AOLARPG: De Kaap
Deze burcht is voor alles een uitkijkpost richting de Zuidelijke Zee, maar het is ook het enige punt van waar men kan uitvaren naar het Verlaten Eiland in de San-Inham.
---------------------------
(De zuidweg; ‘Lith – De Kaap)
Tussen alle meeuwen bevinden zich twee grotere vogels. Het soort is moeilijk
vast te stellen, daarvoor zijn ze te snel alweer verdwenen.
--------------------------- (Het verlaten eiland)
--------------------------- (Het verlaten eiland)
--------------------------- (Het verlaten eiland)
» Na een heftige storm komen Guíne en Fim
aan bij de burcht van de Kaap. Guíne trekt het bootje aan land en verbergt
het onder een dichtbegroeide struik, onzichtbaar voor wie niet weet dat het
er ligt. Ze is uitgeput. Ook baalt ze dat ze nu aan de aan de andere kant van
de baai zit dan waar ze terecht had willen komen. Maar ze berust erin. Het lot
zal wel een reden gehad hebben om haar deze kant uit te sturen.
Uit haar tas haalt ze homp brood en homp kaas tevoorschijn. Ze breekt beide
in tweeën en geeft de helft aan Fim. "Mijn idee is dat vandaag te
gebruiken om een ezeltje te kopen en wellicht kunnen we ook wat kruiden vinden
hier. We kunnen vannacht in een herberg overnachten en dan morgen goed uitgerust
op pad."
Ze kijkt Fim even streng aan en zegt dan "Fim, je moet je realiseren dat
ik vanaf nu een eenvoudige kruidenvrouwe ben en jij een leerlingkruidenmeester.
Dat houdt dus in dat we niet in het openbaar magie mogen gebruiken, omdat dat
wel eens dodelijk zou kunnen zijn als datgene waar wij naar op jacht zijn ons
eerder vindt dan wij hem." Fim knikt teneergeslagen. Geen magie gebruiken,
alleen maar bezig zijn met kruiden... hij slaakt een diepe zucht. Bijna wou
hij dat hij met een andere magiër meegegaan was, maar dan realiseert hij
zich dat hij daarvan ook geen magie had mogen gebruiken. En dus berust hij gelaten
in zijn voorlopige rol.
"Zullen we dan de stad maar in gaan?" vraagt Guíne als ze het
eten ophebben.
Fim knikt gelaten.
Het eten is verkwikkend, en laadt hem weer op na de vermoeiende inspanning.
Hij telt zijn geld en ziet twee goudstukken en drie zilverstukken. Bij lange
na niet genoeg, maar misschien kan hij een verschil maken.
Hij volgt Guine op weg naar de stad, terwijl hij alles wat hij ooit over kruiden
heeft geleerd naar boven probeert te halen.
Aan de eerste de beste die ze tegenkomen vraagt Guíne of er ergens een
marktplein is en of hij misschien een betrouwbaar iemand weet die haar een ezeltje
kan verkopen.
De aangesprokene denkt even na.
"Een markt is hier niet, dame, maar een ezeltje kunt u misschien krijgen
bij een van de boeren, buiten de burcht."
"Een goed idee."
zegt Fim, en hij loopt in de aangewezen richting. Dan wordt hij door Guíne
tegengehouden.
"Wacht even Fim." zegt Guíne. "Je gedraagt je nog niet
echt als een kruidenleerling. Je zult al snel merken dat niet alle mensen even
positief tegenover kruidengenezers staan. Dus ik wil dat je voorzichtig bent
dit keer, en geen dingen zegt die ons zouden kunnen verraden."
Fim gromt beledigd, hij is toch geen klein kind? Guíne ziet het en zucht.
"Het spijt me Fim, maar het zal voor mij al weer even wennen zijn om mezelf
aan te passen aan mijn oude vermomming, die ik sinds tijden niet gebruikt heb,
en dan wil ik niet ook nog op moet passen dat jij niet per ongeluk iets verkeerds
zegt of doet. Dus nogmaals Fim, wees alsjeblieft voorzichtig." drukt ze
hem nogmaals op het hart.
Ze herhaalt met Fim al lopende nog snel zijn lessen over kruiden, ze wijst enkele
kruiden aan en vraagt naar hun naam, hun werking, hun combinaties met andere
kruiden... Na afloop knikt ze tevreden. Daár kan in ieder geval niets
mee mis gaan.
Ondertussen hebben ze de burcht bereikt en zien ze de eerste boerderij al liggen.
Als ze het erf oplopen worden ze begroet door een vriendelijke lobbes van een
hond. Guíne aait hem even over zijn kop. De hond doet in ieder geval
aardig, denkt Guíne nu hopen dat zijn baas er ook zo over denkt.
Ze laat de klopper op de deur neerkomen en wacht geduldig tot een traag geslof
aangeeft dat er iemand naar de deur komt.
"Wie daar?"
De stem klinkt afgestompt, alsof de spreker helemaal vanuit de kelder schreeuwt.
"Mijn naam is Guíne, ik ben kruidenvrouw. Bij me is mijn leerling
Fimbrethil. Ik vroeg mij af of u wellicht een ezeltje te koop heeft dat mijn
kruiden kan dragen, voor een schappelijke prijs. Mijn vorige ezeltje is helaas
van ouderdom gestorven." afwachtend kijkt Guíne tot de deur open
gaat, terwijl Fim nog steeds met de hond speelt. "En misschien kunt u mij
ook helpen mijn kruidenvoorraad wat aan te vullen." voegt ze dan toe.
"Loop maar om, de keukendeur is open."
De stem behoort duidelijk aan een man en klinkt min of meer vriendelijk.
Guíne haalt haar schouders op en loopt dan samen met Fim om de boerderij
heen. Ze ziet een mooie boomgaard en een grote kruidentuin. Aan de achterkant
van de boerderij staat inderdaad een deur open. Ze gaan naar binnen en bevinden
zich dan in een ouderwets gezellig keuken. De boer komt al aangesloft.
"Kruidenvrouw?"
De boer neemt Guíne in zich op en kijkt naar Fim.
"Dan is dit zeker je leerling?"
Hij begint hard te lachen.
"Je kunt me heel wat wijs maken, maar een simpele kruidenvrouw? Nee, dame,
je bent of een magiër of een edelvrouwe die voor haar man op de vlucht
is."
Geschrokken houdt Guíne haar adem in. Een blos van schaamte stijgt naar
haar wangen. Blijkbaar is het toch te lang geleden dat ze die vermomming gebruikt
heeft. Inwendig scheldt ze op zichzelf. Koortsachtig denkt ze na. Dan buigt
ze haar hoofd en vraagt zachtjes: "Is het zo doorzichtig? U hebt inderdaad
gelijk. Ik ben op de vlucht voor mijn man. Dit is mijn zoon." zegt ze terwijl
ze naar Fim wijst. Oh, ik hoop dat hij niet verder vraagt. Anders kan dit
wel eens behoorlijk fout lopen, denkt Guíne en ze doet een schietgebedje.
De man grijnst.
"Mijn mensenkennis laat me zelden in de steek.
Een edelvrouwe dus."
Hij lijkt even na te denken.
"Ik kan u wel aan een ezeltje helpen... Voor 50 goudstukken."
Guíne haalt opgelucht adem. Gelukkig, hij lijkt de smoes te slikken.
50 goudstukken voor een ezeltje. Het lijkt Guíne een redelijke prijs,
maar ze weet nog van vorige reizen dat mensen zich haast beledigd voelen als
je niet afdingt. En dus zegt ze: "Neemt u ook genoegen met 40? Ik heb niet
zo heel veel mee kunnen nemen in mijn haast."
De boer lijkt een kort moment uit het veld geslagen, maar doet dan onmiddellijk
een tegenbod.
"45 goudstukken, dan mag u ook zoveel kruiden meenemen als u wilt."
Guíne, zich van geen kwaad bewust, accepteert dat bod met graagte en
sluit de verkoop met de boer.
Ze overhandigt hem een buideltje met goud en de boer gaat haar voor naar de
stal, waar een mager, maar pezig ezeltje staat. Hij is niet groot, maar komt
wel sterk over. Terwijl Fim het ezeltje naar buiten leidt, wijst de boer Guíne
zijn kruidentuin en laat haar daar alles plukken wat ze nodig heeft.
Even later gaan grootmeester en leerling op weg, wederom in de vermomming van
kruidenvrouwe, een zeer tevreden boer achterlatend. «
--------------------------- (De zuidweg; ‘Lith –
De Kaap)
--------------------------- (De zuidweg; ‘Lith –
De Kaap)
---------------------------
(Het verlaten eiland)
» Taen is duizelig als het gewervel plotseling
ophoudt. Het kost haar enige moeite overeind te blijven en ze schudt haar hoofd
om het rare gevoel te doen verdwijnen.
Dan kijkt ze om zich heen. Vaag herkent ze de omgeving van de overtocht.
Zij en Nale staan enkele tientallen meters buiten de burcht. Zo te zien is de
poort open en enkele reizigers zijn al op pad.
Nale ziet er anders uit dan op het eiland. Ze draagt simpele, sombere kleren
en voor het eerst ziet Taen haar gezicht. Het is een heel gewoon gezicht, een
iets scheve neus, bruine ogen en een kleine mond. Haar donkerbruine haren zijn
in een dikke vlecht achter haar hoofd samengebonden.
Een beetje suffig kijkt Taen van Nale naar de burcht.
"Gaan de naar de burcht of blijven we buiten?"
Het is duidelijk dat Taen niet precies weet waar ze heengaan en wat ze precies
gaan doen.
"Naar de burcht, daar zijn de mensen."
Nale begint richting de open poort te lopen en heeft al snel een voorsprongetje
op Taen, die ziet dat de wachters bij de poort een kort moment met de vrouw
praten en haar dan door laten.
Taen staat nog altijd op dezelfde plek, waar de wind met haar haren speelt.
Het voelt er vredig en veel zin om naar de burcht te gaan heeft ze opeens niet.
Vind Nale het niet nodig om op haar te wachten?
Uiteindelijk komt ze toch in beweging en loopt naar de wachters toe.
De wachters groeten Taen en laten haar door, de burcht in. Nale staat even verderop
bij een kraampje voor een kleine winkel binnen de burchtmuren de waren te bekijken.
Taen loopt door, maar blijft dan staan bij een muur dichtbij de kraam waar Nale
staat. Daar blijft ze leunend kijken. De afstand is niet alleen letterlijk,
maar ook figuurlijk te nemen.
Nale kijkt even op en knikt naar Taen.
Dan pakt ze een boek van de kraam en bestudeert die uitgebreid.
Taen besluit toch maar op bij de kraam te gaan kijken, om wat geïnteresseerder
over te komen. Ze kan tenslotte niet verwachten dat Nale moeite zal doen, als
ze zelf ook zo ongeïnteresseerd blijft toekijken.
Er liggen verscheidene boeken op de kraam, met titels als:
Passie in de sneeuw
Het Sanmonster; een semi-wetenschappelijke studie
Hekserij ten tijde van Hendrik de 34e
Struikroverij en al haar aspecten
Dagboek van een reiziger
en
Vertellingen van de vroedvrouw
Geen van de boeken lijkt Taen interessant, maar toch pakt ze het boek over hekserij
op en begint erin te bladeren, al is het alleen maar om zichzelf een houding
te geven.
Behalve de gebruikelijke vooroordelen, volkslegendes en bakerpraatjes, vindt
Taen niets interessants.
Nale kijkt even opzij en glimlacht naar Taen, maar richt zich dan weer op de
boeken.
Uiteindelijk pakt ze een klein boekje tussen de anderen uit en gaat naar de
koopman. Na wat gehandel over en weer krijgt ze het werkje en met een kinderlijk
vergenoegde blik loopt ze weer naar Taen.
"Uitgekeken?"
Taen knikt.
"Wat een zooi, daar! Ik snap niet dat mensen dat willen lezen."
Ze praat zacht, zodat de koopman niet hoort wat ze zegt.
Nale glimlacht.
"Schijn bedriegt, je moet weten waar je moet zoeken."
Ze houdt Taen het pasgekochte boek voor, zodat de droomwever de titel kan lezen:
Legendes van de zwarte maan.
"En waar zocht je naar, dan?" vraagt Taen, die uit de titel niet kan
opmaken welke waarde het boek heeft in hun situatie. Hoe kan Nale weten welk
boek ze moet zoeken, als ze niet weet met wat voor vijand ze te maken hebben?
"Wat ontspanning natuurlijk! Ik verwacht dat de aankomende tijden spannend
en stressvol genoeg zullen worden en een beetje afleiding kan dan zeker geen
kwaad," repliceert Nale.
Taen kijkt de grootmeester fronsend aan.
"Ontspanning... Dus in het heetst van de strijd ga jij zitten lezen?"
Ze grinnikt even wanneer ze de situatie voor zich ziet. Daarna richt ze zich
weer op Nale.
"Wilde je nog verder kraampjes langs op zoek naar ontspanning of gaan we
op zoek naar die vreemde kracht?"
Het is duidelijk dat Taen zich veel liever in het gevaar stort dan dat ze hier
in dit stoffige plaatsje blijft.
Nale vertoont een halve grijns.
"Ach, ik heb wel voldoende, voorlopig. Dan nu, beste droomwever, wat stel
je voor te doen?"
"Op zoek gaan naar tekenen die duiden op verstoringen en duistere magie."
Even kijkt Taen om zich heen, om te kijken waar ze zich precies bevinden.
"Ik heb alleen geen idee waar we zouden moeten beginnen met zoeken,"
geeft ze daarna aarzelend toe.
Nale glimlacht.
"De bestuurder van De Kaap zou een optie zijn, maar dan moeten we waarschijnlijk
wel even hier blijven. Edelen leggen over het algemeen niet licht beslag op
tijd. We kunnen ook richting de hoofdstad reizen, of juist richting Nobles."
"Waar zouden we het beste kans hebben, denk je?"
Het blijft even stil, alsof Taen het een en ander nagaat.
"De stad waar de meeste reizigers komen? Daar zou ook de meeste nieuwtjes
moeten zijn."
"Wat dat betreft," antwoordt Nale, "is Nobles natuurlijk wel
de havenstad. De laatste keer dat ik er ben geweest, voeren de schepen daar
af en aan. En datzelfde gold voor de handelaren."
"Besloten?"
Taen kijkt Nale vragend aan.
"Ik heb er in ieder geval niks op tegen om naar Nobles te gaan."
"Goed," knikt Nale. "Wil je nog inkopen doen voor we vertrekken?"
Dan grijnst ze plotseling. "Hoe wil je reizen?"
Taen schudt haar hoofd.
"Alle belangrijke spullen heb ik altijd al bij me. En hoe ik wil reizen?",
vraagt ze daarna fronsend. "Heb je zelf soms al een idee?"
"De manier waarop we gekomen zijn is geen optie," antwoordt Nale.
"Dat vergt teveel energie. We kunnen dus te voet of door de San-inham over
te varen naar Nobles."
"En vliegen?", vraagt Taen, die zich de heenreis met Nerin herinnert.
Het lijkt haar wel wat om weer helemaal vrij te kunnen zijn. En misschien kunnen
ze van grote hoogte wel verdachte reizigers ontdekken. Een flauw glimlachje
glijdt over haar gezicht terwijl ze dat laatste denkt.
Nale grimast. "Die gave heb ik niet meer."
"Niet meer?" vraagt Taen zachtjes. "Nu ja, dan lijkt varen me
het prettigst."
Nale knikt.
"Als jij een boot zoekt, zorg ik voor proviand."
Ze gaat niet verder in op Taens vraag.
"Dat is goed," antwoordt Taen, die het onderwerp verder ook links
laat liggen. "Kom jij dan naar de haven wanneer je klaar bent?"
Nale knikt en loopt dan weg.
Taen kijkt Nale na en begint dan zelf ook te lopen, tot ze de stadspoort uit
is. Daar blijft ze stilstaan en kijkt ze om zich heen.
Tja, en toen?
De zee slaat tegen de rotsen en meeuwen cirkelen boven het water. Op de weg
lopen enkele reizigers, maar verder is er niets te zien.
Taen probeert zich de heenreis met Nerin te herinneren. Ze had toen een havenstad
gezien, maar waar die precies lag ten opzichte van de Kaap wist ze niet. Toch
lijkt het noordwesten haar de beste richting en ze begint dan ook langzaam in
die richting te lopen.
Enkele mijlen zuidelijk, langs de kust en half verscholen door de rotsen, ontwaart
Taen enkele vissershutjes.
Zodra Taen de vissershutjes ziet, begint ze iets sneller te lopen.
"Nu maar hopen dat er ook daadwerkelijk mensen zijn die me willen helpen,"
mompelt ze zachtjes.
Voor een van de hutjes spelen drie kinderen tikkertje.
Taen loop door, iets terughoudender nu, op zoek naar volwassenen. Die kinderen
zijn toch niet de enige hier?
Ze werpt even een snelle blik op de rennende kleintjes, maar een tedere blik
is het niet, in tegenstelling tot wat men zou verwachten.
Buiten de hutten is, behalve de kinderen, niemand te bekennen.
Even blijft Taen staan kijken, maar uiteindelijk loopt ze op de spelende kinderen
af.
"Weten jullie misschien waar ik een van de volwassenen kan vinden?"
vraagt ze. "Ik wil graag over met de boot."
Vanuit een hutje komt plotseling gestommel en even later stapt een man van een
jaar of veertig naar buiten. Hij rekt zich uit en kijkt Taen dan aan.
"Een boot voor de overtocht? Hoorde ik dat goed?"
Als Taen het beaamt, kijkt hij nadenkend.
"Dat zal lastig worden, de inham is onvoorspelbaar en boten zijn duur."
"Hoe duur?" vraagt Taen, die het eigenlijk niet zo ziet zitten om
te moeten lopen. "En wat verstaat u onder onvoorspelbaar?"
"Er vergaan veel boten," antwoordt de man. "En wat de prijs betreft...
Wat wilt u ervoor geven?"
"Het liefst niks," zegt Taen. "Maar daar zult u vast geen genoegen
mee nemen. Ik denk dat ik beter eerst met mijn reisgenoot kan overleggen voordat
ik besluit een boot voor veel geld te huren."
De man knikt en kijkt dan richting de burcht.
"Is dat haar?" vraagt hij, terwijl hij naar een wandelende figuur
wijst. In de verte komt inderdaad Nale aangelopen en even later is ze bij de
hutjes.
"Gelukt?" vraagt ze aan Taen.
"Niet echt. De man vertelde dat de inham erg onvoorspelbaar kan zijn en
dat de boten ook nog eens duur zijn. Ik weet niet of het verstandig is om dan
met de boot te gaan."
"De andere optie is te voet," zegt Nale. "Mij maakt het weinig
uit."
"Lopen zie ik eigenlijk niet zo zitten," zegt Taen, terwijl ze zich
weer op de man richt. "Hoe duur is een boot?"
Uit het gezicht van de man valt niets te lezen als hij zegt:
"Met minder dan 250 goudstukken kan ik geen genoegen nemen."
"Ik zou graag eerst de boot willen zien, voordat ik weet waar ik voor biedt,"
antwoordt Taen vastberaden.
De man knikt en gaat Taen en Nale voor naar de waterkant. Op het zand getrokken,
ligt een simpele visserboot, roeispanen en een kleine mast liggen er in.
"Dit is ze."
Taen kijkt van Nale naar de boot en weer terug. Voor haar ziet elke vissersboot
er hetzelfde uit, dus hoe moet ze nu weten of het een goede koop is of niet?
"Wat denk jij?" vraagt ze daarom maar aan de grootmeester.
"Jij zou voor de boot zorgen; je moet het zelf weten."
Nale haalt plagend haar schouders op.
Taen twijfelt en haalt haar buidel tevoorschijn. 250 goud, dat is al haar geld!
Zou het echt verstandig zijn om dat te doen?
"Honderdvijftig, anders niet. Ik loop liever dan dat ik al mijn geld opmaak."
"225."
"225? Voor zo'n simpele boot?"
Taen kijkt nog even van de man naar de boot en weer terug.
"175."
De man grijnst. "200."
Taen grinnikt. Ze hoopte al dat de man dat zou zeggen.
"Afgesproken," zegt ze, terwijl ze de man de hand schudt.
Nale knikt tevreden en haalt dan een buideltje van haar riem. Met een knipoog
geeft ze Taen een handjevol goud.
"We delen de kosten natuurlijk."
Taen glimlacht dankbaar en haalt dan haar eigen buidel tevoorschijn. Wanneer
ze de overige honderd munten heeft afgeteld, geeft ze het hele bedrag aan de
visser.
"Prettig zaken doen.", zegt ze formeel, waarna ze meteen richting
de boot loopt.
"Zullen we meteen vertrekken of heb je eerst nog andere dingen te doen?",
zegt de jonge magiër tegen Nale, de visser een beetje beduusd achterlatend.
Was ze de gevaren van de inham nu al vergeten?
"Ik ben klaar hier, jij ook?" Nale is ondertussen in de boot gestapt
en heeft de mast gepakt. "Enig idee welke kant boven is?"
"Ik heb geen idee, dat zal ik eerlijk toegeven. Ik heb het sowieso niet
echt op boten. Slechte ervaringen mee.", glimlacht Taen. "Maar wat
mij betreft gaan we zo snel mogelijk. Mochten we aan de verkeerde kant van Torsan
terecht komen, dan vliegen we wel terug."
Op het moment dat ze het zegt, beseft Taen dat Nale die gave niet meer heeft
en ze begint te blozen.
Nale draait zich naar de mast, zodat haar gezicht niet te zien is. Met korte
bewegingen zet ze de mast op, een beetje onwennig, maar het lukt. Even later
zegt ze tegen Taen: "We kunnen de boot beter eerst het diepe water in duwen
en dan het zeil hijsen. Help je even mee?"
Taen knikt en kijkt van het water naar haar broek. Ze ziet het niet echt zitten
om een drijfnatte broek te hebben.
"Diepe water... is 'ver genoeg om de bodem niet te raken' ook goed?"
vraagt ze, terwijl ze haar broekspijpen begint op te rollen. Als ze klaar is,
begint ze de boot al zachtjes wat dieper te duwen, terwijl ze Nale's antwoord
afwacht.
"Dat lijkt me wel."
Gezamenlijk duwen de twee magiërs de boot naar het diepe en dan springen
ze er beiden in.
"En nu maar hopen dat het weer goed blijft. Help je even met de mast?"
Er staat een zachte oostenwind, nauwelijks meer dan een briesje.
"Euh, ja.", hakkelt Taen, terwijl ze het zeil uitvouwt. "Als
jij zegt wat er moet gebeuren."
"Het is voor mij ook lang geleden hoor," glimlacht Nale als ze Taens
aarzeling bemerkt. Ze denkt even diep na en begint Taen dan rustig uit te leggen
wat er moet gebeuren. Niet veel later is het schip klaar om af te varen. De
wind blijft rustig en het water ook. Al snel vaart het visserbootje in een rustig
tempo westelijk. Nale lijkt zich steeds zelfverzekerder te voelen als schipper
en als ze er voor heeft gezorgd dat alles staat zoals het moet staan en dat
het zeil op de goede manier vastzit, pakt ze haar proviandtas.
"Ik heb wel honger. Jij ook?"
aens maag laat met een luid geknor van zich horen.
"Ik denk dat dat een ja is.", gniffelt ze. Ze pakt een stuk brood
aan van Nale en neemt een grote hap.
"Ooit eerder gevaren?" informeert Nale met volle mond.
"Hm, ja.", mompelt Taen, al kauwend. "Slechte ervaringen mee."
"O? Vertel eens," Nale kijkt Taen geïnteresseerd aan.
"Nou, gewoon. Een keer toen ik jong was, kwam er een storm.", zegt
Taen ontwijkend. Het is duidelijk dat ze er niet graag over wil praten.
"Stormen zijn inderdaad vervelend," stemt Nale in en vervalt prompt
in een stilzwijgen. Blijkbaar heeft ook zij geen goede herinneringen aan die
vorm van natuurgeweld.
"Nouja, ik was ook niet heel slim bezig," klinkt het wat twijfelachtig.
"Het was duidelijk te zien dat het weer niet goed zou zijn en het bootje
dat ik had, was zo krakkemikkig als de pest. Maarja, ik moest en zou naar de
overkant..."
Nale lacht. "Dat herken ik maar al te goed. Maar je hebt het uiteindelijk
ook gered, niet waar?"
"Zo ongeveer," gniffelt Taen. "Het had niet veel gescheeld. En
jij? Kwam jij ook in een storm terecht?"
"Ja, maar helaas niet in een boot," antwoordt Nale. Ze neemt nog een
hap brood, het is duidelijk dat het iets is waar ze niet graag over praat.
Taen eet zwijgend verder, terwijl ze naar het water staart.
Geen boot? Dan lijkt zwemmen me de enige optie. Of vliegen...., bedenkt
ze met een schok. Zou Nale daarom die gave niet meer hebben?
Terwijl ze de laatste hap brood naar binnen werkt, moet ze even glimlachen.
"Echt spontane types zijn we niet, he?"
Nale schudt haar hoofd.
"Nee, zeker niet. Maar stiltes zijn duizend maal beter dan onzinnige gesprekken,
vind je ook niet?"
Taen knikt. Wat een dooddoener...
Niet wetend wat ze verder moet doen, besluit ze de omgeving maar eens beter
te bekijken.
De boot is nu volledig omgeven door water, nergens is de kust nog te zien. Het
weer blijft kalm, het water golft zacht. Zo nu en dan doet een diepere rimpeling
het bootje deinen.
Zuchtend om het saaie landschap richt Taen haar aandacht maar op het water.
Wat zou er onder hun zwemmen? Of wil ze dat eigenlijk wel weten?
Onwillekeurig deint ze wat naar achter.
Nale merkt het en kijkt op.
"Bang voor het Sanmonster, Taen?"
"Bang? Welnee! Dat monster is maar een legende, een verhaal om de gewone
boeren bezig te houden," snuift Taen een beetje arrogant. "Ik wilde
gewoon voorkomen dat ik over de rand zou vallen."
Nale glimlacht, maar zegt niets.
Een paar rollende ogen is het enige wat Nale als reactie krijgt.
Als die magier haar niet wil geloven, dan doet ze dat maar fijn!, denkt
Taen een beetje boos, terwijl ze naar de horizon staart. Wat haar betreft mag
de overkant snel in zicht komen, ze heeft het al gehad met de boot en de krappe
ruimte ervan.
Helaas voor Taen is de kust nog niet in zicht. Nale staart nu ook stilzwijgend
naar de horizon.
Het gekabbel van het water en de warmte maken Taen soezelig en al snel moet
ze haar hand voor haar mond slaan om haar gaap te verbergen.
De uren glijden net zo langzaam als het bootje op het water, voorbij. Nale heeft
haar boek gepakt en zit te lezen als Taen vanuit haar ooghoek een beweging ontwaart
vlak onder de waterspiegel.
Een beetje suffig gaat Taen op haar knieën zitten en tuurt naar het water.
Die beweging.... als dat nu een vis is, kunnen ze hem misschien roosteren!,
denkt ze opgewekt.
Er sparkelt iets onder water, alsof er kleine sterretjes zwemmen. Meer is er
echter niet te zien.
Gesparkel? Taen blijft ingespannen turen, hopend dat ze iets kan ontdekken.
Nale kijkt op van haar boek. "Is er iets?"
"Ik dacht een vis te zien," antwoordt Taen een beetje afwezig. "Als
ik hem kan vangen, hebben we zometeen een lekker maal."
Taens maag laat ondertussen met een hoop gerommel van zich horen.
Er zijn onderhand inderdaad al ruim vier uren verstreken sinds beide magiërs
aan boord van het bootje stapten.
Nale kijkt naar het westen en haar blik wordt een moment troebel.
"We zijn nog op de goede weg. Over een uur, hooguit, moeten we Mare bereiken.
Maar je hebt gelijk; iets te eten zou niet verkeerd zijn. Mijn brood is helaas
op."
Ze staart verlangend naar het water, waar de sparkeling is verdwenen.
"Weet je zeker dat je wat zag?"
Taen begint een beetje te twijfelen.
"Ik zag een beweging in mijn ooghoek, toen ik naar het water staarde. Honderd
procent zeker ben ik dus niet, maar wat zou het anders zijn?"
Op het moment dat Nale antwoord wil geven, ziet Taen opnieuw de sparkeling vanuit
haar ooghoek.
"Kijk, daar!", zegt Taen, terwijl ze in de richting van de sparkeling
wijst. "Nu weet ik het wel heel zeker!"
Nale kijkt op, maar mist de sparkeling weer. "Ik zie echt niets!"
"Ik weet zeker dat ik het me niet verbeeld.", zegt Taen een beetje
nukkig. "Je moet niet naar het wateroppervlak zelf kijken, maar een beetje
eronder, als je begrijpt wat ik bedoel."
"Zo bedoel je?"
Nale grijnst plotseling en springt overboord. Onmiddellijk is ze uit het zicht
verdwenen.
Met grote ogen kijkt Taen naar de plek waar Nale zojuist is verdwenen.
"Hoe... Wat...Huh? Wat is er gebeurd?" Een beetje paniekerig kijkt
ze om zich heen. "Nale?!"
Een klein zilvervisje springt omhoog in het water en duikt weer onder. Speels.
Taen staat verbaasd naar het visje.
Kan Nale zich veranderen in een vis? Is dat waarom ze niet kan vliegen en we
dus per boot moesten?
Het visje springt opnieuw op en dit maal ín de boot. Een werveling en
Nale zit weer op haar plek in de boot. Haar haren zijn wat vochtig, maar verder
is er niets bijzonders aan haar te zien.
"Jij kunt je veranderen in een vis?", vraagt Taen, haar mond nog altijd
een beetje open van verbazing. "En toch ben je bang voor een storm? Als
je gewoon weg kunt zwemmen?"
Heel even blijft het ongemakkelijk stil, na wat toch wel een beetje een verwijt
is.
"Maar waarom kon ik dan niet gewoon vliegen, dat jij het meer overzwom?"
vervolgt de jonge magiër snel. "Dan hadden we niet in deze vervelende
boot gezeten. Of was dat te vermoeiend geweest?"
Nale schudt haar hoofd.
"Ik zou er dagen over hebben gedaan om aan de overkant te komen. Daarnaast
heb ik niet de behoefte opgegeten te worden," ze neigt met haar hoofd naar
het water.
"En vervoerd worden in de bek van een slechtvalk is natuurlijk al helemaal
geen pretje," voegt Taen er begrijpend aan toe.
"Nee, liever niet!
en ik vlieg niet meer," mompelt Nale er nauwelijks hoorbaar achteraan.
"Kun je niet meer vliegen of durf je niet te vliegen?" vraagt Taen,
die niet geheel verstond wat Nale erna zei. Ze had eigenlijk al aangenomen dat
Nale wel kon vliegen, maar dat deze gave van haar was afgenomen.
Nale kijkt even uit over het water. De uren zijn voorbij gevlogen en aan de
horizon is de eerste streep land zichtbaar.
"We zijn er bijna..."
Ze zwijgt nog een moment en geeft dan toch antwoord op Taens vraag.
"Ik ben ooit in de lucht aangevallen door een havik. Als duif is dat geen
pretje, geloof me. Het scheelde maar een veertje of het was mijn laatste vlucht
geweest, maar ik heb het overleefd. De gave om te vliegen heb ik sindsdien alleen
niet meer."
Taen blijft in gedachten verzonken zitten.
Blijkbaar is het een gave die niet voor het leven is, peinst ze, terwijl
ze terugdenkt aan het vrije gevoel in de lucht en het klapperen van vleugels.
Ze rilt even. Dat is iets wat ze toch echt niet zou kunnen missen, al vliegt
ze dan nog maar zo kort.
De streep land komt dichterbij, wordt breder.
Nale glimlacht.
"Dat is Mare, we zijn er bijna."
"Dat werd tijd," zegt Taen opgelucht. "Ik heb het wel gehad in
deze boot."
"Ik ook," grijnst Nale, terwijl de boot soepel aanmeert. Het dorpje
Mare is net achter de rotsenpartij die het strandje kenmerkt, zichtbaar. Er
klinkt gezang, gejubel, gefeest. Nale springt als eerste uit het bootje.
"Zo te horen worden we verwacht! Laten we gaan!" «
---------------------------
(Mare)