AOLARPG: Kyrdath
In de hoofdstad
van Torsan is het immer druk.
Vanuit de bergen wordt erts aangevoerd die in Kyrdath bewerkt en verhandeld
wordt.
De stad staat daarom bekend om haar metaalproductie, maar ook andere gildes
zijn er goed vertegenwoordigd.
Het middelpunt van de stad en de belangstelling tijdens feestdagen is natuurlijk
het Koninklijk Paleis dat net ten noordoosten van de permanente markt ligt.De
hoge muren en goedverzorgde tuinen zorgen ervoor dat men in het Paleis niet
het gevoel heeft midden in de stad te zijn en het ontmoedigt mogelijke inbrekers.
De stad zelf bestaat uit verschillende wijken, waarvan sommige nog groter zijn
dan enkele kleine steden in de rest van Torsan. Alle soorten ambacht zijn er
terug te vinden, veelal geperfectioneerd.
Ondanks de grootte van de stad is alles goedonderhouden en schoon. De huizen
zijn licht en vrij gebouwd en het benauwde gevoel dat men snel in steden heeft,
ontbreekt hier.
Alleen de achterbuurten zijn donker en vergeven van nauwe steegjes en smerige
bouwvallen.
---------------------------
(De hoofdweg; Kyrdath - De Zeven Wouden)
--------------------------- (De hoofdweg; Kyrdath - De
Zeven Wouden)
--------------------------- (De hoofdweg; Kyrdath - De
Zeven Wouden)
--------------------------- (De hoofdweg; Kyrdath - De
Zeven Wouden)
--------------------------- (De hoofdweg; Kyrdath - De
Zeven Wouden)
--------------------------- (De hoofdweg; Kyrdath - De
Zeven Wouden)
--------------------------- (De hoofdweg; Kyrdath - De
Zeven Wouden)
--------------------------- (De hoofdweg; Kyrdath - De
Zeven Wouden)
» Het is al nacht als het gezelschap aankomt bij
de stadspoorten van Kyrdath.
Keyra is vermoeid van de reis. Ze had nog het plan gehad even met Céline
te praten, maar daar is niets van gekomen. Toen Rana langs de plek was gekomen
waar Keyra haar gevonden had, was het angstzweet uitgebroken bij de anders zo
vrolijke nar. Keyra, inmiddels wetende wat er gebeurd was, had al haar priesterlijke
gaven nodig gehad het arme kind te kalmeren. Maar het had haar ook pijn gedaan
Rana zo te zien worstelen met het gebeurde.
En nu staan ze dus voor de stadspoorten, die, zoals een goed stel stadspoorten
betaamt rond het middernachtelijk uur, hermetisch gesloten blijken. Aangezien
Keyra en Rana redelijk vooraan in de groep terecht gekomen zijn (Rana had haar
paard onwillekeurig de sporen gegeven toen ze langs De Plek kwamen), zijn beiden
er getuigen van hoe één van de wachten van Céline hard
op de stadspoorten bonst.
”Wie verzoekt toegang?”
Een luide stem eist vanaf de stadsmuur identificatie.
Arutha rijdt naar voren en noemt zijn naam.
Onmiddellijk worden bevelen geschreeuwd en wordt de stadspoort geopend.
”Welkom terug, hoogheid.”
Dezelfde man, bij nader zicht blijk het een wachtmeester te zijn, verwelkomt
Arutha en de rest van het gezelschap.
”U kunt direct doorrijden naar het paleis, men is al op de hoogte van
uw komst.”
”Bedankt, beste man.”
Arutha leidt de slaperige groep door de straten van de hoofdstad en het koninklijk
paleis is al snel tussen de huizen te zien.
Daar wordt iedereen opgevangen door gewaarschuwde bedienden.
Zonder overbodig gepraat worden alle reizigers, ongeacht rang, behalve natuurlijk
de erewacht, naar de gastenkamers geleid, waar bijna iedereen direct in slaap
valt.
De volgende ochtend wordt niemand gewekt; het ontbijt staat in buffetvorm in
een simpele eetzaal en bedienden staan klaar om de gasten te helpen als dat
noodzakelijk is.
Na een poos geslapen
te hebben wordt Rodan weer wakker. Het is nog redelijk vroeg, maar dat is ook
logisch, omdat Rodan dat nog steeds gewend is van zijn tijd als keukenhulp.
Rodan gaat op de rand van zijn bed zitten en bekijkt zijn kamer, iets waar hij
afgelopen nacht niet de tijd meer voor had gehad, aangezien hij gelijk in slaap
was gevallen. De kamer verschilt niet erg veel in opbouw als de gastenkamers
van het kasteel van de Zeven Wouden. Toch is duidelijk zichtbaar dat dit het
Koninklijk Paleis is. Een mooi versierd wandkleed hangt boven zijn bed en het
houtwerk is kunstig bewerkt.
Rodan kleed zich aan en verlaat zijn kamer. Hij weet niet zo goed welke kant
hij op moet lopen voor de eetzaal, dus vraagt hij het aan een voorbijlopende
bediende. Glimlachend maar ook met een zekere eerbiedigheid gaat de jongen Rodan
voor naar de eetzaal. Rodan beseft dat hijzelf een paar weken geleden waarschijnlijk
met een zelfde houding gasten zou hebben behandeld in het kasteel. Nu hij zelf
zo wordt behandeld voelt hij zich op de een of andere manier zich er niet zo
prettig bij. Omdat Rodan niet precies weet wat hij moet doen zwijgt hij maar.
Het liefst had hij de jongen verteld dat hij zo belangrijk helemaal niet was,
maar omdat alles zo onwennig voor hem is doet Rodan het niet en al voor hij
er erg in heeft staat hij in de eetzaal. Het is nog erg rustig in de eetzaal,
dus besluit Rodan te wachten tot er wat meer mensen zijn.
Niet veel later dan Rodan komt Arutha de eetzaal binnen, gekleed in kostbare
zijde en geflankeerd door twee bedienden. Als hij Rodan ziet rolt hij even met
zijn ogen, als wil hij zeggen wat een onzin hij al die aandacht vindt.
”Goedenmorgen.”
Zijn stem verraad echter niets van enige irritatie.
Op dat moment komt ook Morin binnen. Hij schrikt als hij zowel Arutha als Rodan
ziet. Blijkbaar hoopte hij dat hij de eerste zou zijn.
Tijdens de reis is hij zover mogelijk uit de buurt van de hoogwaardigheidsbekleders
gebleven en het liefst was hij bij aankomst meteen het paleis ontvlucht. Maar
hij werd helaas onmiddellijk naar een gastenkamer gedirigeerd.
Rodan groet iedereen die de eetzaal binnenkomt en richt daarna zijn aandacht
op Morin, die nog steeds een beetje hopeloos in de eetzaal staat: “Hé,
kom je naast me zitten? Ik geloof niet dat we vaste plaatsen hebben.”
Een beetje onzeker kijkt Rodan ook even naar Arutha, hij zou hem, of eigenlijk
Roderick, hetzelfde hebben gevraagd, maar aangezien hij zijn identiteit kenbaar
heeft gemaakt weet Rodan niet echt hoe hij hierop moet reageren.
Arutha gaat aan de hoofdtafel zitten. Hij zit daar vrij eenzaam, maar het lijkt
hem een weinig te deren, aangezien hij diep in gedachten is.
Morin knikt dankbaar en schuift, na zijn bord erg vol te hebben geladen, aan
bij Rodan.
Hij valt onmiddelijk aan op het eten, alsof hij zijn hele leven nog nooit zoveel
rijkdom heeft gezien.
”Het is heerlijk,” mompelt hij tussen twee happen door.
Ook Rodan doet zich tegoed aan het buffet. Eigenlijk is hij gewend om snel een
hapje te eten, voordat hij het ontbijt van de adel op het Kasteel van de Zeven
Wouden ging klaarmaken en soms, als er veel gasten waren, had hij pas na het
ontbijt van hen tijd om even iets te gaan eten. Het luxe buffet bevalt hem wel.
Op zijn gemak eet hij verder en kijkt de eettafel rond. Hij ziet dat nog niet
iedereen aanwezig is en besluit te wachten tot Morin uitgegeten is en dan de
eetzaal te verlaten.
Morins bord is al snel leeg en hij kijkt Rodan aan.
”Wil je hier blijven? Of...”
Als Rodan aangeeft maar te gaan, staat Morin op en loopt richting de deur. In
het voorbijgaan pakt hij nog snel een glimmende appel en een zoet broodje, dan
kijkt hij Rodan afwachtend aan, alsof hij van de jongen verwacht dat híj
hem verder zal helpen.
Rodan ziet de afwachtende blik van Morin. “Ik was van plan om nog even
het paleis te bezichtigen, ik heb er gisteren niet zo veel van gezien en aangezien
ik hier niet dagelijks kom wilde ik toch nog even verder kijken. Als je wilt
kan je met me meelopen, maar als je liever iets anders gaat doen is het ook
goed.”
Morin haalt zijn schouders op.
”Goed.”
Als Elanor wakker geworden is en zich heeft aangekleed, loopt ze, ook voorgegaan door een bediende, naar de eetzaal. Als ze Rodan en Arutha ziet, loopt haar hoofd rood aan en ze mompelt een nogal onverstaanbaar “goedemorgen”. Ze weet zich duidelijk niet echt een houding te geven en weet niet wat ze zou kunnen zeggen, noch waar ze moet kijken. Uiteindelijk loopt ze wat bedeesd naar het buffet.
Illisér
staat op, en loopt, na zich enigszins gekleed te hebben, voorzover zijn kleding
nog als kleding genoemd mag worden voor de gelegenheid die komen gaat, naar
de deur, waar een bediende hem al opwacht om naar de eetzaal te gaan.
In de eetzaal zijn Rodan en Arutha al aanwezig, ook Elanor is er, bij het buffet.
Hij wenst de twee een prettige dan en dan loopt Illisér naar Elanor toe
en vraagt, na het uitspreken van een goedemorgen: “Goed geslapen El?”
Ze knikt, in stilte dankbaar dat ze nu iets heeft om haar aandacht op te richten.
”Beter dan de bedden van de bediendes in het Kasteel van de Zeven Wouden,”
zegt ze lichtelijk grijnzend. Niet dat ik problemen had met mijn vorige
bed. “En jij? Het valt je toch wat moeilijker binnen te slapen?”
“Ach, het is meer een kwestie van wennen... Toch sliep ik vannacht niet
slecht, voor zover ik sliep dan...” antwoordt Illisér. “Toch
denk ik dat ik een hemeldak boven een dak van steen en hout prefereer...”
Ze knikt en slikt een hap eten door. “Ik hoop in ieder geval wel dat het
een kwestie van wennen is, aangezien ik eraan zal moeten wennen buiten te slapen.”
Ze haalt lichtelijk nonchalant haar schouders op. “Maar dat maakt me niet
zo uit,” zegt ze terwijl ze haar vork opnieuw in haar mond steekt.
”Als je niet mee wilt, kunnen we ook hier blijven El... Dat maakt mij
eigenlijk niet zo uit... Hoewel je dan niet verwachten kan dat ik elke avond
hier binnen te vinden ben...”
Ze verslikt zich bijna in een hap, maar slikt deze snel door. “Begrijp
me niet verkeerd hoor! Ik wil heel graag met je mee!” Als ze beseft dat
ze bijna staat te roepen kijkt ze even naar beneden en vervolgt dan: “Ik
zou alleen even tijd nodig hebben om te wennen, denk ik, dat is alles…”
”Wat zullen we gaan doen nadat we klaar zijn met eten El? Ik zou echt
niet weten wat ik in een stad als deze zou moeten doen...”
”Ik weet het ook niet,” moet ze bekennen, “de grootste gemeenschap
waar ik ooit ben geweest was het kasteel.. Maar dit is wel erg… groot.”
Ze had eigenlijk 'overweldigend' willen zeggen, maar om de een of andere reden
vind ze het woord niet op zijn plaats.
”Mooi, dan kunnen we samen, onwetend als dat we zijn, dolen door de stad,
het paleis en wat nog meer...”
Onwillekeurig moet ze glimlachen. “Is goed,” zegt ze, ”ik
heb niets beters te doen.”
Ook Taen komt
uiteindelijk de eetzaal binnen. Ze kijkt een beetje schuchter rond, maar als
ze ziet dat Céline er niet is, loopt ze enigszins opgelucht naar het
buffet. Ze zou het meisje met haar Droomzintuig kunnen bereiken, maar ze riskeert
het liever niet. Als Céline door zou hebben dat Taen achter haar rug
om uitzocht waarom Céline zo vreemd tegen haar deed, zou de bom gebarsten
zijn.
Na haar bord vol te hebben geschept, kijkt ze weer de eetzaal in, op zoek naar
een plek om te zitten. Ze ziet wel enkele bekenden, maar die kent ze alleen
van gezicht. Ook Arutha ziet eruit alsof hij liever geen gezelschap heeft. Uiteindelijk
loopt ze naar een van de lege tafels, waar ze begint te eten.
Op zijn dooie gemak komt Nerin binnenwandelen.
Hij schijnt zich weinig aan te trekken van de rijkdom, alsof hij niet onder
de indruk is.
Hij knikt naar Arutha ter begroeting, pakt wat fruit en brood en loopt dan naar
Taen.
”Vind je het goed als ik hier even kom zitten?”
Taen kijkt op naar Nerin, knikt en richt zich weer op het eten. Ze zou wel een
gesprek willen beginnen, maar ze heeft alleen niet zo veel te vertellen. Het
kasteel doet haar niet veel, ze is er wel eens eerder geweest. Ook is alles
over de bruiloft al duidelijk. En vragen naar Nerins collega heeft toch geen
zin, het is niks voor hem om meer te zeggen dan nodig is. Zo blijft er weinig
gespreksstof over.
Céline
wordt laat op de ochtend wakker, de zon heeft al een stuk hemelboog afgelegd.
Even denkt ze erover zich om te draaien en verder te slapen, alle gebeurtenissen
van eerder hebben haar uitgeput, maar dan bedenkt ze waar ze is.
Ze realiseert zich dat ze in een zacht bed ligt in een wijde kamer met een groot
raam aan één kant. De gordijnen zijn opengeschoven, het raam staat
op een kier en ze ziet dat al verscheidene van haar persoonlijke bezittingen
in de kamer geplaatst zijn. Slaperig bezichtigt ze de kamer, alles lijkt in
orde te zijn.
Gapend rekt de jonge vrouw zich uit. Nog heel even blijft ze zitten, dan stapt
ze uit bed en loopt ze naar haar kledingkast. Tot haar tevredenheid zijn al
haar kleren al opgehangen, al hoopt ze wel dat de bediendes er niet te vroeg
voor op hoefden te staan. Ze fronst haar wenkbrauwen wanneer ze ziet hoeveel
ruimte er nog over is, deze kast is een stuk groter dan die in haar eigen kamer.
Mijn eigen kamer? Dit ís mijn eigen kamer. De gedachte brengt
haar even van haar stuk, maar wanneer haar maag protesterend rommelt herstelt
ze zich.
Ze is blij dat er niemand is om zich over haar te bekommeren, ze wil zich in
haar eigen tempo omkleden. Ze kiest een lichtgroene jurk uit van een fluweelachtige
stof. De mouwen in die stof lopen maar tot halverwege haar bovenarm, de rest
loopt wijd uiteen in wit gaas. De rok in de groene stof komt in een wijde cirkel
tot haar knieën, met een onderrok van hetzelfde gaas. Het geeft de jurk
een lente-achtige uitstraling en Céline beseft dat ze deze gekozen heeft
vanwege het zonnetje en het vogelgefluit dat door haar open raam naar binnen
waait.
Ze haalt een kam enkele malen door haar haren. Na een korte aarzeling laat ze
het gewoon los hangen, ze heeft geen zin om het op te steken en bovendien kan
ze dat niet goed genoeg, zonder hulp. Nu ze toonbaar is haalt ze even bewust
adem, het is tijd om haar weg te vinden in het kasteel. Wanneer ze echter de
deur naar de gang opent ontdekt ze dat ze niet verdwaald zal raken, het is een
drukte van belang in de gang. Bediendes met allerlei opdrachten lopen af en
aan en wanneer een van hen Céline opmerkt, begeleidt hij haar hoffelijk
naar de eetzaal.
Daar aangekomen kijkt ze ongemakkelijk om zich heen. Gelukkig lost de bediende,
die een opgewekte kledingmakersleerling bleek te zijn, het op, door haar direct
naar de plaats naast Arutha te leiden. Ze bedankt hem vriendelijk, waarna hij
snel weggaat om zijn eerdere taak af te maken.
Céline bloost even en gaat dan zitten. Uit haar ooghoek ziet ze Taen
zitten, maar ze kijkt snel weer terug naar Arutha, ze heeft nog geen zin om
zich met haar voormalige vriendin bezig te houden.
”Goed geslapen?” vraagt ze ter begroeting, niet goed wetend wat
ze moet zeggen tegen haar toekomstige echtgenoot.
“Fijn, dank je. Ik hoop dat jij ook een goede nachtrust hebt gehad?”
Arutha kijkt Céline vriendelijk aan.
In de eetzaal
ondertussen, is graaf Jaric binnengekomen. Hij buigt naar Arutha ter begroeting
en gaat zitten eten.
Niet veel later komt een heraut binnen die op Arutha afloopt. Hij fluistert
de prins wat in en de jongeling knikt.
Dan schraapt de heraut zijn keel en verkondigt:
”Vanmiddag zal de koning audiëntie houden. Een ieder die aanwezig
wil zijn, is hierbij uitgenodigd.”
Als hij uitgesproken is staan zowel Nerin als Arutha op.
Nerin knikt eenmaal naar Taen en verdwijnt dan, om even later ook het kasteel te verlaten en de binnenstad in te gaan.
Arutha buigt zich
naar Céline.
”Vergeef me, maar er moet veel geregeld worden. Ik zie je weer vanmiddag
hoop ik?”
Als het meisje knikt kust hij zachtjes haar hand en loopt dan lichtvoetig de
eetzaal uit, Céline beduusd achterlatend.
Vanuit de deuropening schiet een jong dienstertje op haar af.
”Vrouwe, de koninklijke kleedsters vragen of u na het ontbijt beschikbaar
bent. Ze willen graag uw maten opnemen.
Ik kan u de weg wel wijzen.”
Als Céline haar bevreemd aankijkt, legt het dienstertje uit:
”Ik ben Marne, aangewezen als uw persoonlijke bediende in het kasteel.”
Gyonval heeft
zijn uiterste best gedaan om eraan te ontkomen naar een gastenverblijf vervoerd
te worden. Hij is erin geslaagd eerst de paarden te verzorgen, voordat hij afgevoerd
wordt naar een kamer. Die nacht slaapt hij op het veel te zachte bed, en de
volgende ochtend wordt hij voor zijn doen laat wakker. Hij kleedt zich aan en
verdwijnt direct richting de stallen. Als hij voor het paard van Céline
gaat zorgen, wil hij daar graag goed mee beginnen. Céline zal er vandaag
wel niet aan toekomen om naar de stallen te gaan, dus hij moet het dier niet
alleen poetsen en voeren, maar ook beweging geven.
Aarzelend begeeft hij zich het prachtige stallencomplex in, en al snel heeft
hij de stal van zijn eigen paard gevonden. Hij glipt naar binnen, en houdt het
prachtige dier een tijdje gezelschap, onderwijl nadenkend over een naam voor
het paard.
Een stalknecht komt aarzelend dichterbij.
Hij weet duidelijk niet hoe hij Gyonval moet aanspreken, niet eens wie de jongen
eigenlijk is.
Uiteindelijk kiest hij voor de veiligste weg.
”Meneer? Kan ik u ergens mee helpen?”
Gyonval schrikt op als hij aangesproken wordt. Hij voelt zijn gezicht rood worden,
en weet niet zo goed wat hij moet zeggen. Hij weet niet eens of de mensen hier
wel weten dat hij voor Céline's paard gaat zorgen. Straks vinden ze hem
een opdringerige bemoeial... Hij kijkt weg van de vragende ogen van de stalknecht
en stamelt verlegen: “Ik ehm... ik wilde graag een rit gaan maken met
mijn paard.” Vaagjes knikt hij met zijn hoofd in de richting van het dier.
“Kunt u me vertellen waar ik spullen kan vinden om hem klaar te maken?”
De vorige avond had iemand anders zijn zadel en hoofdstel van hem overgenomen,
en hij heeft dus geen idee waar de tuigkamer is of waar hij borstels en andere
noodzakelijkheden kan vinden. Schuchter voegt hij eraan toe: “Vrouwe Céline
heeft me gevraagd of ik ook voor haar paard wilde zorgen.” Hij hoopt maar
dat de mensen die hier werken dat niet vervelend vinden...
De staljongen knikt begrijpend.
”Natuurlijk.”
Snel legt hij aan Gyonval uit waar alle benodigdheden te vinden zijn.
”Maar bent u dan niet een van de edelen?”
Nieuwsgierig neemt hij Gyonval in zich op, dan begint hij echter plotseling
te blozen als hij beseft wat een brutale vraag hij eigenlijk heeft gesteld.
Gyonval glimlacht vriendelijk naar de stalknecht en bedankt hem voor de hulp.
Hij kijkt raar op als de ander hem vraagt of hij één van de edelen
is. “Eén van de edelen? Nee hoor, de reden dat ik met het gezelschap
meereisde is dat ik Céline en Rod.. ik bedoel, prins Arutha heb leren
kennen en eh... vrouwe Céline me gevraagd heeft voor haar paard te zorgen.”
Hij wil eraan toevoegen dat hij ook maar gewoon een stalknecht is, maar hij
realiseert zich dat dat eigenlijk niet de hele waarheid is. Hij werkt graag
in de stallen, maar welke stalknecht heeft er zo'n mooi paard als hij? Om over
de edelsteen en de goudstukken nog maar te zwijgen... Even is hij in de war,
omdat hij niet zo goed weet wat hij dan wél is, maar hij besluit dat
hij maar gewoon moet zien hoe zijn leven nu verder gaat. Hij heeft alle tijd
om te zien hoe alles zich gaat ontwikkelen. Voorlopig vindt hij het in elk geval
leuk om in de stallen te werken, en hij biedt de stalknecht aan om af en toe
bij te springen als dat nodig is.
“Graag,” grijnst de stalknecht.
”Ik heet trouwens Will.”
Gyonval kijkt de stalknecht aan, en antwoordt: “Ik ben Gyonval.”
Blij door de vriendelijkheid van de ander voegt hij er impulsief aan toe: “Zeg...
als er hier een mogelijkheid is om in de omgeving te rijden, zouden we dan misschien
vanmiddag samen kunnen rijden? Als ik je help met je andere werk heb je daar
denk ik wel tijd voor? Jij zou mijn paard kunnen rijden, en dan kan ik het paard
van Céline beweging geven.” Hij denkt even na. “Hoewel ik
dat wel eerst aan haar moet vragen, natuurlijk... Maar ik denk niet dat ze vandaag
zelf zal willen rijden.”
Wills ogen lichten op.
”Graag!”
Hij kijkt de stallen rond.
”Er moet uitgemest worden, vandaag. Maar alleen de stallen die voor jullie
aankwamen al in gebruik waren. De andere stallen waren al schoon.”
Gyonval is blij dat Will zo enthousiast reageert, en hij glimlacht naar de andere
jongen. “Ik heb nog niet ontbeten, dus ik ga zo eerst iets te eten halen.
Misschien kan ik dan Céline ook gelijk opzoeken om haar te vragen of
ze het goed vindt dat ik haar paard mee naar buiten neem. Daarna kom ik je dan
helpen met uitmesten. Zal ik voor jou wat te eten mee terugbrengen?”
Even lijkt Will het aanbod af te willen slaan. Dan grijnst hij.
”Waarom ook niet? Ik denk dat het ontbijt van de adel wel wat luxer is
dan het ontbijt van de knechten. Graag.”
Gyonval grijnst om Wills opmerking, en haast zich dan het kasteel in. Hij vraagt
de weg naar de ontbijtzaal, en al snel komt hij hier aan. Hij eet eerst snel
zelf wat, en vult dan een lege schaal met een aantal dingen voor Will. Die schaal
brengt hij straks wel terug naar de keuken, besluit hij. Hij voelt zich wel
een beetje opgelaten als hij met de schaal van tafel wegloopt, maar als iemand
hem erover aanspreekt legt hij wel uit wat er aan de hand is. Net als hij de
zaal uit wil lopen ziet hij Céline zitten. Ze wordt aangesproken door
een jong meisje, en Gyonval besluit om direct maar even te gaan vragen wat ze
van hem verwacht met betrekking tot de verzorging van haar paard.
Hij loopt naar haar toe, en wacht stil af tot ze uitgesproken is met het andere
meisje, onderwijl zichzelf verwoed vertellend dat hij vooral níet moet
gaan stotteren en blozen als ze hem straks aanspreekt...
Céline
knikt het meisje vriendelijk toe. “Hallo Merne. Ik heb nog geen plannen
voor vanochtend, dus ik zal met je meekomen.”
Ze ziet Gyonval dichterbij komen en wanneer ze zich realiseert dat hij met haar
wil praten zegt ze tegen het meisje: “Ik moet nog even met wat mensen
praten, dus ga gerust zelf ontbijten. Ik kom zo mee.”
Nadat Merne weggelopen is, richt Céline zich op Gyonval. Ze kijkt met
opgetrokken wenkbrauwen en een glimlach naar de goedgevulde schaal eten in zijn
handen.
Gyonval ziet Céline's blik, en voelt zijn gezicht rood worden. Hij bijt
op zijn onderlip, en probeert de schaal achter zijn rug te werken, maar dat
lukt ook niet zo goed. Hij voelt zich steeds ongemakkelijker, en hij weet dat
Céline hem raar staat aan te kijken omdat hij niks zegt. Omdat hij haar
niet aan durft te kijken maakt hij maar een onhandige buiging, en stottert:
“Céli... ehr... vrouwe... ehm...” Hij valt stil, en kijkt
haar van ellende ongemakkelijk aan. “Moet ik u zeggen?” flapt hij
er dan uit.
Het duurt een paar seconden voor Céline haar lach weet te onderdrukken.
“Je maakt je teveel zorgen, Gyonval. Je mag best wat eten meenemen, of
het nu voor jezelf of voor iemand anders is. Ik vind het tenminste geen probleem.”
Ze glimlacht en ziet de jongen iets rustiger worden. “Ik vind het fijner
als je me gewoon bij mijn naam aanspreekt en 'je' tegen me zegt. Je hoeft je
niet zo ongemakkelijk te voelen, ik bijt niet.” Even is ze stil. “Waarom
wilde je me spreken?”
Hij glimlacht dankbaar naar haar. Hij voelt zich al wat beter op zijn gemak.
“Dank je wel. Ik zeg ook liever gewoon Céline. Ik vroeg me af wat
je wilde dat ik met je paard deed? Je hebt gevraagd of ik voor hem wilde zorgen...
zal ik hem ook rijden enzo?”
Even denkt ze na. Ze had er zelf niet veel aandacht aan gegeven toen ze hem
vroeg dat te doen, maar hij vat het blijkbaar serieus op, wat ze eigenlijk wel
fijn vindt.
“Graag, als het geen probleem is. Ik verwacht binnenkort geen tijd te
hebben om te rijden...” Haar gezicht betrekt, maar zodra ze dat beseft
trekt ze het weer in de plooi.
Gyonval ziet de trieste blik over Céline's gezicht glijden en heeft medelijden
met haar. Het moet wel moeilijk zijn om ineens zo 'gevangen' te zitten in plicht
en verantwoordelijkheid. Hij wilde dat hij iets voor haar kon doen... Hij onderdrukt
de neiging om zijn arm om haar heen te slaan of iets troostends te zeggen, en
antwoordt: “Is goed, dan zal ik er in principe vanuit gaan dat ik hem
volledig verzorg. Laat je het dan weten als je zelf wilt rijden?”
Céline knikt afwezig, haar gedachten zitten ergens anders, bij hoe het
nu allemaal zal worden. “Is goed.” Ze aarzelt even en zegt dan,
volkomen gemeend: “Dankjewel.”
Niet alleen voor het verzorgen van haar paard maar ook voor de medeleven die
op zijn gezicht te lezen staat, al zegt ze dat er niet bij.
Haar oprechte dankbaarheid maakt dat hij zich weer ongemakkelijk voelt, en hij
kan zijn blik niet op haar gezicht gericht houden. Terwijl hij naar zijn laarzen
staart mompelt hij: “Geen dank, ik doe het graag.” Hij draait zich
om om weg te lopen, maar op het laatste moment voegt hij er nog aan toe: “Ik
vind dat je heel dapper bent, Céline. Dit is misschien nog wel enger
voor je dan vechten tegen de Magiër, en ik vind je heel sterk.” Voor
ze antwoord kan geven maakt hij zich uit de voeten.
Céline kijkt de jongen met grote ogen na. Ze weet niet zeker wat ze hiervan
vindt, dat hij haar zo goed begrijpt. Aan de ene kant is het fijn om te weten
dat iemand weet hoe zij zich voelt, aan de andere kant is het benauwend dat
zelfs haar gevoelens niet meer van haar alleen zijn. Ze besluit het van zich
af te schudden en er later verder over na te denken.
Dan draait ze zich naar haar vader. Zonder inleiding zegt ze: “Zullen
we aan het eind van de ochtend, wanneer de kleedsters klaar met me zijn, ons
eerdere gesprek hervatten?” Er verschijnt een droeve blik in zijn ogen
en Céline denkt dat hij gaat zeggen dat hij haar niet nog meer wil belasten,
dat het iets is om het later over te hebben. “Niet later,” zegt
ze daarom. “Ik wil het weten. Ik heb het recht het te weten.”
De Graaf ziet duidelijk op tegen het gesprek, maar stemt wel toe.
”Het is goed. Ik ben in de Koninklijke Bibliotheek.”
Céline knikt en besluit vanmiddag na het gesprek het weer goed te maken
met haar vader. Ze vindt de ongemakkelijkheid die tussen hen ontstaan is verschrikkelijk,
maar ze vindt dat ze er recht op heeft te weten wat de Magiër bedoelde.
Nu kijkt ze Marne aan, die dat al snel doorheeft en naast haar staat.
”Bent u klaar, vrouwe?”
Céline knikt en volgt het meisje naar de kleedsters.
Met een steek
in haar hart ziet Taen hoe Céline haar negeert. Het doet haar pijn dat
het meisje opeens niks meer met haar te maken wil hebben, terwijl ze nu juist
zo hard iemand nodig lijkt te hebben. Was het dan echt verkeerd van haar geweest
om voor magie te kiezen? Op het hof zou ze zich vast verveeld hebben, de koning
zit vast niet op haar advies te wachten. Wie tegenwoordig nog wel in deze tijd
van vrede?
Een tijdlang staart ze naar haar bord en speelt met het kleine stukje brood
dat ze niet heeft opgegeten. Nu Céline haar niet wil zien, weet ze eigenlijk
niet precies wat ze moet doen. De mensen op dit kasteel kent ze niet en ook
Nerin is verdwenen. Uiteindelijk besluit ze om te kijken of dit kasteel ook
een tuin heeft, waar ze rustig van het weer kan genieten.
Will is oprecht
verheugd met het eten dat Gyonval meebrengt.
”Wat een koningsmaal,” verzucht hij.
”Zullen we het anders bewaren? Dan kunnen we vanmiddag picknicken, als
we nu opschieten.”
Gyonval knikt ja op het voorstel van Will; picknicken klinkt buitengewoon goed,
en hij krijgt steeds meer zin in de rit van die middag. Maar eerst moeten de
stallen uitgemest worden... Gyonval pakt de benodigde spullen, en gaat op zijn
gemak aan het werk. De stallen worden duidelijk goed bijgehouden, en dus is
het niet zo'n zware klus en schieten ze lekker op. Zoals gewoonlijk praat Gyonval
niet erg veel, maar hij merkt dat hij zich bij Will wel op zijn gemak voelt.
Ook is het goed voor zijn zelfvertrouwen dat hij ervaring heeft met het werk,
want nu voelt hij zich tenminste op zijn plaats.
Als ze klaar zijn met het werk wat Will die dag moest doen, halen ze de paarden
van Gyonval en Céline uit hun stallen en zetten deze buiten vast om ze
een goede poetsbeurt te geven.
Will kijkt Gyonval aan.
“Zullen we richting de bergen rijden?”
Gyonval knikt enthousiast ja op Will's voorstel. “Ik vertrouw sowieso
op jouw kennis van de omgeving, maar de bergen wil ik graag eens van dichtbij
bekijken!”
Als hij Céline's paard gezadeld heeft klimt hij lenig op de rug van het
dier, dat wat kleiner en ranker is dan zijn eigen paard. Even zit hij wat onwennig,
maar al snel past hij zich aan. Hij wacht tot Will ook is opgestegen.
Will stijgt soepel op en gaat Gyonval voor, door de kasteelpoort. Over de hoofdweg
gaan ze de stad uit.
Een klein half uurtje buiten de stad begint het landschap golvender te worden
en, ondanks de lage bewolking over de velden, komen de bergen in zicht.
Als reuzen verheffen ze zich boven het landschap.
Will keert zich glimlachend naar Gyonval.
”Indrukwekkend, niet?”
Gyonval staart met open mond naar de bergen. Omdat hij opgegroeid is in het
kasteel van de Zwarte Magiër, is hij tot voor kort nooit echt buiten het
woud wat om dat kasteel heen lag geweest. In de korte periode dat hij aan het
reizen is heeft hij al veel indrukwekkende dingen gezien, maar de bergen slaan
alles. Ze zijn zo groot en zien er zo ongenaakbaar uit!
Hij wendt zich tot Will: “Ben je weleens echt in de bergen geweest? En
hoe hoog dan? Gaan er weleens mensen helemaal naar de top? En wat ligt er aan
de andere kant? En...” Als hij Wills gezichtsuitdrukking ziet realiseert
hij zich dat hij ratelt, en valt hij stil.
Will grijnst naar Gyonval.
”Ik ben nog nooit echt ver de bergen in geweest.
Ze zeggen dat er een groot onbekend land achter ligt, maar ik heb nog nooit
iemand ontmoet die er vandaan kwam. Anderen beweren wel dat er dwergen in grotten
onder de bergen wonen, maar ook die heb ik nog nooit gezien.”
Hij kijkt om zich heen, ze bevinden zich op een vlak stuk grasland, in de schaduw
van een drietal hoge dennen.
”Zullen we hier gaan zitten?”
Veel te laat
voor het ontbijt wordt Keyra wakker. Haar lichaam voelt nog steeds aan of het
onder een karrenwiel heeft gelegen en ze kreunt onwillekeurig van een plotselinge
beweging. Dan wordt ze zich bewust van het warme lichaam waar ze tegenaan ligt...
Langzaam opent ze haar ogen en ze kijkt recht in de twinkelende kijkers van
Rana. “Goeiemorgen lief,” fluistert deze.
”Morgen,” antwoordt Keyra verward, terwijl haar hersenen overuren
maken. Hoe is ze bij Rana in bed beland? Vagelijk herinnert ze zich de aankomst
in Kyrdath de avond tevoren en de onmetelijke vermoeidheid... de pijn... de
zachte handen van Rana die haar bont en blauwe lichaam verzorgden... En nu,
nu ligt ze naast dezelfde Rana, de engel, de verleidster, de... Dan wordt Keyra
zich van haar naaktheid bewust en met een schok bevrijdt ze zich uit de omhelzing
van Rana, daarbij kreunend van de pijn.
Langzaam gaat ze op de rand van het bed zitten, zich maar al te zeer bewust
van de pijn in Rana's ogen. “Lieve Rana,” steunt ze, “ik moet
naar de Tempel van mijn Zusters, in deze stad. Zo snel mogelijk.” Een
traan rolt over Keyra's linkerwang.
Rana slaat haar armen om Keyra heen, en zegt: “Als dat zo belangrijk is
voor je, dan ga ik graag met je mee.” Keyra merkt dat haar lichaam op
onbetamelijke manier reageert op het heerlijke gevoel van Rana's lichaam dicht
tegen het hare, bevrijdt zich met tegenzin uit de omhelzing en staat langzaam
op.
Keyra zucht. “Lieve Rana, dit moet ik alleen doen... de tempel is van
mijn geloof, van de Godin... jij brengt me eerder in gevaar...”
Rana klampt zich nu nog steviger aan Keyra vast. “Keyra, denk toch niet
altijd zo negatief! Gevaar! Ha! Dat is wel heel wat overdreven. Wat kan óns
nu gebeuren. Samen staan wij wel sterk en wij samen kunnen álles aan.”
Terwijl ze deze woorden tot haar vriendin zegt draait ze zich op haar rug en
maakt een groot gebaar bij het woord 'alles'. Dan staat ze op en neemt zonder
op enige respons te wachten Keyra opnieuw in de armen.
”Je woorden sterken me,” antwoordt Keyra, “misschien is het
goed, als jij meegaat.”
Dan kan Keyra zich niet langer bedwingen door de nabijheid van dit warme liefdevolle
wezen en zoent ze de olijke nar.
Slechts met grote moeite weet ze hiermee op te houden en doet ze haar kleed
over haar hoofd. Ook Rana doet snel haar eenvoudige kledij aan. Pas op straat
merken beide vrouwen dat ze de sterke slaapkamerlucht met zich meedragen...
Luttele minuten later staan Keyra en Rana op de trappen van de Tempel, die in
deze stad aan het Marktplein blijkt te zijn gevestigd.
Keyra aarzelt geen moment meer en schiet één van haar zusters
aan. “Ik wil graag de Tempelmoeder spreken,” zegt ze, na de gebruikelijke
symbolische gebaren. Gebaren die Keyra steeds lozer voorkomen.
De tempeldienares werpt een onderzoekende blik op Rana, maar hult zich in een
stilzwijgen.
Met een hoofdknik geeft ze Keyra en Rana aan haar te volgen.
Door een lange, open gang leidt ze de twee naar een kleine binnenplaats, waar
een simpel altaar is.
Daar staat een oude vrouw, gehuld in een licht kleed. Haar grijze haren golven
over haar schouders en ze lijkt in gedachten verzonken.
De dienares knikt eenmaal en laat Keyra en Rana dan alleen met de vrouw.
Gedwee loopt Rana achter Keyra aan. Keyra die weet vast wel hoe te handelen
hier. En Rana heeft er allerminst zin in om hier voor schut te staan. Dat zou
de naam van haar vriendin waarschijnlijk alleen maar schaden. Dus zo stil en
rustig als ze kan blijft Rana staan waar Keyra blijft staan. Buigt Rana waar
Keyra buigt. Loopt Rana een stap achter Keyra en observeert Rana de ruimte.
Het is een sobere tempel met alleen maar hier een daar een klein altaar, een
brandende toorts, een schijnbaar slepend voortbewegende dienares of priesteres.
De vrouw met het grijze haar kijkt Keyra, nadat ze een of ander begroetingsrtueel
hebben uitgevoerd, onderzoekend aan. Allerlei vragen spoken door Rana's hoofd,
maar ze houdt zich aan haar eigen belofte en beheerst zich. Ze kan het zich
vást niet permiteren om nu haar mond open te trekken en de vrouw óók
te begroeten. Onhandig blijft ze achter Keyra verscholen staan, in de hoop dat
de vrouw niet opvalt dat er nog een vreemd uitziende vrouw áchter Keyra
staat.
Keyra staat besluiteloos voor de Tempelmoeder. Nu is ze hier en ze weet niet
wat te zeggen. Durft ze aan haar op te biechten dat ze in gedachte en in lichaam
gezondigd heeft? Dat de vrouw achter haar haar heeft betoverd? Dat ze nauwelijks
aan de Godin denkt zelfs, maar alleen aan Rana?
Zal ze vragen om absolutie? Om weer toegelaten te worden in de Vrede van de
Godin?
Of zal ze liegen? Liegen dat ze Rana bij zich wil houden als dienster?
Keyra's hersenen
draaien overuren. Ze is zich sterk bewust van de aanwezigheid van Rana achter
zich, maar nog sterker is ze zich bewust van de ogen van de Tempelmoeder, die
haar lijken te doorboren en doorzien.
De Tempelmoeder kijkt Keyra strak aan, glimlacht dan plotseling.
”Welkom dochter. Het doet Haar die wij dienen goed je hier, in Haar heiligdom,
te zien. Evenzeer verheugt het Haar om jouw geestverwant te verwelkomen.
Vrede zij met jullie.”
Keyra maakt een buiging en kijkt de wijze Tempelmoeder daarna verwonderd in
de ogen. “Ik dacht dat... gebod 14...,” stamelt ze. Dan knielt ze
en kust ze de hand van de wijze vrouw.
Zonder een verder woord te zeggen omhelst ze Rana en gearmd lopen de twee de
Tempel uit.
Rodan loopt samen
met Morin door de gangen van het paleis. Hij bewondert de mooie schilderijen,
beelden en alle andere vormen kunst die daar te vinden zijn. Eigenlijk weet
Rodan niet waar hij nu naar toe wil lopen, maar aangezien hij niets beters heeft
te doen volgt hij gewoon maar de gang. “Ze hebben het hier wel erg rijkelijk
versierd hè?”
“Hm,” knikt Morin. Hij lijkt zich niet erg gemakkelijk te voelen
tussen al die rijkdom.
“We kunnen ook naar buiten gaan?” Of naar de bibliotheek waar
ze die hier ook hebben, denkt Rodan er achter aan, maar hij gaat ervan
uit dat Morin wel niet in boeken geïnteresseerd zal zijn.
Even is het stil, maar dan zegt Rodan opgewekt: “Hé… we kunnen
ook eventjes hier de stad in gaan. Ik ben er nog nooit geweest, dus dat lijkt
me wel leuk! En dan zijn we gelijk even weg van hier…”
Morin knikt enthousiast.
”Graag.” Dan kan ik op zoek naar een werkplaats.
Rodan en Morin verlaten het paleis, groeten de bewakers van de poort en lopen
even later in de stad. Ook al is het nog redelijk vroeg, er zijn al veel mensen
op straat. De huizen van de stedelingen zien er verzorgd uit en even later komen
de twee jongens aan op de markt. Dit schijnt het middelpunt van alle drukte
te zijn. Het is er erg gezellig en Rodan en Morin kijken even rond.
Rond de markt zijn het vooral de vele smidsen die de aandacht van Morin trekken.
Dan valt zijn oog op een kraampje waar sierlijke wapens verkocht worden. Zonder
een woord te zeggen loopt hij er heen en blijft als in een droom staan kijken.
Als Rodan een blik op de wapens werpt, zal hij zien dat ze professioneel vervaardigt
zijn. Vooral voor de sier, maar als wapen zijn ze ook goed bruikbaar.
Rodan komt bij Morin staan en kijkt naar het kraampje. Mooie wapens liggen tentoongesteld,
maar Rodan heeft ze niet nodig. Als Rodan zijn aandacht even van het kraampje
naar Morin richt, ziet hij dat de jongen helemaal geobsedeerd is door deze wapens.
Logisch ook, want het zijn ook prachtige exemplaren en voor iemand als Morin
is het natuurlijk helemaal te begrijpen dat hij zijn ogen niet van dit kraampje
af kan houden. “Hm.. mooie wapens…” zegt Rodan tegen Morin.
”Kan ik u ergens mee van dienst zijn? Uw vriend lijkt erg onder de indruk
te zijn.”
De koopman komt op Rodan en Morin af.
De laatste reageert noch op de man, noch op Rodan.
”Mij niet,” antwoordt Rodan, “Maar mijn vriend misschien wel.
Hij heeft bijzondere talenten ziet u, en ik vermoed dat hij hier graag zou willen
werken.” Als de koopman hem een beetje vreemd aankijkt, laat Rodan zijn
ketting met de smaragd zien. “Kijk, dit heeft hij al eerder gemaakt.”
De koopman bekijkt het sieraad.
”Dat is zeker een knap staaltje werk.”
Hij wendt zich tot Morin.
”Jij hebt dit gemaakt?”
Morin kijkt op en staart de koopman wezenloos aan.
”Ik... eh...”
Rodan knikt zijn vriend bemoedigend toe.
Morin kijkt Rodan hulpeloos aan, plots erg verlegen.
Rodan kijkt van de hulpeloze Morin naar de koopman. “Het spijt me, ik
denk dat hij een beetje verlegen is.” Even grinnikt Rodan en stoot Morin
aan: “Zeg, als je met dit werk verder wilt gaan moet je toch wat meer
aan complimenten wennen hoor.” Tegen de koopman zegt hij verder: “Misschien
kunt u hem beter even aan het werk zien, daar gaat hij echt helemaal in op,
ik weet zeker dat u hem wel als leerjongen zou willen hebben.”
De koopman fronst.
”Normaal zou ik dit niet doen, maar als hij werkelijk zo goed is als je
beweert...”
Hij kijkt Morin aan.
”Prijs je gelukkig met zo'n vriend, jongen.”
Morin lijkt weer een beetje bij positieven en knikt dankbaar naar Rodan.
”Kom morgenochtend naar mijn smidse, vraag maar naar Hurk de Smid.”
Zonder er nog meer woorden aan vuil te maken, wendt de koopman zich tot een
andere klant.
Een bediende gaat
Taen voor naar de kasteeltuin, die zich midden in het gebouwencomplex bevindt.
Het is een simpele tuin, met een kleine, klaterende fontein, ontluikende lentebloemen
en enkele bomen, waar vogels af en aan vliegen met takjes voor hun nestjes.
Een houten bankje staat bij de fontein en juist als Taen plaatsneemt, komt een
vrouw aangelopen.
Ze is simpel gekleed en jong van uiterlijk, hoewel de fijne rimpels in haar
ooghoeken een gevorderde leeftijd verraden.
Taen kijkt even in de richting van de vrouw, voordat ze haar blik weer richt
op de grote verscheidenheid aan planten. Een kleine glimlach verschijnt op haar
gezicht wanneer de herinnering van Céline en haar eerste magische drankje
voor haar ziet. De glimlach maakt echter al snel weer plaats voor een droevige
uitdrukking.
De vrouw knikt naar Taen en loopt dan stilzwijgend zachtjes door de tuin, duidelijk
in gedachten verzonken.
Onwillekeurig kijkt Taen steeds weer naar de vrouw. Hoewel de vrouw duidelijk
bezig is met haar eigen dingen, was ze liever alleen geweest in de tuin. Zo
kan ze niet nadenken, de vrouw leidt haar af. Er is iets vreemds aan haar, ondanks
haar simpele uiterlijk straalt ze iets uit...
De vrouw plukt in gedachten een bloem van een struik en ruikt eraan. Een weemoedige
uitdrukking verschijnt op haar gezicht.
De kleedsters
zijn vrolijk aan het babbelen als Céline binnenkomt, maar vallen als
snel stil.
Alle ogen nemen het meisje, dat zich hierdoor wel enigszins ongemakkelijk voelt,
op en als snel begint het gepraat weer.
”Lavendel.”
”'Nee, smaragdgroen.”
”De nieuwe mode zal haar prachtig staan.”
”Nee, de oude snit is beter.”
De drie kleedsters discussiëren niet al te serieus en lijken Céline
compleet te vergeten.
Het meisje weet zich in het begin geen houding te geven, maar besluit al snel
dat het het beste is zich alles gewoon aan te laten meten.
Na een klein uur wordt ze weggestuurd met de mededeling dat de kleedsters alle
benodigde maten hebben en dat de jurken met enkele dagen klaar zullen zijn.
”Nou Morin,
dat ging zo slecht nog niet,” zegt Rodan, “En, wat wilde je nu gaan
doen? Nog even rondkijken op de markt of naar het kasteel terug? Mij maakt het
niets uit…”
”Ik denk dat ik een herberg in de stad wil zoeken,” aarzelt Morin.
“Ik voel me niet thuis op het kasteel.”
”Is goed, zal dan nog even met je meelopen?” biedt Rodan aan.
Morin glimlacht.
”Als je wilt.”
Getweeën lopen ze de markt af, zoekend naar een goede, maar goedkope herberg.
Na wat rondvraag komen ze uiteindelijk terecht bij een kleine taveerne, genaamd
De Dansende Draak.
De herbergier heeft een goede naam in de stad en het gebouw ziet er redelijk
schoon uit. Binnen ruikt het zelfs lékker.
Met een ervarenheid die in schril contrast staat met het geklungel op de markt,
onderhandelt Morin over de prijs en komt tot een redelijke afspraak over overnachting
en eten.
Als hij de herbergier een klein voorschot heeft betaald, wendt de jonge smid
zich tot Rodan.
”Bedankt, voor alles. Wil je nog wat drinken, of ga je weer terug naar
het kasteel?”
”Ik denk dat ik maar weer terug ga naar het kasteel,” antwoordt
Rodan. “Wil je dat ik morgen bij de smid nog met je meega, of denk je
dat je het alleen lukt?”
”Het lukt wel,” glimlacht Morin.
”Nogmaals bedankt. Kom binnenkort maar eens langs in de smidse.”
Rodan belooft binnenkort eens langs te komen, neemt afscheid van Morin en vertrekt
weer richting het kasteel.
Céline
staat beduusd in de gang, de gezelligheid van de kleedsters had haar overdonderd.
Even weet ze niet wat ze moet doen, dan ziet ze Marne nieuwsgierig naar haar
kijken.
”Marne, wil je me naar de Koninklijke bibliotheek wijzen?” Het meisje
knikt en na door veel gangen gelopen te hebben staan ze voor de bibliotheek.
Céline ziet in een oogopslag dat hier meer boeken zijn dan ze ooit heeft
gezien en ze kan niet wachten om er doorheen te gaan bladeren. Ze denkt de plantenafdeling
te zien en wil er al opgetogen naartoe lopen, wanneer ze bedenkt dat dit niet
de reden van haar bezoek is.
Even kijkt ze om zich heen, dan ziet ze haar vader zitten. Marne stuurt ze vriendelijk
weg, waarna ze naar de Graaf toe loopt. Ze weet niet wat ze moet zeggen en gaat
naast hem aan een tafel zitten.
Jaric kijkt op van het boek, zijn gezicht is een uitdrukkingsloos masker, alleen
zijn ogen weerspiegelen zijn twijfels.
Céline zucht en kijkt ongemakkelijk naar haar handen.
”Ik weet dat u dit gesprek niet wilt voeren, maar ik wil het wel. Anders
blijf ik overwegen wat het zou kunnen zijn. Alstublieft...”
”Herinner je je het gesprek dat we hadden voor dit alles begon? Over het
bezoeken van de Wouden?” repliceert de Graaf. Zijn ogen zijn langs zijn
dochter gericht, op een punt in de verte.
Céline knikt. Ze weet het niet meer precies, maar hij had haar verteld
dat ze sowieso naar het Elvenwoud had moeten gaan, ook als de Magiër er
niet was.
”Heb ik je ooit verteld waarom je dat Woud zou moeten bezoeken?”
Weer knikt Céline. “Al generaties lang maakt elke vrouwe van de
Zeven Wouden een reis naar dat Woud, zei u.”
”Dat klopt,” De Graaf lijkt nog steeds in gedachten verzonken.
”Er is een binding, tussen het Elvenwoud en de vrouwen van de Zeven Wouden.
Niemand weet precies hoe het is ontstaan.”
Met haar ogen nog steeds op haar handen gericht vraagt Céline met zachte
stem: “Wat voor binding?”
”Het Elvenwoud roept hen en ze komen altijd wijzer terug, maar misschien
weet jij dat beter dan ik.”
Voor het eerst kijkt Jaric zijn dochter aan.
Tegen haar zin richt Céline haar ogen op Jaric. “Ieder die naar
het Woud ging werd toch wijzer? Ook Taen, en de anderen?”
De Graaf haalt zijn schouders op.
”Wat herinner je je van je moeder?”
Een glimlach speelt om haar mond wanneer ze antwoord. “Ze las elke avond
een verhaaltje voor, telkens mooier dan de vorige. En we speelden, in de zon...
Ze liet me de tuinen zien...” Plotseling dringen andere herinneringen
zich aan haar op, over de aanval van de Magiër. Ze valt stil.
De Graaf ziet haar ongemak.
”Wat is je vroegste herinnering?”
Céline glimlacht. “Dat is lastig te bepalen... Toen ik heel jong
was, was ik een keer gevallen. Mijn knie deed pijn. Zij verbond het en kuste
mijn tranen weg...”
De Graaf glimlacht weemoedig.
”Je was drie, toen dat gebeurde.”
Het meisje kijkt haar vader onderzoekend aan. “Waarom is dat van belang?”
”Je viel niet, althans, dat was niet de belangrijkste reden van je pijn...”
Céline fronst. “Zo herinner ik het me wel,” zegt ze aarzelend.
”Dat weet ik, “ knikt de Graaf. “Dat was ook de bedoeling.”
Even krijgt ze de neiging op te staan en weg te lopen, maar ze beheerst zich.
“Alstublieft vader, vertel me wat er is.”
”De aanvallen van Kolan, op het kasteel, waren niet de eerste, zoals je
weet.”
Céline knikt.
De Graaf haalt diep adem.
”De Zwarte Magiër viel eerder al dorpen aan, de hele bevolking dodend.”
Weer knikt Céline, dit wist ze al. Een ongemakkelijk gevoel bekruipt
haar. Wat wil hij zeggen?
”We kwamen zo vaak te laat, soms maar minuten te laat...”
De Graaf zucht.
”Het enige wat we konden doen was toekijken hoe de dorpelingen stierven...”
Zijn ogen staan triest, dan kijkt hij Céline plots indringend aan.
”Eénmaal waren we niet helemaal te laat. Eénmaal vonden
we een overlevende. Een klein meisje.”
Céline kan Jaric niet in de ogen kijken, ze kijkt snel weer naar haar
handen maar ook daar vindt ze niet de zekerheid die ze zoekt. Dat kan niet waar
zijn... Plotseling haalt ze diep adem en kijkt ze haar vader, haar váder
weer in de ogen. “Dat is niet waar.”
”Hoe graag zou ik je gelijk willen geven, dochter.”
Jaric kijkt haar gepijnigd aan. “Maar...”
”Dóchter!” schreeuwt Céline uit. Ze beseft meteen
waarom de weinige hoofden in de bibliotheek in hun richting draaien en vervolgt
op zachtere toon: “U zegt het zelf. Dochter. Ik ben uw dochter.”
”Ja,” antwoordt de Graaf. ”Dat bén je ook. We hebben
je opgevoed zoals al onze kinderen.”
Langzaam haalt het meisje adem, ze kijkt Jaric niet aan.
De Graaf zwijgt, niet wetend wat te zeggen.
Allerlei vragen komen in Céline omhoog, ze weet niet welke ze moet stellen.
Uiteindelijk kiest ze er een uit. ”U zei dat alle vrouwen van de Zeven
Wouden naar het Elvenwoud geroepen worden. Ik werd ook geroepen...”
”Je bent ook een vrouwe van de Zeven Wouden, Céline. Je afkomst
doet daar niets aan af. Je bent geboren nabij het Elvenwoud en getogen als onze
dochter.”
Langzaam volgt ze met haar vinger een lijn in het hout. ”Dochter van de
Zeven Wouden...”
”We hadden het je moeten vertellen,” de stem van de Graaf klinkt
gebroken.
”Vergeef me...”
Nog steeds blijft ze de lijn volgen, zonder ergens anders naar te kijken. ”U
heeft het nu toch verteld?” Even is ze stil. Dan: ”Dochter van de
Zeven Wouden, zei hij. Hoe bedoelde hij dat? Ik dacht juist dat het betekende
dat ik wél uw dochter was...”
De Graaf kijkt Céline verward aan.
”Het spijt me...”
Céline fronst en kijkt Jaric aan. Ze beseft dat hij erg van streek is
en het valt haar op dat ze er zelf erg kalm onder blijft. ”Wat hadden
jullie dan moeten doen? Me daar laten staan?”
De Graaf lijkt verrast door haar reactie en stamelt een ontkenning.
Met een glimlach staat het meisje op. ”Het maakt niet uit.” De afwezigheid
van emotie verbaast haar niet, aangezien ze zelfs daar onverschillig over is.
Sereen glimlachend loopt ze weg, naar haar kamer, waar ze een studieboek gaat
lezen.
De Graaf kijkt haar in volkomen verwarring na en gaat vervolgens Nerin opzoeken.
Een andere bediende
verschijnt in de tuin en tikt de vrouw op haar schouder. Zacht fluistert hij
haar enkele woorden in en de vrouw kijkt op.
Zonder iets te zeggen, knikt ze. Ze maakt echter geen aanstalten weg te gaan.
Nerins stem bereikt Taen.
De audiëntie begint over enkele minuten, kom je naar de ontvangstzaal?
De audientie?
Eerlijk gezegd ziet Taen weinig in die audientie. Het huwelijk schijnt haar
een stuk minder mooi toe door de verzwegen problemen. Ze zucht. De tuin is veel
te vredig zo, in tegenstelling tot het kille steen van het kasteel. Taen blijft
nog even zitten, zo lang mogelijk de beschikbare tijd rekkend.
Uiteindelijk, na een hoop gezucht, staat ze op en loopt ze richting het kasteel.
Hier zullen de tussenliggende gebeurtenissen komen te staan, maar het editten daarvan kost wat meer tijd dan ik had verwacht! :P
De laatste uren van de middag verstrijken snel in het kasteel.
Om half zeven,
worden Anders, Rodan en een aantal andere jonge vazallen gesommeerd bij Arutha.
Hen wordt daarnaast opgedragen hun galakleding te dragen.
Als Rodan zijn galakleding heeft aangetrokken, gaat hij naar Arutha. Anders
is al aanwezig en verder zijn er nog drie andere vazallen, in leeftijd variërend
van 19 tot ongeveer 25.
Arutha is duidelijk zenuwachtig. Hij ijsbeert door de kamer, maar kijkt op als
Rodan binnenkomt.
”Ah, Rodan, daar ben je. Mooi op tijd.”
Hij neemt Rodan even op.
”Je ziet er netjes uit. Hoe bevallen het apenpak je?”
Bij de laatste woorden grijnst hij; het is duidelijk dat hij niet gesteld is
op de stijve kleding, waarin bewegen maar moeilijk gaat.
Rodan haalt zijn schouders op en grijnst terug. “Ach, het is weer eens
wat anders, hè.”
De kleding zit inderdaad niet zo erg lekker, maar Rodan heeft dat er eigenlijk
wel voor over, want hij verheugt zich erg op deze avond.
Arutha laat een scheve grijns zien.
”Daarin heb je gelijk.”
Hij gebaart dat de vazallen dichterbij moeten komen staan en vertelt dat in
korte bewoordingen dat hij een plan heeft voor de komende avond.
Rodan knikt als Arutha zijn plan verteld heeft. Daarna maakt hij even kort kennis
met de andere vazallen. Ze blijken Maurice, Björn en Marlon te heten. Maurice
en Björn werken al veel jaren op het paleis. Marlon is pas een half jaar
aanwezig, maar is ondertussen ook wel gewend aan dit leven. Geen van allen zijn
ze echt zenuwachtig, iets dat Rodan dus wel is. Op zich begint alles nu wel
een klein beetje te wennen, maar dat hij nu bij dit diner aanwezig mag zijn
bij alle belangrijke gasten is toch wel heel bijzonder.
Even later krijgen de vazallen te horen dat Céline de zaal bijna binnenkomt
en Rodan neemt, net als de andere vazallen, zijn afgesproken plaats in.
Om dezelfde tijd
klopt een bediende op Célines deur. Als het jonge meisje opendoet, ziet
ze dat de vrouw een prachtige, lavendelblauwe jurk in haar armen heeft. 'De
naaisters hebben de afgelopen uren extra hard gewerkt; dit is uw nieuwe jurk.'
De vrouw helpt Céline met het aantrekken. De stof valt soepel om de vormen
van het meisje en past perfect.
Dan steekt ze met vaardige handen het haar van de jonkvrouwe op en maakt Céline
verder klaar voor het diner. Binnen een half uur is ze klaar.
”Wacht hier, u zult worden opgehaald,” zijn haar enige woorden voor
ze de deur weer uitgaat.
Beduusd staat Céline voor de deur waardoor de bediende zojuist vertrokken
is. Ze voelt hoe goed de jurk zit en afwezig pakt ze een stukje perkament, waarop
ze de woorden 'Complimenten aan de naaisters' krabbelt. Ze weet dat ze er vanavond
geen kans voor krijgt en hoopt er op deze manier later aan te denken. Het boek
over koninginnen heeft haar geïnspireerd en hoewel ze het gevoel heeft
dat dit een toneelstuk is, begint ze steeds meer in haar rol van koningin te
komen. Toch beseft ze nog niet ten volle dat ze over een tijd écht koningin
wordt, het voelt alsof het zo meteen afgelopen is en ze verder kan gaan met
haar rustige leventje. Desondanks neemt ze een houding aan die bij haar nieuwe
status past, zoals haar al jaren geleerd is te doen, en wacht ze geduldig tot
iemand haar op komt halen.
Na enige tijd wordt opnieuw op de deur geklopt. Dit maal staat de Graaf voor
Célines kamer.
”Ben je zover? Je ziet er prachtig uit.”
Céline kijkt haar vader even afwezig dan en bedankt hem dan zoals het
hoort voor het complimentje. Zonder verder nog iets te zeggen wil ze aan zijn
arm naar de eetzaal lopen.
De Graaf houdt zijn dochter tegen.
”Nog een moment, ik heb iets voor je.”
Hij haalt iets uit zijn zak en laat het aan Céline zien. Het is een armbandje,
gemaakt van dun gevlochten zilver. In het midden bungelt een kleine hanger,
in de vorm van een traan. Het is onduidelijk of de hanger gemaakt is van glas
of van diamant, maar voor het geheel maakt dit ook niets uit: de charme van
het sieraad is juist de simpelheid.
”Ik wilde je iets geven, voor vanavond. Een ketting heb je al,”
hij gebaart naar Célines hals waar de eenhoorn glinstert, “en toen
ik nadacht wat ik je anders kon geven, herinnerde ik me deze armband.”
Even aarzelt hij, dan voegt hij toe:
”Hij was van je moeder.”
Het blijft een tijdlang stil in de kamer, omdat Céline niet reageert.
Jaric kijkt haar bezorgd aan.
”Gaat het wel, je bent zo stil?”
Even kijkt Céline nog naar de armband die ze in haar handen houdt, dan
richt ze haar ogen op haar vader.
”Er is niks. Hij is prachtig...” Ze steekt haar arm uit en terwijl
haar vader het sieraad vastmaakt knippert ze heftig met haar ogen om de tranen
die daar ontstaan zijn weg te krijgen. Wanneer hij klaar is doet ze alsof ze
niest, waarna ze snel over haar ogen wrijft. Ze krijgt wel vaker kleine tranen
in haar ogen wanneer ze niest door de druk, dus ze hoopt dat de Graaf er niets
van zal denken.
Ze bezichtigt bewonderend de armband, die haar als gegoten zit en herhaalt:
“Hij is echt prachtig. Bedankt.” Glimlachend gaat ze op haar tenen
staan en geeft haar vader een kus op zijn wang.
Jaric glimlacht en biedt Céline dan een arm.
”Kom, ik breng je naar de eetzaal.”
De gasten die vanuit de Zeven Wouden zijn gekomen, samen met de verzamelde edelen op het kasteel, worden door bedienden naar de eetzaal gebracht. Keyra merkt dat haar hart luid bonst, als ze hand in hand met Rana naar de eetzaal loopt. Ze beseft dat vanavond een belangrijke avond zal zijn voor Céline - en ze hoopt dat Arutha naar haar smeekbede van de vorige avond heeft geluisterd.
Een paar minuten
later arriveren Céline en de Graaf bij de eetzaal. Arutha glundert als
hij Céline ziet en grijnst naar haar, terwijl hij Rodan een knikje geeft.
Zodra Rodan Arutha's gebaar ziet, gaat hij samen met de andere vazallen als
een erewacht klaarstaan om Céline te ontvangen met een zwaardenboog.
Céline is verrast wanneer er opeens voor haar een zwaardenboog gevormd
wordt. Ze kijkt naar haar vader en ziet dan dat Rodan ook tussen de vazallen
staat. Met een glimlach knikt ze hem toe, dan loopt ze onder de boog door.
De glunderende lach van Arutha ontgaat haar niet en ze beantwoordt hem met een
even stralende lach. Ze stapt, nog steeds aan de arm van haar vader, de verhoging
op en gaat dan naast de kroonprins zitten.
Rodan voelt zich
een beetje opgelucht en minder gespannen als Céline naar hem knikt. Hij
blijft netjes in zijn houding staan en kijkt afwachtend naar de andere vazallen
en Arutha, wat hij nu moet doen.
Even kijkt hij langs de lange rijen met tafels. Er zijn al veel gasten aanwezig
en ze lijken zich allemaal wel te vermaken. Het zal waarschijnlijk niet lang
meer duren tot het eten opgediend wordt. Wat Rodan betreft mag dat ook wel snel
gebeuren, want hij heeft sinds het ontbijt eigenlijk niets meer gegeten en van
dat zwaardvechten heeft hij wel honger gekregen.
Rodan heeft zijn gedachte nog niet afgemaakt, of de eerste bedienden komen binnen.
Allen dragen grote schalen waar de damp vanaf komt. Het ruikt heerlijk en het
is het voorgerecht pas!
Céline wordt als eerste bediend, daarna Arutha en vervolgens de andere
gasten. Anders stoot Rodan aan. "Eet smakelijk hè!"
"Ja jij ook, maar dat zal wel lukken als ik zo kijk naar wat er nu gebracht
wordt," antwoord Rodan die een bord hete aspergesoep voorgezet krijgt.
Hij bedankt het meisje dat de soep brengt vriendelijk en snuift de geur op.
Hij neemt voorzichtig een hap van zijn soep en zegt tegen Anders: "Goh,
eigenlijk gek dat ik hier nu zit. Een paar maanden geleden had ik die soep juist
gebracht naar de gasten en nu ben ik een van die gasten."
"Wat kan er in korte tijd toch veel gebeuren," grijnst Anders, half-serieus.
"Dat zeker," reageert Marlon, "een halfjaartje geleden was ik
nog een soldaat en nu zit ik hier aan een koninklijk verlovingsdiner!"
Rodan kijkt nieuwsgierig naar Marlon: "Was je soldaat?"
"Ja, maar ik," Marlon lijkt iets te willen vertellen, maar hij werpt
een blik op Maurice en Björn en bedenkt zich.
Rodan ziet een brede grijns om de mond van Maurice komen en zoekt naar een vraag
om het onderwerp te veranderen. Als de nieuwe gerechten worden gebracht, richt
hij zich op Maurice en Björn: "En wat hebben jullie gedaan voordat
jullie vazal werden?"
Maurice haalt zijn schouders op. "Niet veel bijzonders, eigenlijk ben ik
al sinds dat ik jong was de hele tijd opgeleid als vazal, hetzelfde geldt voor
Björn trouwens."
Na een tijdje is het groepje vazallen helemaal in gesprek over ieders geschiedenis.
Keyra kijkt met
grote ogen van verbazing naar de rijke dis. Wat een eten, wat een weelde! In
stilte bedankt ze de Godin. Dan legt ze even haar rechterhand op Rana's linkerbovenbeen.
"Laat het je smaken, lieverd," fluistert ze de nar in het oor, "je
hebt het verdiend."
Vol liefde kust ze Rana op haar linkerwang voor ze begint te eten.
Verward staart Rana naar haar bord. Keyra raakte haar net zo liefdevol aan,
dat ze ergens bijna een spoortje schaamte voelde over haar leugens. Bijna begon
ze zich schuldig te voelen om wat ze haar vriendin had aangedaan. Bíjna.
Dan zucht ze, vrijwel onhoorbaar. Er is geen plek voor schuldgevoel in mij,
houdt ze zichzelf voor. Ik leef mijn eigen leven, en laat me niet leiden door
schuldgevoel. Terwijl ze deze woorden steeds herhaalt in haar hoofd voelt ze
hoe ze zich steeds beter begint te voelen en uiteindelijk alle nare gedachten
van zich af heeft geschud.
Wanneer ze plots een hand voor haar gezichtsveld ziet zwaaien beseft ze dat
ze wel een erg lange stilte heeft laten vallen. Keyra kijkt haar, al etend,
enigszins bezorgd aan.
"Jhe mwoet he éch evuh pwoefen! Vewwukkelijk!" Zegt de prietseres,
terwijl ze tracht haar eten door te slikken. Rana glimlacht en legt dan op haar
buurt haar hand op Keyra's been. Met een knipoog zegt ze: "Slik de volgende
keer je voedsel eerst even door, mijn vrouwe, zo kom je namelijk niet echt op
je aantrekkelijkst over...."
Keyra giechelt en slikt dan haar eten door.
"Weet je, Rana," zegt ze met zachte stem, "Ik ben zo blij dat
ik je heb leren kennen. Je hebt me geleerd wat de Werken van de Godin wérkelijk
betekenen. Dank je wel.
"En," voegt ze daar aan toe, "ik voel me af en toe weer als een
klein meisje. Ik hou van je." En liefdevol streelt ze de nar door heur
haar.
Rana grinnikt bij de woorden van Keyra. Keyra voelde zich net 'een klein meisje'.
Rana vond het grappig om te horen welke invloed ze op mensen kon hebben. Welke
invloed ze op mensen hád. Het gaf haar een gevoel van macht. Het spelen
met de gevoelens van anderen gaf haar het gevoel dat ze haar eigen gevoelens
en herinneringen onder controle kan hebben. Maar toch wist ze nog niet goed
wat ze met die Gyonval aan moest. Haar hart sloeg een slag over bij de gedachte
aan hem. Gyonval, zelfs zijn naam was mooi. Gyonval. Een sterke man. Een knappe
man. Een aardige man. En een goede minnaar. Ja, en dat zou hij blijven. Een
minnaar.
Met een glimlach op haar gezicht kijkt ze in Keyra's grijsgroene ogen.
"Ik houd ook van jou, mijn beminde Keyra, hoe kan ik anders?" Om haar
leugen nog wat kracht bij te zetten drukt ze een kus om de rode lippen van de
priesteres. "Oh, en vergeef het me dat ik nog niet helemaal wakker ben,
deze ochtend. Ik heb nogal slecht geslapen." Met twinkelende oogjes kijkt
ze de vrouw aan die zegt zo veel van haar te houden. Keyra lijkt te vallen voor
haar leugens en verdiept zich weer in haar eten.
Arutha kijkt Céline
grijnzend aan, zijn mond vol zalmmousse. "Smaakt het?" is het enige
wat hij weet uit te brengen zonder de etiquette al te zeer geweld aan te doen.
De volgende gang wordt op dat moment geserveerd en de oude borden worden bij
de gasten weggehaald.
Céline moet glimlachen als Arutha bijna zalmmousse over de hele tafel
verspreid. "Het smaakt prima!" zegt ze opgewekt. De avond doet haar
goed, doordat het huwelijk is uitgesteld heeft ze een veel minder gespannen
gevoel. "Vooral de forel is heerlijk, heb je die al geprobeerd?" Op
dat moment wordt de vis weggehaald, het meisje kijkt ze beteuterd na.
"Jammer, ik had nog wel een stukje ge-" Voor ze de zin kan afmaken
verschijnen er schalen vol vlees, allerlei soorten. De geuren die opstijgen
zijn niet te versmaden en Céline besluit haar zin niet meer af te maken.
"Dat ruikt goed zeg!"
"Ik denk dat het zelfs nog beter smaakt!" Arutha zet zijn tanden in
een stuk wildebraad. "Smakelijk!"
Wederom kijkt Céline vrolijk toe hoe de kroonprins, een jongen eigenlijk
nog maar, zich vol overgave stort op het voedsel. Zelf pakt ze niet veel vlees,
maar des te meer champignonsaus, die ze met smaak opeet. "Ik moet zeggen,
aan de keuken hier kan ik wel wennen!" grapt ze. "Niet dat het thuis
geen goed eten is," voegt ze er snel aan toe, "daar is het ook heerlijk!
Maar hier absoluut ook!"
Jaric kijkt op.
"Het is hier inderdaad heerlijk, hoogheid."
Arutha glimlacht. Dan kijkt opnieuw naar Céline.
"Lijkt het je geen tijd voor wat vermaak? Ik heb het zusje van Anders gevraagd
deze maaltijd op te luisteren met haar zang. Ze is soms wat dromerig, maar ze
heeft een mooie stem, je zult er van genieten!"
Hij verheft zijn stem en zegt: "Dames en heren, tijd voor muziek!"
---------------------------
Terwijl Romalde
naar voren komt, buigt Jaric zich naar Céline.
"Na deze gang zal ik me moeten excuseren. Ik wil morgen vroeg vertrekken.
Je vindt het niet erg toch?"
Anders stoot Rodan aan.
"Let op, dat is mijn zusje, ze gaat zingen!"
Na de woorden van Arutha zijn de gasten langzaam stil geworden. Bedienden hebben
de laatste lege schalen weggeruimd en de nieuwe gang opgediend en vatten post
aan de zijkanten van de zaal, om drinken bij te schenken mocht dat nodig zijn.
Midden tussen de tafels is een jong meisje komen te staan. Ze is een jaar of
vijftien en is eenvoudig gekleed, maar toch weet ze de aandacht van alle aanwezigen
te trekken.
Iedereen wacht tot ze begint met zingen.
Romalde schraapt zachtjes haar keel, en begint een lied.
”Edwinem reed met noorderwind,
Van zijn landgoed Forèstèrre.
Met aan zijn arm het Witte Schild,
Zo reed hij, hij kwam van verre.
Zijn har was nog
in Forèstèrre,
Bij het bos en aan de zee.
Maar hij reed met noorderwind,
En verliet zijn eigen stee.
Edwinem reed met
noorderwind,
Naar de bergen in het zuiden.
En als hij langs een toren kwam,
Begon daarvan de klok te luiden.
"Hier komt
de heer van Forèstèrre,
Bij het bos en aan de zee!
Rijdt met regen van het westen,
Met de wind van 't noorden mee."
"Gegroet
Edwinem ridder hoog!
In u ligt ons goed vertrouwen.
Uw roem straalt als de regenboog,
Gij zijt gezonden door Unauwen.
Gij reed weg van
Forèstèrre,
Bij het bos en aan de zee.
Op nachtwind met noorderwind,
Om de hoeden hier de vree."
Daarna volgde nog een paar andere coupletten.
Romalde stapt na het lied stilletjes van de tafel en begint op haar fluit de
melodie te herhalen, om de mensen die aan tafel zitten te vermaken.
Zodra het meisje ophoudt met zingen begint Céline te applaudiseren. Ondertussen
lacht ze naar Arutha en zegt ze: "Dat was echt prachtig... Werkt ze hier
als muzikant?"
Ze ziet hoe de nieuwe gang opgediend wordt. Het dessert, want daar is het alweer
tijd voor, is prachtig en ziet er heerlijk uit. Nadat het applaus wegsterft
snijdt ze een stuk ijstaart af en biedt ze ook Arutha een stuk aan.
"Altijd," grijnst Arutha, terwijl hij zijn bord aan Céline
geeft.
Romalde kan haar grijns niet verbergen en fluit een paar tonen mis. Niemand
lijkt het te merken. Ze wil vrolijk een ander deuntje inzetten, maar besluit
dan om weer te gaan zingen. Ze rent de hal in en grist een krukje weg, waarna
ze die naast de openhaard in de eetzaal zet en er op klimt. Het liedje wat ze
zingt is puur gebaseerd op klanken, en moeilijk te verstaan. Het gaat ongeveer
zo:
”Ooh-o-lé-lé
Ooh-o-lé-lé
A-masa-masa-masa
A-masa-masa-masa
A-riki-tiki-tumba
A-riki-tiki-tumba
A-futschi-futschi-ama
A-futschi-futschi-ama
Ooh-o-lé-balu-ah-blalu-e
Ooh-o-lé-balu-ah-blalu-e”
Een vaag, maar vrolijk nummer.
Rodan luistert aandachtig als het meisje zingt en vergeet bijna te applaudiseren.
"Wow, dat is echt mooi," zegt hij tegen Anders tussen het applaus
door, "jij hebt echt een bijzonder zusje."
Even kijkt hij zwijgend naar de jonge zangeres en richt zich daarna weer grijnzend
tot zijn vriend. "Sorry hoor, maar ik heb nog nooit iemand zo mooi horen
zingen. Maarja, dat is op zich ook wel logisch, want de laatste die ik heb horen
zingen was de troubadour Meridas." Even valt Rodan weer stil en hij denkt
aan de tijden dat de troubadour nog op het kasteel langs kwam. Daarna haalt
hij zijn schouders op en neemt een groot stuk ijstaart.
Romalde kijkt tijdens het zingen eventjes richting de man die met haar broer
zit te kletsen. Hij was een van de meest entousiaste applaudiseerders. De man
heeft bruin haar, en het lijkt of het licht van het vuur uit de openhaard alleen
met zíjn haar speelt. De man heeft wel iets, besluit ze.
Enigszins jaloers staart Rana naar het kleine meisje dat van tussen de tafels
haar prachtige stem laat horen. Nu Rana het meisje hoort zingen begint haar
jong narrenhart luid te kloppen. Vermaak! Kunst! Plotseling heeft ze zelf ook
enorm veel zin om weer voor de mensen te staan. Om anderen weer te vermaken.
Om alle ogen op je gericht te zien. Plots staat ze op, schuift de etenswaren
die op de tafel voor haar staan aan de kant, en sprint erop. Nog snel pakt ze
even drie appels van de rijk gevulde fruitschaal af. Ze ziet vanuit haar ooghoek
nog hoe Keyra haar met een verbaasde glimlach aankijkt. "Tijd om weer mezelf
te zijn! Tijd om nár te zijn" fluistert ze glimlachend richting
de vrouw. En spontaan begint ze, al dansend, met de appels te jongleren.
Zodra er een vrouw op de tafel springt, is Romalde even uit haar doen. Dit was
háár act! Maar dan, om niet voor jan-joker te hoeven staan, neemt
ze het ritme van het jongleren van de vrouw over, en begint een begeleidend
liedje te zingen.
Romalde merkt langzaam maar zeker dat haar stem steeds meer naar boven uitschiet.
Ze excuseert zich tegen de luisterende mensen, en gaat op de enige lege stoel
die ze ziet zitten. (Naast Rodan). "Hoi," Zegt ze, een beetje verlegen.
"Dit was de enige vrije stoel, en mijn stem schiet te veel over om nog
verder te zingen." Dan gaat ze naar haar bord zitten staren, met niets
om aan te denken, behalve het haar van de man wiens naam ze nog niet kent.
---------------------------
In Kyrdath
is het eerste dat Ero opvalt een enorm gebouw dat bijna op een kasteel lijkt.
Terwijl hij naar de hoge torens blijft staren die ver boven de stad uitsteken
loopt hij richting het stadshart. Als hij voor het gebouw staat komt er uit
een zaal vrolijk gezang en geklap. Hij aarzelt even, maar springt dan omhoog,
in de hoop iets te kunnen zien. Inderdaad kan hij zo een paar blikken naar binnen
werpen, maar het raam is hoog en echt blijven kijken lukt niet. Hij ziet een
vrouw die gaat zitten en naar beneden kijkt. Naast haar zit een man met bruin
haar te kletsen met een rijk uitziende man. "Wow..." Fluistert hij,
iets harder dat hij had gewild. Gevolg is dat een wachter hem opmerkt en grijnzend
zijn verrichtingen volgt.
Romalde kijkt opzij, weg van de man die naast haar zit, en in haar ooghoek ziet
ze een man door het raam kijken. Ze zwaait even, en besluit dan dat het een
goed excuus is om op te staan. Ze loopt naar de hal, en gaat naar buiten. Tegen
de wachters zegt ze dat ze even frisse lucht wil happen, wat eigenlijk ook wel
zo is. Ze rent naar het raam waar de man voor stond. Gelukkig staat hij er nog.
"Hey! Jij daar!" Ze rent naar de man. "Ik zag je kijken! Hoe
heet je?"
Ero ziet de jonge vrouw naar hem zwaaien en zwaait even terug. Als ze opstaat
blijft hij als verlamt naar binnen kijken. De kamer is zo groot! Dan hoort hij
naderende voetstappen en wil weglopen, maar te laat. "Hey! Jij daar!"
Stik! "Ik zag je kijken! Hoe heet je?" Als hij zich omdraait ziet
hij dat het de vrouw van binnen is. Het had erger gekunt. "Hoi..."
Stamelt hij, een beetje verlegen omdat hij nu met iemand praat waarvan hij zeker
weet dat ze van een hoge stand is. Gewoon omdat ze in die eetzaal zat. "Ik
heet Ero..." Hij voelt het bloed langzaam naar zijn hoofd stijgen. "Leuk
kennis te maken." Hakkelt hij er achteraan.
Romalde giechelt even als ze de man hoort stuntelen. Ze weet zeker dat hij ouder
is als zij, dus waar hij problemen mee heeft weet ze niet. "Ik ben Romalde,
het kleine zusje van Anders, een vazal van de kroonprins. Noem me maar Roma."
Roma?!? Hoe kom ik daar nou weer op? Naja, het klinkt wel aardig... "Kom
je mee een eindje lopen? Ik heb het toch niet zo op die drukte daar binnen.
En bovendien, niemand heeft mijn stem nu nodig. Er is iemand aan het jongleren
met appels..." Ze grijpt de man bij zijn arm en sleurt hem de paleistuin
in.
Niemand heeft haar stem nu nog nodig? Voordat hij hier lang aan kan denken,
wordt hij meegesleurd. Even wil hij zich verzetten, omdat de greep zo stevig
is alsof hij van een wachter is, maar als hij merkt dat het Roma is, struikelt
hij eerst, maar weet op zijn voeten te blijven. "Hoezo heeft men jouw stem
dan nodig? Ik bedoel, hij is aangenaam om naar te luisteren hoor, maar hoezo
moeten de mensen je horen praten?" Dat had wel wat beter geformuleerd mogen
worden Ero!
Anders grinnikt
als hij zijn zusje ziet vertrekken.
"Ze zit nooit stil." Dan kijkt hij Rodan aan. Zijn ogen twinkelen.
"Ik zou maar oppassen, als ik jou was. Volgens mij heeft ze een oogje op
je."
De Graaf heeft zijn fruit op en terwijl de hele zaal nog in de ban van Rana's
jongleerkunst is, neemt hij zachtjes afscheid van Céline.
"Tot morgen."
De twee in de
paleistuin worden gadegeslagen, maar ongemerkt, want ze hebben enkel oog voor
elkaar.
Dan komt een wacht op hen af lopen.
"Ik moet jullie vriendelijk verzoeken de tuin te verlaten. Na zonsondergang
mag niemand, behalve de koninklijke familie, hier komen."
Hij gebaart vaag naar de lucht en Romalde ziet dat het ondertussen donker is
geworden. Blijkbaar was de tijd sneller gegaan dan ze had gemerkt, onder het
diner.
Romalde kreunt. "Sorry Ero, maar ik moet weer naar binnen, tenzij... Wacht
voor de deur, ik ben zo terug." Dan sprint ze naar binnen. Ze kijkt haastig
de zaal door op zoek naar haar broer. Als ze hem ziet loopt ze zo rustig mogelijk
op hem af. "Pssst, Anders." Ze wacht even op een reactie. "Ik
heb een man ontmoet, en umm, nou, ik moet weer naar binnen, zou jij een goed
woordje voor me bij de wachters kunnen doen om die man binnen te laten? Ik heb
nog nooit iets van je gevraagd... Ahum... maar wil je dat doen?" Ze zet
grote ogen op en een kleine pruillip. In haar ogen ziet ze de man die haar eerder
die dag al is opgevallen zitten, en ze bloost even, maar valt weer snel in haar
rol.
Ero, die natuurlijk helemaal niet doet wat Roma zegt, gaat een stukje naar binnen.
Hij ziet Roma smeken om iets bij een man die haar broer zou kunnen zijn. Ze
lijken op elkaar kwa mimiek. Hij wil niet dat iemand hem kan zien in de deuropening,
dus gaat hij al snel, hoewel niet helemaal tevreden over wat hij te weten is
gekomen, weer buiten de zaal staan.
Anders kijkt zijn zusje aan en schudt dan zijn hoofd.
"Sorry, dat kan ik niet doen. Je weet dat de koningin 's avonds graag alleen
in de tuin is."
"Ja maar, kan hij niet binnen komen?" Vraagt ze, nog smekender en
ze buigt zo ver door dat haar knieën bijna de grond raken, maar haar hoofd
nog steeds omhoog. "Alsjeblieft?"
"Als je denkt dat het vertrouwt is, zeg dan maar dat je mijn toestemming
hebt." Anders haalt zijn schouders op. "Hij kan vast wel een plekje
bij de bedienden krijgen."
Rodan kijkt
verbaasd van Anders naar Romalde. Zou ze hem leuk vinden? Op dit moment lijkt
ze zo geobsedeerd door de man die buiten staat, dat hij het betwijfeld. Misschien
dat ze gewoon zo op iedereen reageert. Aan de andere kant, het is wel een leuk
meisje, ze heeft wel iets aparts…
Romalde maakt
een sprongetje in de lucht van blijdschap, en valt bijna om zodra ze weer op
haar voeten terecht komt. Nu alleen nog maar hopen dat Ero bij de bedienden
wil. Heeft ze eindelijk iemand van haar leeftijd in de groep. Dan valt haar
oog weer op de man die eerst met haar broer zat te kletsen. Hopelijk vat hij
dit niet verkeerd op, denkt ze. Ze beseft dat ze hem écht leuk vind.
Maar nu eerst Ero. Ze geeft Anders een zoen op zijn wang, en rent weer naar
de deur.
"Ero! Ero!" Gilt ze, als ze hem ziet zitten. "Je mag hier komen
werken!" Zegt ze dan, met een enorme glimlach. "Als je dat tenminste
wil."
Céline
wenst haar vader een goede nachtrust en kijkt hem glimlachend na.
"Misschien kan ik hier toch wel wennen..." fluistert ze voor zich
uit. Ze realiseert zich opeens dat ze het zei in plaats van dacht en kijkt bezorgd
naar Arutha. Gelukkig lijkt hij het niet opgemerkt te hebben, hij kijkt geïnteresseerd
naar het meisje dat zonet nog stond te zingen. Céline kijkt nu ook en
ziet dat het een erg levendig meisje is.
"Zo, die is enthousiast," zegt ze lachend. "Ik vraag me af wat
die jongen voor haar gedaan heeft dat ze zo blij is... Zijn ze familie? Ze lijken
op elkaar."
Arutha glimlacht. "Dat is Anders, haar broer. En wat hij gedaan heeft...
De Godin mag het weten!"
Ero springt bijna
een gat in de lucht als hij hoort dat hij binnen mag komen. "Natuurlijk
wil ik hier werken!" Dan glimlacht hij. "Wat moet ik doen dan?"
"Umm... Je moet bij de bedienden werken. Vind je dat erg?"
Ero lacht zo mogelijk nog breder. "Stel je niet aan mens! Natuurlijk niet!
Het is een baan!" Dan is hij even stil. "En zo ben ik dicht bij jou."
Romalde schrikt even op. "Oh..." Is het enige dat ze uit kan brengen.
"Ehm... Ero?" Zegt ze dan stilletjes. "Voor dat hier misverstanden
ontstaan..." Ze is bijna bang om verder te gaan. Had ze hem dát
idee gegeven? "Ik ben al verliefd. Het is niet zo dat we iets hebben ofzo,
maar-" Ze wil niet verder praten. "Ik wijs je de weg naar je vertrekken.
Als je een plekje hebt, moet je je melden bij de chef in de keuken." Dan
draait ze zich om, en hoopt dat Ero achter haar aan loopt.
Rodan glimlacht
naar Anders. "Nou ik zie wat je bedoelt, ze zit inderdaad nooit stil. Wel
aardig van haar, dat ze die jongen die ze nog maar net kent gelijk hier binnenlaat."
Anders slikt even als hij Romalde tegen de jongen hoor schreeuwen dat hij in
het kasteel mag werken, dat had hij niet bedoeld! Maar aan de andere kant, het
zou vast wel goed zijn...
Dan schudt hij zijn hoofd en antwoordt Rodan: "Ja, zo is ze altijd geweest.
Vroeger nam ze ook telkens zwerfdieren mee naar huis. Mijn moeder werd er gek
van!"
"Dat kan ik me voorstellen," Rodan glimlacht, "hoe oud is ze
eigenlijk?"
"Zeventien," antwoordt Anders, "maar soms denk ik dat ze eigenlijk
jonger is." Hij grijnst en knipoogt. "Nou ja, wel vaak eigenlijk."
In een langzame
pas loopt ze naar de keuken. Als ze de Chef ziet spreekt ze hem snel aan. "Meneer?
Dit is Ero, hij zou hier komen werken."
Ero krijgt het opeens benauwd als hij de Chef ziet. Hij kijkt van Roma naar
de Chef, naar de deur, die niet zo ver achter hem ligt. Dan maakt hij een besluit
en rent weg. Uit het kasteel, uit Kyrdath.
Ondanks zijn enige droom om Kyrdath te bekijken, heeft hij het nu wel gezien.
"Wie heeft dat nu weer bedacht," mompelt de Chefkok. Hij is hét
schoolvoorbeeld van een goede kok: groot, stevig, immer in de weer met eten
en altijd lachend of zingend. Ook nu wil hij al goedmoedig toegeven aan Romalde;
hij is gewend aan de streken van het meisje, maar dan rent Ero weg. De Chef
haalt zijn schouders op. "Dan niet."
Hij pakt zijn koksmes weer op en gaat verder met het hakken van wortels.
Romalde kijkt op als Ero wegrent. Ze vind hem maar een rare vlegel. Die zien
we wel weer terug. Denkt ze. Verliefde jongens komen altijd terug. Dan mompelt
ze een excuus tegen de Chef, waarna ze zich omdraait en weg wil lopen. Op het
laatst gaat er een lichtje in haar hoofd branden, draait ze zich om, en trekt
de muts van de Chef over zijn hooft. "Een prettige middag nog." Zegt
ze. Waarna ze zich richting de eetzaal begeeft.
Dan gaat ze weer zitten. Niet goed wetend wat ze nu moet doen. Zonder Ero is
het eigenlijk toch best wel saai. Als gevolg van ernsitge verveling kijkt ze
dan rond om zich heen, totdat haar ogen blijven rusten op de man die naast haar
zit. Nu er nog achter komen wat ze met hem aanmoet.
Anders ziet Romalde
alleen terugkomen en fronst even. Dan begint hij langzaam te grijnzen en als
het meisje zit, stoot hij Rodan zacht aan. Vervolgens stelt hij de twee aan
elkaar voor.
"Romalde, dit is Rodan, Rodan, dit is Romalde."
Romalde kan haar broer wel aanvliegen! Nou moet ze ook nog tegen de man praten!
"Hoi..." Zegt ze verlegen, met een kop als een biet. Niet wetend wat
ze verder moet zeggen, zegt ze "Het was mooi weer hè, vandaag..."
Rodan glimlacht naar haar. "Ja, het was best wel mooi weer vandaag. Daarom
heb ik ook bijna de hele dag buiten rondgehangen met je broer. Getraind in zwaardvechten
enzo. En, wat heb jij gedaan?"
Romalde bezwijkt bijna als hij begint te glimlachen... "Umm... Ik... Eh..."
Hakkelt ze. "Ik heb vandaag opgetreden... Maar dat wist je al... Ik..."
Dan doet ze haar mond dicht voordat ze nog meer rare dingen gaat zeggen. Ze
probeert terug te glimlachen, maar het voelt een beetje gemaakt...
"Ja, ik vind dat je echt een geweldige stem hebt," zegt Rodan en tegelijkertijd
krijgt hij spijt dat hij dit heeft gezegd, want nu lijkt ze zich nog minder
op haar gemak te voelen. Om op een luchtiger onderwerp over te gaan zegt hij
daarom maar: "Maar doe je dat dan ook overdag, optreden, of doe je dan
andere dingen?"
Anders grinnikt en wendt zich dan tot zijn gesprekspartner aan zijn andere zijde,
zo Rodan en Romalde 'alleen' latend.
Romalde straalt als Rodan een complimentje maakt over haar stem. Als ze dan
de vraag hoort, beantwoord ze die snel, met een voor haar gevoel normale stem.
"Overdag probeer ik de gasten hier zo veel mogelijk te vermaken. Dan zing
ik wat, en als ik niet zing, loop ik ergens rond om liedjes te schrijven."
Ze luistert met een half oor tevreden naar wat ze zegt. "Wat doe jij eigenlijk
zo op een normale dag?"
"Nou," begint Rodan, "als ik wakker wordt moet ik me eerst gaan
melden bij Arutha. Die verteld dan wat ik moet gaan doen en als ik vrije tijd
heb dan kijk ik wat rond in de stad, of zoals vandaag, ga ik oefenen in het
zwaardvechten."
Romalde grijnst. "Oef hoor! Dat klinkt wel érg actief." Ze
is blij dat ze nu een normaal gesprek met Rodan kan voeren, en zich op haar
gemak voelt bij hem. "Misschien kom ik je wel een keer aanmoedigen."
"Dat lijkt me leuk," zegt Rodan en laat even een pauze vallen waarin
hij bij zichzelf opmerkt dat hij het meisje naast hem toch wel erg leuk blijkt
te vinden. Ze is gewoon.. heel anders dan de andere meisjes die hij tot nu toe
had gezien, ze heeft iets aparts. "Maar.. je vertelde dat je zelf allemaal
liedjes schrijft? Dat is wel bijzonder, er zijn ook veel zangers die enkel de
bekende liederen zingen."
Romalde grinnikt. "Ik weet het." Lacht ze. "Maar mijn droom is
eigenlijk dat speelmannen en andere mensen misschien ooit mijn liedjes zullen
zingen." Dan versomberen haar ogen. "Ik heb eigenlijk de laatste tijd
niet veel zin meer in het schrijven van liedjes. Ik heb geen leuke dingen meer
om over te schrijven." Dan zucht ze. "Laat ook maar..." Mompelt
ze er zachtjes achteraan.
Rodan verbaast zich over de plotselinge omslag van emotie in Romalde. "Waarom
heb je geen leuke dingen meer om te schrijven? Wat is er dan?" vraagt de
jonge vazal bezorgd en legt zijn hand zachtjes op haar arm.
Romalde kijkt even op bij de aanraking. "Ik weet het niet zo goed."
Zegt ze dan. "De laatste tijd heb ik geen... ik weet niet... inspiratie
meer." Ze legt haar eigen hand boven op die van Rodan, om hém weer
gerust te stellen. Hij kijkt erg bezorgd. "Het is vast niets. Misschien
moet ik gewoon weer probéren om weer liedjes te schrijven."
Rodan zijn hart maakt een sprongetje als Romalde haar hand weer op die van hem
legt en hij glimlacht. "Ik weet natuurlijk niet veel van zingen en liedjes
schrijven enzo. Maar pak je het misschien niet verkeerd aan? Als je enkel bezig
bent om anderen te vermaken, dan lijkt mij dat je niet zoveel tijd meer voor
jezelf hebt. Misschien dat als je een tijdje wat rust neemt dat je weer wat
meer inspiratie terug krijgt?"
"Misschien." Zegt Romalde tegen de glimlachende man voor haar. "Ik
heb weer een nieuw liedje geprobeerd te maken, en ik heb alleen het begin, maar...
wil je het horen?"
"Graag," zegt Rodan en hij kijkt haar nieuwsgierig aan.
Romalde schraapt haar keel, en zet het liedje in.
"Na een lange tijd
heb ik het gevoel
dat alles weer goed zal komen,
Na een lange tijd
is het waarheid geworden
al mijn dromen.
Na een lange tijd
kan ik heel de wereld aan,
Na een lange tijd
weet ik precies naar wie
ik met mijn problemen toe kan gaan.
Na een lange tijd
weet ik wie mijn
echte vrienden zijn,
Na een lange tijd
voel ik me niet meer zo klein. "
Verwachtingsvol kijkt ze naar Rodan. "En?" Vraagt ze dan.
Rodan geniet van de klanken en luistert aandachtig naar haar woorden. "Geweldig,
adembenemend," zegt hij oprecht, even vraagt hij zich af wat voor problemen
ze dan allemaal had gehad, maar hij vindt het eigenlijk te persoonlijk om dat
nu al te vragen. "Echt mooi," zegt hij nogmaals en hij onderdrukt
een geeuw, "Ik wil niet onbeleefd zijn, maar ik denk dat het verstandig
is om nu richting bed te gaan, want ik moet morgen weer vroeg op. Ik weet niet
of dat bij jou ook zo is, maar anders krijg ik dadelijk nog klachten van Arutha."
Romalde giechelt bij de complimentjes die Rodan haar geeft, en die zooooo serieus
klinken. Dan hoort ze hem praten over naar bed gaan, en knikt instemmend. "Je
hebt gelijk." Dan voelt ze pas hoe moe ze is, en ze onderdrukt een gaap.
Rodan staat op en reikt Romalde een hand toe. "Het was leuk je te leren
kennen. Een goede nachtrust, slaap lekker."
Een hand! Na zo'n avond, krijgt Romalde een hand! Vastbesloten het hier niet
bij te laten, duwt ze zijn hand naar beneden en drukt een kus op zijn wang.
"Welterusten." Fluistert ze in zijn oor.
Verrast kijkt Rodan Romalde aan en geeft haar dan ook een kus op haar wang.
"Truste," fluistert hij terug en meteen daarna loopt hij met een bonzend
hart terug naar zijn kamer. Hij kleed zich vlug uit en binnen een paar minuten
valt hij in slaap.
Romalde volgt Rodans voorbeeld, en haast zich naar haar kamer. Daar laat ze
zich, met kleren en al, op haar bed vallen, voor een rustige, droomloze nacht.
Als ze het dessert op hebben, buigt Arutha naar Céline. "Zullen we maar eens naar bed gaan?" Hij ziet het meisje van kleur verschieten en grijnst snel: "Allebei naar ons eigen, uiteraard. Je hebt nu in ieder geval de kans gehad gezichten bij de vele namen te zien, hoewel je ze vast niet allemaal zult onthouden. Dat geeft ook niet, ik heb er zelf ook nog wel eens moeite mee. Soms." Om de een of andere reden begint de kroonprins opnieuw te stotteren. Hij maakt daarom snel zijn vraag af en zegt: "Als je het leuk vindt, kan ik je morgen de stad laten zien. Er is het een en ander georganiseerd voor deze weken." Hij houdt net op tijd de woorden "- voor het huwelijk" binnen en kijkt afwachtend naar Céline.
Op straat botst
Ero met een knal tegen een jochie van een jaar of elf aan, dat met grote ogen
naar het kasteel stond te kijken. Het kind begint te vloeken en gebruikt daarbij
woorden die absoluut níet bij zijn leeftijd passen.
Rotjoch! Denkt Ero, maar dan hoort hij de jongen veel verbloemdere uitspraken
doen. Zo verbloemd, dat ze bijna in een lentetuin passen. Bijna. "Ehm,
sorry, gaat het?" Vraagt hij snel om een einde te maken aan de lange reeks
scheldwoorden.
De jongen kijkt Ero aan en lijkt door te willen gaan met zijn stortvloed van
scheldwoorden, maar dan begint hij te grijnzen. "Ja hoor."
Wat loopt dat joch te grijnzen? "Gelukkig, ehm..." Hij weet even niet
wat hij moet zeggen. Dan maakt hij een besluit. "Ik ben Ero, naja, eigenlijk
is mijn volledige naam Jinaronero, maar noem me maar Ero. Hoe heet jij?
"Jinaronero?" herhaalt de jongen lachend. "Wat is dat nou weer
voor naam? Hadden je ouders een hekel aan je ofzo?" Hij grijnst naar Ero,
zodat deze weet dat hij niet serieus is. Dan steekt hij zijn hand uit. "Ik
ben Aal."
" Jah! Dat zal het vast zijn!" Grinnikt Ero. "Aangenaam Aal."
Hij grijpt de hand van de jongen en schudt hem hevig. "Zo, wat brengt een
jongen als jij in een stad als deze?"
"Ik woon hier," grijnst Aal.
"Ik ben op doortocht." Zegt Ero dan, met een doodserieus gezicht.
"Ik heb even met iemand in dat enorme paleis gepraat, en ik heb er zelfs
een baan aangeboden gekregen, maar..." Dan stopt hij. "Weet je misschien
een plek om te overnachten?"
Aal kijkt Ero stomverbaasd aan. "Je hebt een baan in het kasteel afgeslagen
om op straat te zwerven? Ben je gek ofzo?"
"Naja, dat ik gek ben staat vast..." Gromt Ero, zich beseffend dat
hij inderdaad gewoon had moeten blijven. "Maar wat gedaan is kan niet meer
teruggedraaid worden." Hij haalt een hand door zijn haar.
"Zoek je een slaapplaats?" vraagt Aal.
"Ja, eigenlijk wel." Zucht Ero. "Weet je er misschien een?"
"Kom maar," grijnst Aal. "Nu er zoveel feest is in de stad, kunnen
we wel overnachten in één van de marktkramen. Die staan 's nachts
toch leeg!"
Hij gaat Ero voor naar een van de pleinen, waar tientallen kramen staan.
"Wikkel je maar in een van de tentdoeken, dan blijf je warm."
Aal doet het voor, al gaat het wat onhandig, alsof hij dit niet gewend is. Maar
al snel heeft hij een redelijk comfortabele houding gevonden en zakt weg in
een diepe slaap. Datzelfde geldt voor Ero. Ze worden pas weer wakker als de
barse stem van een koopman hen heel vroeg wekt.
"Zwervers! Schooiers! Wegwezen van mijn kraam!"
De slaap nog niet uit de ogen, trekt Aal Ero overeind en sleurt hem mee.
"Kom, ik word liever rustig wakker."
Bij de haven vinden ze een plaatsje tegen oude kratten en daar brengen ze dommelend
door, tot de zon opkomt.
Na een verkwikkende nachtrust begint de dag ook voor Céline al vroeg. Graaf Jaric heeft besloten op tijd te vertrekken en ontbeet al voor dag en dauw. Het is nog geen acht uur als hij op de binnenplaats van het paleis zijn paard besteigd. Eerder heeft hij al afscheid genomen van de koninklijke familie, nu rest nog slechts het afscheid van Céline. Het meisje loopt met haar vader mee richting de poort, zo van iedere minuut dat ze nog samen kunnen zijn gebruik makend. Het uiteindelijk afscheid valt beide zwaar. De Graaf spoort zijn paard aan en galoppeert weg, terwijl Céline eenzaam terugloopt, het kasteel in. Haar ogen zijn betraand, maar niemand zegt er iets van.
Anders wekt Rodan
tegen een uur of zeven.
Romalde wordt zoals elke ochtend tegen half acht wakker. Zelfs na zo'n avond
als de vorige, slaapt ze niet uit.
Direkt grist Romalde pen en papier van haar nachtkastje, en begint een liedje
te schrijven. Eindelijk weer iets vrolijks, en ze weet bijna zeker dat de gasten
er van zullen genieten.
"Uit een groot sirenenkoor
Hoor, hoor, hoor
Komt een magisch lied naar voor
Hoor, hoor, hoor
Vol gevoel en in vervoering
Brengen stemmen van ontroering
Een obade aan het oor
Hoor, hoor, hoor
Schelpen die het ritme klappen
Zonder even te verslappen
En het gaat, het gaat maar door
Hoor, hoor, hoor
Vijftien schepen slaan te pletter
Met gekraak en veel gespetter
Doe dan watjes in je oor
Want het zijn sirenen hoor
Hoor, hoor, hoor
Hoor, hoor, hoor"
Tevreden, en met een verkrampte hand, stapt ze uit haar bed. Dan pakt ze haar
kleren van de stoel, en trekt ze snel aan. Dan gaat ze voor de spiegel staan,
en gooit een plens water in haar gezicht. Snel zingt ze een toonladder. Dit,
om haar stem weer wakker te maken. Daarna loopt ze op een rustige pas richting
de ontbijtzaal.
Als Anders de
jonge vazal wekt, springt Rodan bijna meteen uit zijn bed met nog een beetje
een wazige blik in zijn ogen. Anders moet lachen. "Ok, of je bent gisteren
iets te laat naar bed gegaan, of je begint al aardig in het slaapritme van het
paleis te komen."
Rodan grijnst naar hem en wrijft de slaap uit zijn ogen. "Ach, misschien
ook wel allebei, het werd tijd dat ik hier ging wennen."
Snel trekt Rodan wat kleding aan en gaat met Anders op weg om zich te melden
bij Arutha.
Al neuriënd loopt Romalde over de gangen. Na een tijdje ziet ze Rodan voorbij
lopen. "Goedendag!" Zegt ze op een zangerige toon, waarna ze met een
grijns verder loopt.
"Goeiemorgen," zegt Rodan vrolijk tegen Romalde en grijnst naar Anders.
"Ik hoop dat je het niet erg vind, maar ik vind je zusje eigenlijk wel
èrg aardig."
Anders kijkt even van de een naar de ander en knikt.
Onverwacht serieus zegt hij dan: "Dat mag. Maar als je haar ooit kwetst,
zal ik je weten te vinden. Desnoods volg ik je tot over de bergen."
Even weet Rodan niet wat hij daarop moet antwoorden, maar hij haalt zijn schouders
op en antwoord: "Dat zal niet hoeven gebeuren." Hierna versnelt hij
zijn pas naar Arutha iets.
"Dat dacht ik ook," grijnst Anders alweer.
Als Anders en Rodan aankomen bij de kamer van Arutha klopt Rodan op de deur;
ze worden meteen binnengelaten.
Romalde zet een snellere pas in naar de keukens, om daar, in gezelschap van
de chefkok haar ontbijt te nuttigen. In de keukens is het gezelliger dan in
de ontbijtzaal.
Keyra, Rana en
Gyonval slapen die ochtend rustig door in de stilte van de gastenverblijven.
Voor hen is er geen noodzaak vroeg op te staan, behalve wellicht voor het ontbijt,
dat slechts tot tien uur duurt.
---------------------------
---------------------------
---------------------------
Tegen half tien
lopen Arutha, Anders, Rodan en Céline de binnenplaats op. De dochter
van de graaf heeft zich opgefrist, wat gegeten, maar ziet er nog steeds een
beetje verdrietig uit. Daarom heeft Arutha voorgesteld met z'n vieren op jacht
te gaan. Zo gauw Romalde echter in het oog krijgt wat er gebeurd, rent ze naar
de stallen en zadelt haar eigen paard. Met glunderende ogen rijdt ze naar Arutha
en vraagt toestemming om mee te gaan. Anders zucht, Rodan wordt rood en Céline
glimlacht dat het wel goed is. Als Anders dan bij de keukens een lunchpakket
erbij heeft gehaald, gaan de vijf op weg naar de bossen buiten Kyrdath.«
---------------------------
---------------------------
---------------------------
Ero en Aal zijn
tegen de dageraad nog even in slaap gevallen en worden uiteindelijk in de haven
gewekt door de arbeiders die luid zingend aan het werk zijn.
---------------------------