets ernstiger vervolgt ze: "Nee, het maakt me niet uit waar ik heenga, alleen heb ik... noem het maar een doel. Ik verzamel verhalen uit heel Torsan, ik ben namelijk schrijfster."
Vragend kijkt ze Dana aan. "En jij? Hoe komt het dat jij op reis bent gegaan?"
"Ik heb met mijn moeder en zusje op straat geleefd, maar zij zijn overleden, en toen ben ik op reis gegaan. Ik reis al zes jaar rond, en leef van baantjes in steden en zakkenrollen."
"Oei," lacht Lana, "dan kan ik maar beter oppassen voor jou." Grappend doet ze een stap opzij, maar gaat meteen weer gewoon naast Dana lopen. "Sorry dat ik zo met je lach." zegt ze verontschuldigend, "Het lijkt me niet zo"n gemakkelijk leven te zijn."
Dana glimlacht. "Maakt niet uit, ik leef al zes jaar zo, ik kan er wel tegen." Ze knipoogt naar Lana. "En ik zou inderdaad maar oppassen", lacht ze.
Even kijkt Seoman met een schuin oog naar de paarden, maar hij besluit om toch maar lekker te blijven lopen. De weg was niet verkeerd vergeleken met de smalle weggetjes in de bergen ten oosten van Kydrath en een stuk lopen was goed voor de mens. Als Seoman Meryn hoort hinniken kijkt hij verbaast op. Als het paard nog lijkt te reageren ook word zijn vermoeden bevestigd. Het meisje kan communiceren met paarden! Wat een wonderlijk iets. Daar moet ik ter zijner tijd het mijne van weten.
Als hij uit zijn overpeinzing opschrikt hoort hij net Dana"s laatste woorden. Grijnzend kijkt hij naar haar en zegt: "Ha! Bij mij valt er in ieder geval niets te halen meisje. Behalve mijn staf dan hahaha, als je het risico van een bult wil lopen. Ik ben dan wel oud maar nog lang niet zo traag als de zeeschildpadden aan het strand bij Nobles."
Als hij uitgegrinnikt is om zijn eigen grapje wend hij zich tot Nop en vraagt: "zeg is er in het kasteel een fatsoenlijke bibliotheek? ik heb in tijden geen ander boek gelezen dan de paar boeken die ik in mijn grot heb liggen."
"Je weet nooit wat voorwerpen van anderen kunnen doen als het in de verkeerde handen valt", zegt Dana tegen Seoman. "Maar ben maar niet bang, ik steel niet van reisgenoten, en vooral niet van bewapende reisgenoten. Ik heb het liefste rijke slachtoffers, die kunnen tenminste wat missen die gierigaards. Zij houden alles voor zichzelf en lopen snel met een vies gezicht door als je bij ze gaat bedelen."
"Haha in dat geval val ik, reisgenoot of niet, hoe dan ook niet in je doelgroep. Ik ben alles behalve rijk aan geld of waardevolle spullen. Maar ik ben met je eens dat als je dan toch zo nodig het lepe pad op moet gaan, dat je dan maar het beste de rijken wat minder rijk kan maken."
"Eigenlijk ben ik best eerlijk als het op zakkenrollen aankomt. Ik steel van de rijke en geef het aan de armen. Mijzelf dus. Maar soms mislukt het en wordt ik achterna gezeten door zo"n rijke stinkerd. Maar goed dat zij niet veel meer doen dan lui op een koeienleren stoel zitten, en dus niet zo hard kunnen rennen als mij." Dana grinnikt en rent een stuk vooruit waarna ze tegen een boom gaat zitten en op de anderen gaat wachten.
Lana spitst nieuwsgierig haar oren als ze Seomans vraag over de bibliotheek hoort. Boeken! Dat zou inderdaad leuk zijn.
Tan zet haar paard aan tot draf, ditmaal voorzichtig, om niet weer van de paardenrug af te worden gegooid. Ze gaat naast Lana rijden en luistert met een half oor mee. Misschien is Sarina er nog... misschien...
Dana zit lekker tegen een boom aan als ze de rest aan ziet komen. Ze sluit haar ogen en denkt aan haar ouders. Je zou me nou eens moeten zien, mam, jij die altijd zei dat ik niks kon. Een traan glijdt over haar wang en drupt op de grond.
Lana geniet van de zon op haar gezicht en zwaait opgewekt naar Dana die ze een eindje verder tegen een boom ziet zitten.
"Het paardrijden gaat je steeds beter af, zie ik." grijst Lana naar Tan. "Is het niet moeilijk met je arm, zo?" Dan pas valt het haar op dat Tan er niet helemaal met haar gedachten leek bij te zijn.
Meryn kijkt even om zich heen, dan naar Dana. Als ze merkt dat deze verdrietig is zet ze haar paard aan tot draf en gaat bij dezelfde boom staan. Ze weet niet wat er is, of hoe ze helpen kan. Dana probeert te glimlachen als ze Meryn bij haar ziet, maar haar mond vertrekt alleen tot een vreselijke grimas. Ze veegt een traan weg en slikt een keer. Meryn blijft Dana aanstaren.
Dana voelt zich ongemakkelijk worden onder de blik van het meisje en staat op als de anderen bijna bij haar zijn.
Aan de horizon zijn de torens van het kasteel van de Zeven Wouden verschenen, nog maar enkele mijlen. Nops blik richt zich echter dromerig op de Wouden die ook langzaam zichtbaar worden.
"Het kasteel domineert nog altijd de landschappen in zijn omgeving zie ik. Zelfs de wouden worden vanaf hier overstemd door de massieve torens. Wie is er momenteel graaf van de Zeven Wouden?" vraagt Seoman. Omdat Nop met zijn gedachten bij de bossen of het kasteel in de verte lijkt te zijn herhaalt hij zijn vraag Lana die immers schrijfster is: "Lana weet jij of het kasteel een bibliotheek bezit en of hij van enige grote is?"
Lana aarzelt. "Ik geloof van wel. Maar hoe groot hij is, weet ik niet."

Niet veel later komen ze op een splitsing. De éne weg leidt naar het kasteel, de andere loopt in een boog eromheen.
Nop blijft staan. "Ik ga niet naar het kasteel," zegt hij, "ik reis meteen verder. Wie wil, kan met mij mee, de anderen wens ik een goede reis." Hij kijkt er een beetje treurig bij.
"Hé nee" roept Lana uit. "Kom je echt niet nog even mee, Nop?" Ze kijkt naar het kasteel en denkt aan de boeken en verhalen die het herbergt. "Ik ga in elk geval naar het kasteel." zegt ze dan spijtig.
Meryn kijkt Nop vragend aan. Ze voelt dat de droevigere sfeer aan, maar begrijpt niet goed wat er gebeurt. "We gaan weg," gebaart Nop tegen Meryn.
"Ik ga met Lana mee." zegt Tan, "naar het kasteel."
De groep splitst zich. Lana, Tan en Dana gaan naar het kasteel, Meryn en Seoman volgen Nop.
--------------------------- (Het kasteel van de Zeven Wouden)
--------------------------- (Het kasteel van de Zeven Wouden)
---------------------------
---------------------------
--------------------------- (Het kasteel van de Zeven Wouden)