AOLARPG: De zuidweg; 'Lith - De Kaap

Naar het zuidelijkste puntje van Torsan; de Kaap. De weg wordt echter bijna niet gebruikt, omdat slechts weinig reizigers daar wat te zoeken hebben.

---------------------------
We bevinden ons enige mijlen ten zuidoosten van de verlaten en overgroeide weg aan de kust, waar de zee met onvermoeibare kracht tegen de rotsen beukt, waar de grens tussen water en land hard en stijl wordt getrokken, waar de wind vrij spel heeft op deze uitloper van het land. Stug gras en lage begroeiing van enkele plantsoorten die zich hebben aangepast aan de ruwe omstandigheden hebben hun plek gevonden tussen het geërodeerde materiaal waaruit de aarde is opgebouwd.

Hij wist niets, hij voelde niets, hij was niets en ineens was er alles.
Wind, ontwakend zonlicht, aarde, rots. Het leek hem te doorboren, zijn huid tintelde, zijn ogen gesloten. Pijn. Zijn lichaam ervaarde pijn. Zijn lege geest werd vervuld van pijn, er was niets anders dan pijn. Hij schreeuwde, een lange schreeuw. Heel even leek de kracht van zijn schreeuw het gebulder van de zee en het snijdende suizen van de wind te overstemmen. Een kort moment van stilte en verbazing leek het te zijn, maar al snel verstomde zijn geluid in het eeuwige samenspel van de krachten die hier de dienst uitmaakten.
Een stroom van informatie leek ineens bij hem binnen te komen. Hij duizelde, hij duizelde... niets en nu ineens alles. Hij viel.
De zeemeeuw krijst en gebruikt de luchtstromingen om langzaam te dalen.
Enkele meters van de vreemdeling verwijdert landt hij en blijft staan.
Dan, als de mogelijkheid van gevaar geweken lijkt, komt de vogel nieuwsgierig dichterbij, op zoek naar mogelijk voedsel.
Hoog aan de hemel staat de zon nu. Geen besef van tijd, de kleuren van de duisternis leken een eindeloze periode van rust te zijn voor de naamloze. Hij doet zijn ogen nu langzaam open, hij knippert, zand dwarrelt uit zijn wimpers. De wind doet zijn haren wild om zijn gezicht slaan. Zijn ogen tranen. Hij wrijft met zijn hand in zijn ogen. Een witte verschijning, klein, zonet nog korte bewegingen makend staat nu stil. De meeuw en de naamloze bekijken elkaar voor enige tijd met een vergelijkbare verwondering. Een gevoel van vrijheid bevliegt hem. Zwevend op de golven van de wind. De smaak van een verse vis. Hij moet landinwaarts, storm is opkomst... Ineens is hij weer terug, weer in de leegte van hemzelf. Een flits van herinnering, pijn... van eerder. Hij herinnert zich. De pijn is weg nu.
Zijn lichaam verlangt naar vocht. Zijn tong is droog en ruw. Zijn lippen blijven even op elkaar plakken alvorens hij zijn mond opendoet voor een teug lucht. Hij zoekt steun aan de grond om zich op te kunnen richten en met zijn linkerhand vindt hij iets hards. Hij kijkt. De meeuw kijkt ook, rustig, zonder tekenen van angst. Hij kijkt van de meeuw naar het voorwerp. Hij pakt het vast en gaat staan. Een rode vloeistof stroomt van zijn hand, langs zijn pols en drupt op de grond als het zwaard in zijn hand snijdt. Zijn lichaam geeft geen reactie. Geen pijn.
Alsof hij zich iets bedenkt, pakt hij het zwaard bij het gevest beet en alles wordt wit. En alles wordt zwart. En alles wordt alle kleuren. "Hludana unchae!" "Sunaxal tyr usit!" Als reactie vliegt de meeuw op en krijst. Hoger en hoger cirkelend.
Hij volgt de meeuw in zijn vlucht. "Caiva!" De meeuw krijst terug. Hij lacht. Een moment van geluk. En het moment valt weg in de diepte van zijn ziel. Plots wordt hij overvallen door een droefheid, een diepe droefheid. Een traan laat een spoor achter over zijn wang en volgt de lijn van zijn kaak en laat los. Hij vangt zijn traan op. Zijn lichaam trilt, alles om hem heen wordt weer heel intens en pijnlijk. Hij zet het zwaard op de grond en steunt er op, beiden handen aan het gevest. Dood. Leven. Het besef dringt tot hem door. "Dat was het idee ja, dat was waar het om draaide." Verbaast om zijn eigen stemgeluid kijkt hij op. De wereld om zich heen was vaag, onscherp. Hij zette zijn voet vooruit, een volgende. Hij loopt.
Hoog boven hem zweeft de meeuw, Caiva, hem nauwlettend in de gaten houdend.
Een havik vliegt hoog boven de meeuw en kijkt op vogel en man neer. In een reflex kromt de roofvogel zijn klauwen, maar ondanks dat valt de havik de meeuw niet aan. Hij schreeuwt een maal, als waarschuwing en en verdwijnt dan langzaam uit het zicht.
Daar loopt hij, zonder kleding, zonder bescherming van de omgeving tegen de wind, een zwaard achter zich aan slepend.
Afgestompt van alle ervaringen sjokt hij stap voor stap verder. Alles voelt hem nu dof en vaag aan. Leeg van gedachten, vol van processen die het lichaam moet uitvoeren om alles te verwerken.
Uren, uren zijn voorbij gegaan. Hij knijpt zijn ogen fijn en tuurt tegen het oranjerode licht in van de laagstaande zon. De wind is er nog steeds, hoewel niet meer zo wild en ongecontroleerd als eerder. Een bosje, een paar bomen, kromgegroeid door de eenzijdige windrichting, daaronder een begroeiing van enige struiken met kleine, witte bloemetjes. Een reactie van zijn lichaam, ineens wordt hij uit de vage, doffe wereld getrokken. Zijn zintuigen staan op scherp. Voedsel.
Stap voor stap, sluipt hij dichterbij, rekening houdend met de bekende wetten voor de jager. Tegen de wind in, laag bij de grond, beheerst.
Het bruine dier schiet als een gespannen pijl uit zijn schuilplaats. Een explosie van kracht, paar grote stappen, een sprong... Met zijn blote handen draait hij de nek om en scheurt hij het konijn open. De warme, rode vloeistof druipt over zijn kin en borst als hij het vlees van de botten scheurt.
Hij ligt op de grond, zijn honger gestild. Hij slaapt. Ver boven hem beleeft een vis het laatste avontuur van zijn leven. De meeuw krijst een keer na zijn prooi in een keer te hebben doorgeslikt.

---------------------------
Het is hoogtij, de zon staat op zijn hoogst en de felle zonnestralen branden op zijn huid. Hij opent boos zijn ogen en staat op, hij wilt nog niet wakker worden. Maar hij moet wel, de zon heeft hem geroepen. Het bloed van zijn vorige slachtoffer zit nog steeds aan zijn kin, een lekker sappig konijntje. Hij kijkt bij zijn voorraad aan voedsel, daar is nog een groot stuk gedroogd voedsel en brood. BROOD? Wat heeft hij nu aan brood, als hij iets nooit eet is dat brood wel.
Niet dat hij honger heeft, hij pakt zijn jongleerballen en begint verveeld te jongleren. Tegelijkertijd begint hij te lopen, na een tijdje in de warme zon gelopen te hebben stopt hij met lopen en jongleren. Hij doet de jongleerballen in zijn rugzak en pakt zijn oude luit. Het is een oud ding, maar hij werkt nog goed genoeg.
Langzaam speelt hij een liedje die hij laatst geschreven heeft, de zang zoekt hij erbij. '
Na een intro zingt hij: 'Alleen een zoektocht...zoektocht naar het weten... het weten van wat ik wil weten... een cirkel van oneindigheid... ik zal het nooit weten.', opeens ziet hij een man en een meeuw, de man is niet gekleed en dit amuseert Djïa. Hij buigt zijn hoofd en blijft de man aankijken met een glimlach zonder dat de man hem ziet.

---------------------------
Drocht loopt al enkele dagen doelloos door een bos dat hij niet kent. Eigenlijk kent hij geen enkel bos. Zo lang hij zich kan herinneren is hij nog nooit eerder in een bos geweest. Nog nooit eerder buiten het dorp, en zelden buiten de kerk. Zijn kerk. Nee, niet meer zijn kerk.
Waarom was hij altijd zo onhandig? Hij had die kaars niet moeten laten vallen? Boos slaat hij tegen zijn eigen arm.
Hij kan nooit meer terug naar zijn kerk, en hij durft niet in het dorp te blijven, waar iedereen hem schopt en uitscheldt.
Hier in het bos is het beter. De dieren schrikken wel van Drocht, maar alleen als hij veel geluid maakt. En niet omdat hij zo misvormd is.
Hij neemt nog een hap van een witte wortel van een struik. Er is weinig goed voedsel in het bos te vinden, behalve de vogels en kleine bosdieren. Maar omdat de dieren hem beter behandelen dan de meeste mensen kan Drocht het niet over zijn hart krijgen om ze te doden.
Hij slentert voort door het bos, niet wetende welke kant hij op gaat of waarom. Totdat de bomen langzaam schaarser beginnen te worden, en ook de onderbegroeiing ruiger wordt. Dan proeft hij een vreemde smaak in de lucht. Een geur die hem ergens aan doet denken, maar die hij voor het eerst ruikt. De zee.

Een lange, rusteloze slaap was het. Dromen zonder begin en zonder einde. Schimmen van vroegere gebeurtenissen. Een roofvogel leek uit de overweldigende hoeveelheid kleuren en beelden naar voren te komen. De vogel daalde en zette zijn grote, sterke poten neer. En ook dat kleine stukje ruimte leek vaste grond te worden, ontrokken uit de chaos. Nu was het een man. Hij stak zijn hand uit en hij verdween.
Hij wordt wakker, zijn hoofd voelt zwaar en is doortrokken van een stekende pijn.
Een vreemd gevoel werd van hem meester. Hij is niet alleen meer. Hij blijft liggen, ogen dicht, zintuigen op scherp. Zoals hij eerder had gedaan. Vóór zijn slaap, toen hij het konijn ontdekte. Het gevoel wordt niet sterker. Jaagt het op hem? Het blijft stil. De pijn die zonet zo hevig was is weer verdwenen. Hij ervaart weer evenwicht en rust. Maar dit is niet wat er van hem werd verlangd, hij herinnerde zich weer zijn geluk aan de kust.
Hij focust weer. Hij wacht en beweegt niet.

Djïa voelt dat de man wakker is en langzaam staat hij dan ook op, met een glimlach blijft hij de man aankijken. Hij wil de man niet ongerust maken of dat hij hem zo meteen aanvalt, hij vindt het wel een leuk gezicht, die man naakt. Het herinnert hemzelf hoe hij eerst was, naakt en niets wetend van deze wereld. Alleen nu is het veranderd, hij moet de man helpen om de wereld te begrijpen. Blij kijkt hij de man aan als hij langzaam naar hem toe loopt en probeert tegen hem te praten. "Gaat het met u?" vraagt hij. "Ik wil u helpen..." spreekt hij.
Wanneer Djïa dichtbij de man is staat hij stil, langzaam hurkt hij bij hem neer en fluistert: "Het komt allemaal goed, het is een rare wereld. Daar kwam ik ook snel genoeg achter."

Een stem spreekt in zijn oor. Een zachte stem, een vertrouwde stem. Hij ligt en reageert niet. Flitsen, weer vele flitsen van herinneringen kwam tot hem. Maar ook nu zijn ze ongecontroleerd, zonder orde, zonder regelmaat. Zijn zintuigen verstommen weer. Een angst bevliegt hem, de eerst zo nabije persoon is er niet meer. De levenskracht van de ander bevindt zich buiten zijn waarnemingsveld dat nu alleen het lichaam van de naamloze zelf beslaat. Paniek en vanuit paniek woede. Het is de schuld van de kracht zojuist nog zo dichtbij hem leek te zijn, wiens trillingen van de lucht zijn oren hadden bereikt en hem weer als een blinde in een wereld van chaos deed lopen!
Hij springt op met en explosie van kracht grijpt de lange, donkere man naar zijn keel.

Djïa word verrast door de plotselinge energie van de man, gelukkig kan hij net de mans grip naar zijn keel ontwijken. Maar dit maakt Djïa een beetje gedesoriënteerd, hij kijkt de man aan en vraagt zich af waarom hij dat deed. "Waarom deed u dat?" vraagt hij vriendelijk en houdt zichzelf paraat voor een andere mogelijke aanval. Hij heeft geen vechtsporten beoefend maar, hij zou wel iemand die niet zo goed vechten kan, zijn aanvallen ontwijken. Rustig wacht hij en ademt gecontroleerd, iets is er met die man. Hij kent de wereld niet zoals hij hem kent. Hij is zijn kennis kwijt, hij moet hem helpen. "Alstublieft, laat mij u helpen..." spreekt hij nogmaals, maar het voelt vergeefs voor hem. Deze man kan niet spreken, of hij wil het niet. Hij denkt niet rationeel na maar instinctief zoals een dier. Ja, een dier... een roofdier.

"Je weet niets." Dan stilte. Het suizen van de wind gaat door. Hij zit op zijn knieën, met zijn rug richting de vreemdeling. "Ik weet net zo weinig."
Zijn hand zet zich af tegen de harde bodem. Langzaam staat hij op. "Maar de rust is weer even in mij, we moeten verder gaan." Hij loopt instinctief in de richting van de zuidweg. "Kom."
"Ja, ik weet dat ik niets weten, maar zelfs dat weet ik niet zeker…" mompelt Djïa half. Hij kijkt de man van achter aan en ziet dat hij nog steeds naakt is. "Maar wacht, meneer… U bent naakt..." praat Djïa een beetje ongemakkelijk. Zelf was en is hij bijna nooit naakt, hij loopt al helemaal niet in zijn geboortekleren in het rond buitenshuis. Djïa vraagt zich af of hij reservekleren heeft, of tenminste iets dat hij de man kan lenen zodat hij niet naakt rond hoeft te lopen. Ingeval dat ze dadelijk bij een dorp komen of meer mensen. Nee, hij heeft geen kleren, geen extra kleren bij zich. Misschien kan hij hem wat kleren lenen of wacht...misschien kan hij ook wat kleren in elkaar prutsen. Nee, hij is niet zo handig met stukken stof in elkaar flansen.
Hij kijkt eens goed in zijn bagage of hij iets heeft en naar zijn kleren of hij iets missen kan. Ja, hij heeft een leren broek gevonden en een bijpassende shirt. "Hallo, mijnheer… ik heb wat kleren voor U. Ik hoop dat ze u passen!" Hij rent naar de man toe met de kleren in zijn handen. "Heeft U ook een naam, eigenlijk?"
De naamloze stopt zijn zojuist ingezette pas. Hij blijft stilstaan, maar geeft niet direct antwoord. Een kleine en vluchtige stroom komt met de wind mee. Maar niet zoals de wind, die hij waarneemt doordat de luchtstroom aan zijn haar trekt en door het gevoel dat de wind hem geeft als het tegen zijn huid botst. Nee, het dringt nu tot hem door... alsof hij niets is. Zoals het lijkt, is het niet meer dan een ingeving. "Djïa", hij zegt de naam zacht en in zichzelf, maar niet onhoorbaar voor de behulpzame man die de eerste persoon was die hij zag in deze wereld. "Djïa, ik weet mijn ware naam niet. Je mag me noemen wat je wilt."
"Laten we verder gaan, ik weet nog niet wat ons te wachten staat" Hij kijkt even om naar de man die hem aankijkt. Er verschijnt een glimlach op het smalle gezicht van de donkere man. "Hier, doe deze kleren aan. Je hebt een lichaam nu. Dat lichaam kan ziek worden, hoe sterk de geest ook is die in hem huist."
De naamloze pakt de broek en het shirt over en bekijkt ze even. Hij vergelijkt het met Djïa's uitrusting. Na even nadenken probeert hij ze aan te krijgen, wat niet helemaal succesvol gaat.
Djïa moet even lachen wanneer hij de naamloze ziet klungelen wanneer hij de kleren aan probeert te doen. Hij stelt zichzelf tot om hem te helpen, Djïa helpt dan ook hem de kleren aan te trekken. Wanneer de kleren van de naamloze aan zijn bekijkt Djïa de naamloze. "Je ziet er apart uit..." zegt Djïa en krabt over zijn hoofd. Hij besluit om zo weinig mogelijk te spreken, want ze moeten verder. Hij vraagt zich toch af hoe de man opeens aan zijn naam komt, hij herkent hem niet. Eventjes kijkt Djïa de naamloze goed aan, hoe kan het dat deze man zijn naam weet zonder dat hij hem verteld heeft... "Ik heb toch een vraag voordat we verder gaan, hoe weet u mijn naam?" vraagt Djïa en net zoals de naamloze eerst begint hij te lopen.

Drocht laat zich door zijn neus leiden, en volgt de zilte geur die wel van de zee moet zijn. Ook de wind begint sterker te worden als hij de beschutting van de bomen verlaat. Hij voelt zich niet zo op zijn gemak in deze open vlakte, maar aan de andere kant wordt hij getrokken door het onbekende. Behoedzaam loopt Drocht verder, terwijl hij zijn dekentje stevig in zijn hand vasthoudt.

Een harde windvlaag brengt hem het geluid van stemmen! Drocht duikt in zijn angst achter een dorre struik. Hij wil niet dat mensen hem zien. Ze zullen hem weer uitschelden, schoppen, verstoten. Die tijd mag niet meer terugkomen.
Als hij door het struikje ziet dat in de verte twee figuren zijn richting op lopen, beseft hij plots dat hij zijn dekentje kwijt is. Het moet gevallen zijn toen hij zo schrok van de stemmen. Waar is het? Waar is het? Daar! Aan een klein plantje wappert zijn blauwe dekentje in de wind.
Nog voor Drocht kan besluiten of hij al dan niet achter zijn dekentje aan wil gaan, wordt hij uit zijn evenwicht gebracht door een harde windvlaag.
Als een donderslag zo duidelijk is het geluid van scheurende stof en Drocht ziet hoe de wind de lap in haar greep neemt en er plagerig mee speelt.
Het felle blauw duikelt als een exotische vogel door de lucht. Als de wind gaat liggen, dwarrelt het langzaam naar beneden, maar net boven de grond wordt het geschept door een nieuwe vlaag wind.
In een vloeiende beweging komt het dekentje vervolgens midden in het gezicht van Djïa terecht.
Djïa wordt verward, opeens is het zwart voor zijn ogen en hij voelt een ruwe maar toch zachte stof tegen zijn gezicht. Langzaam brengt hij zijn hand naar zijn gezicht en pakt de stof vast, hij verwijdert het van zijn gezicht en kijkt ernaar. Verbaasd vraagt hij zich af waar het vandaan komt, hij kijkt in de uitersten van zijn ooghoeken of hij iemand ziet.
Hij heeft zijn broek half aan als hij ineens instinctief wegduikt. Als hij weer opkijkt ziet hij de donkere man enigzins verward naar een blauwe lap stof kijken die hij zonet van zijn gezicht heeft gehaald.
Een windvlaag trekt nogmaals aan de lap, blauwe kleuren wapperen in de wind. De naamloze kijkt er naar. Een kleur, vreemde gevoelens komen bij hem naar boven. Het komt weer! De chaos! Verzetten heeft geen zin… de naamloze duizelt en valt neer. Weer.

Drocht kijkt angstig naar de twee mensen die nu dicht bij hem staan. Hij moet er naartoe. Hij moet zijn dekentje terugkrijgen. Het is zijn enige herinnering aan zijn ouders.
Dan ziet hij plots dat een van de mannen omvalt. Waarom weet hij niet, maar hij voelt dat dit zijn beste kans is om zijn lieve dekentje terug te winnen. Tegen zijn beterweten in rent hij de twee mannen tegemoet met het doel om zijn dekentje zo snel mogelijk te pakken en door te rennen.
Geheel gericht op zijn dekentje merkt Drocht niet dat zijn voet achter een ruwe wortel blijft steken. Hij valt voorover, vlak naast de man die ook op de grond ligt.

--------------------------- ('Lith)
Hoog in de lucht klinkt gekras van twee slechtvalken, die al snel weer zijn overgevlogen.
--------------------------- (De Kaap)

Als hij naar het wezen kijkt die naar hem toe rent is hij het volgende moment op de grond en verbaasd kijkt Djïa naar beide de naamloze en het nieuwe wezen. "Ik vraag mijzelf toch wel af hoe het met beide gaat..." Hij staat voor het raadsel welke het eerst te helpen. Hij besluit maar eerst het nieuwe wezen te helpen, want dan kan hij daarna meteen helpen de naamloze te helpen.
"Is dit blauwe stof van U meneer?" vraagt Djïa aardig aan het wezen en probeert het gezicht van het wezen te vinden. Als hij ziet dat het wezen een mens is en er 'mismaakt' uitziet gaat zijn glimlach naar verdrietig. "Hoe is dit gebeurd meneer? Is dit bij geboorte gebeurd of heeft iemand dit U aangedaan?"
Hij pakt de man zachtjes vast en helpt hem overeind. Hij reikt de blauwe stof aan Drocht. "Ik denk dat U het terug wilt hebben, maar als U gezelschap nodig heeft. Wij staan klaar om U te helpen, tenminste ik dan!" Hij glimlacht en drukt de stof in Drochts handen.
Hij draait zich naar de naamloze en knielt zich voor hem neer. Hij kijkt schichtig om zich heen en naar de naamloze. "Wat te doen, wat te doen?!" roept hij meer naar zichzelf dan naar een ander. Dan hoort hij twee twee slechtvalken en vraagt zich af of zij iets met de situatie te maken hebben. Hij fixeert zich weer op de naamloze en pakt met beide handen zijn hoofd vast. Het wordt wachten tot hij weer normaal is en weer terugkomt. "Kom terug Naamloze… weg van de duisternis… kom terug!"
Sunaxal? Yrtuschae yn utarugh. Dlarchor atuchi dutaronia. Dlarchor larytja, oghludachae larytja, ogoi larytja. Dusit iuryt usitl. Yrtus yniorit, u ipérluchja.
De stem is als een koele wind, een bries die de stof doet wegvoeren en helderheid schept. Diep in zichzelf zag hij de betekenis, van de woorden en van het “zijn”. Hij zal zijn weg belopen, zoals hij eerder deed en altijd zal blijven doen.
Hij opent zijn ogen langzaam. Een lichtelijk bezorgd en een enigszins angstig gezicht kijken hem aan. Hij duwt zijn lichaam omhoog en zet zijn voeten op de harde bodem. Als hij staat sluit hij weer even zijn ogen en ademt diep in. "De wind." Vervolgens kijkt hij de nieuweling aan.
Het suist in Drocht z'n oren. Net lag hij op de grond, maar nu staat hij weer. Hij kijkt op en hoort een van de vreemde mannen tegen hem praten, maar de woorden dringen niet echt tot Drocht door. Angst en de schrik van de klap op de grond weerhouden zijn hersenen er even van om goed te functioneren. Dan krijgt hij zijn dekentje in zijn handen geduwt. De man geeft zijn dekentje zomaar terug. Zijn mooie dekentje. En de man doet nog iets vreemds: hij lacht. Hij lacht naar Drocht. Even weet drocht niet hoe hij moet reageren op deze nieuwe ervaring. Hij houdt zijn dekentje dicht tegen zich aan en zegt zachtjes: "Dank u... heer," terwijl de andere man ook overeind komt.
Iets in Drocht zegt dat hij weg moet lopen. Weg van deze vreemden die hem pijn kunnen doen. Maar hij is te nieuwsgierig en tegelijk overdonderd door de vriendelijkheid van de vreemde man. Hij probeert ook te glimlachen, ook al weet hij dat zijn afzichtelijke gelaat niet verfraaid kan worden door een lach.
"W... wat zei u, h... heer?" stamelt hij verlegen.

De groep ruiters komt in galop langs de drie reizigers. De hoeven van de paarden doen het zand hoog op wolken en sommige dieren komen gevaarlijk dicht in de buurt van de reizigers.
De passage duurt niet lang, hooguit een tiental seconden, dan zijn de ruiters weer uit het zicht verdwenen. Een stofwolk in het noorden is dan alles wat van hun voorbijgaan getuigt.
Vanuit de richting waar de ruiters in galoppeerden komt een man in een donker gewaad aangelopen.

---------------------------
Zarloth ziet drie personen langs de lange weg staan.
"De Slaper is ontwaakt. Hmmm, ik vraag me af wat dit betekent voor het geheel. En waarom nu, waarom hier?"
Hij klopt het stof dat de langsrijdende ruiters hebben opgeworpen uit zijn haar en loopt op de drie af.
"Een goede middag heren..."
Als hij het afzichtelijke gelaat van een van de mannen ziet vergeet hij wat hij wilde zeggen en kijkt onwillekeurig de andere kant op.
"Goedemiddag," vervolgt hij, zijn best doend om vriendelijk te kijken. "Wat een merkwaardig gezelschap, als ik dat mag zeggen. Waar bent u naar op weg?" Djïa hoest hard wanneer de stof zijn mond indringt naar zijn luchtwegen in zijn longen. Djïa kijkt even of Drocht en de naamloze in orde zijn. "Gaat het met jullie beiden, de mensen van tegenwoordig hebben geen respect voor anderen..." Als hij dit uitspreekt komt een man naar hun toe gelopen.

Djïa bekijkt de nieuwe man en voelt een genoegen om de man erop te attenderen dat zijn blik jegens Drocht niet op prijs wordt gesteld door hem, in plaats van dat probeert hij op zijn best om niet boos op de man te worden. "Ook een goede dag naar u toe gewenst, wij zijn op weg naar de dichtstbijzijnde dorp en het lijkt erop dat onze groep steeds groter wordt. Wat brengt u hier?!" hij kijkt de man eventjes aan en kijkt dan weer naar Drocht. "Wilt u ons ook vergezellen of neemt u liever uw eigen pad in dezer wereld. Samen zijn we wel sterker..." Als Djïa glimlacht legt hij zijn hand op Drochts schouder.

--------------------------- (De Kaap)
--------------------------- (De Kaap)
» Guíne en Fim lopen met het ezeltje de stad uit. Als Guíne terugdenkt aan het tevreden gezicht van de boer, heeft ze wel een gevoel dat ze eigenlijk te veel betaald heeft, maar ze is blij met het ezeltje dat hun bezittingen kan dragen, en met de kruiden is ze ook zeer tevreden. Een ding zit haar nog steeds dwars: dat de boer hun vermomming zo makkelijk doorzag.
"Hoe kwam het dat de boer zo makkelijk doorzag dat ik geen kruidenvrouwe was? Ik moet weten wat het is, want ik heb niet zo'n zin om dat nog eens te laten gebeuren." mompelt Guíne peinzend in zichzelf. "Heb jij een idee wat het kan zijn Fim?" vraagt ze dan aan haar leerling.
Fim fronst zijn wenkbrauwen.
"Het heeft vast iets te maken met die zwarte magiër. Misschien was het een handlanger, of misschien de magiër zelf wel, in vermomming!"
Voor zich uit kijkend mompelt hij:
"Er zijn allerlei mensen die ons tegen willen werken, en ik heb geen idee wat ze dan precies tegen willen werken."
Guíne fronst haar wenkbrauwen. "Dat kan niet Fim. Als het de zwarte magiër of een van zijn handlangers zou zijn, zouden wij hier nu niet lopen. Dan had hij ons niet zo makkelijk laten gaan." ze denkt even na. "Ik hou het er dan maar op dat ik die vermomming te lang niet gebruikt heb. Gelukkig vond hij het verhaal over de gevluchte edelvrouwe wel geloofwaardig.
"En in zekere zin heeft hij ook wel gelijk. overdenkt Guíne. Alleen is dat al zolang geleden dat die boer dat niet kan weten. Zou ik dat dan na al die jaren nog altijd niet hebben afgeschud? Afwezig haalt ze vanonder haar tuniek de ketting tevoorschijn met daaraan de zegelring waarin het wapen van haar familie is gegraveerd, het enige dat ze nog heeft van haar vroegere leven.
Ze schrikt op uit haar overpeinzingen als de ezel plotseling begint te balken. Ze kijkt op en onderscheidt een paar honderd meter voor hen een aantal gestalten. Ze kan niet uitmaken met hoeveel ze zijn en of het mannen of vrouwen zijn, maar ze besluit toch de nodige voorzichtigheid in acht te nemen.
Verbaasd kijkt Fim voor zich. Een bont gezelschap staat daar bij elkaar. Op het eerste gezicht een bij elkaar geraapt zootje ongeregeld, maar voor wie een tweede keer kijkt, een uitstekend georganiseerde en selecte groep.
Fim leidt zijn blik naar Guíne, die nu opgelucht kijkt. Voorzichtig loopt hij naast haar, constant op zijn hoede.
Guíne merkt dat Fim nog steeds op zijn hoede is, hoewel ze dat zelf wonderlijk genoeg niet meer heeft. Ze naderen de groep en Guíne kan de afzonderlijke leden nu onderscheiden. Het zijn allemaal mannen. Een is halfaangekleed en heeft lang rossig haar. Een tweede is mismaakt en klemt zich wanhopig vast aan een blauw lapje stof. De derde heeft een luit in zijn hand, waarschijnlijk een muzikant. De vierde ziet er wat mysterieus uit. Hij is de enige van het gezelschap waar ze haar twijfels over heeft. Ze laat de ezel halt houden. "Gegroet reizigers. Wat brengt u hier in deze euhm... omstandigheden?" bij dat laatste woord trekt ze een wenkbrauw op en kijkt naar halfaangeklede man.
Djïa begroet de nieuwe reizigers met een buiging en glimlacht ze toe.
"Gegroet vrouwe en heer, wat ons brengt bij deze omstandigheden verschilt per persoon…" Djïa ziet de blik naar de naamloze toe en probeert om de situatie uit te leggen. "Ik en mijn halfnaakte vriend zijn hier per toeval gekomen, ik ben reizende en al reizende ben ik mijn vriend hier tegengekomen. Naast mijn vriend ben ik ook hem tegengekomen." Hij wijst naar Drocht en glimlacht vriendelijk. "Misschien ziet hij er voor sommige mensen uit als een gedrocht, maar voor mij maakt dit niets uit. Het gaat om het innerlijk en daarvoor moet je mensen eerst leren kennen. Wat brengt jullie beide hier?"
Uit het verhaal van de man wordt Guíne niet echt iets wijzer, ze weet nu weinig meer dan ervoor.
"Ik ben slechts een eenvoudige kruidenvrouwe en dit is mijn leerling. Samen met ons ezeltje reizen wij vanaf De Kaap naar 'Lith en de overige steden, in de hoop mensen te kunnen genezen met onze kruiden." Ze krabbelt de ezel tussen zijn oren en zegt dan: "U heeft mij uw naam noch herkomst of doel van uw reis verteld. Hoe weet ik of u te vertrouwen bent als u zo weinig over uzelf of uw metgezellen vertelt?"
"Men kan niet meer vertellen over zichzelf dan men weet, liever een wijze dwaas dan een dwaze wijsheer..." Djïa heeft weinig mensenkennis maar toch iets vertelt hem dat de vrouw niet een simpele kruidenvrouwe is. Misschien verstaat de vrouwe wel vreemde talen, een eenvoudige kruidenvrouw kan dat niet. Hij bekijkt de vrouw van top tot teen en glimlacht. "Amin nae Aman oment Ille…" Djïa kijkt of de vrouw naar gezichtsuitdrukking verandert bij het uitspreken van de woorden. "Mijn naam is Djïa, ik ben een reizende muzikant en jongleur van beroep. Ook heb ik mijzelf bemeesterd in het schrijven en spreken van verschillende talen. Veel kan ik u niet over mijn andere reisgenoten vertellen, behalve over de Naamloze, de halfnaakte jonge heer voor u, ik ben nu beschermheer van de naamloze en ieder die hem probeert pijn te doen zal door mij heen moeten. Ik kan misschien niet goed vechten, maar ik zal hem geen pijn aangedaan krijgen."
Guíne kijkt de man die zich voorgesteld heeft als Djïa aan. Ze heeft geen flauw idee wat hij net gezegd heeft, maar het klinkt niet onvriendelijk. Ze glimlacht. "Mijn beste, ik of mijn leerling zijn geenszins van plan u of uw naamloze vriend of een van uw andere reisgenoten iets aan te doen. Zoals ik al zijn wij slechts eenvoudige kruidengenezers. Waarmee had u verwacht dat wij u iets aan zouden doen?" Ze glimlacht nogmaals.
"Ik verwacht niets want als ik iets zou verwachten verwacht ik waarschijnlijk het verkeerde ding..." Djïa zijn blik gaat nu naar de andere reiziger en eventjes schudt hij zijn gezicht. Hij nadert Fim en legt zijn hand op zijn gespierde armen. "Voor een eenvoudige kruidenheer bent u erg gespierd, ook uw blik verraad uw ware aard. U bent geen kruidenheer, u bent een beschermer. U beschermt deze kruidenvrouwe... maar dat is fijn met mij." Hij vraagt zich af of wat hij zei wel het juiste was. "Ik hoop niet dat ik u verkeerd inschat heer, maar door uw gespierde postuur lijkt u meer een vechter dan een genezer..."
Fim trekt een wenkbrauw op als de muzikant hem zo vriendelijk benaderd. Ze moeten wel erg goed van vertrouwen zijn als ze zo licht met medereizigers omgaan. Hij kijkt de man indringend aan en zegt dan:
"Ik ben slechts een leerling kruidenmeester. Eenieder die anders van mening is kan met mijn vijf vrienden kennis maken."
Fim kraakt even met zijn knokkels als teken van waarschuwing. Hij is nog steeds niet overtuigd van de goede wil van deze reizigers en zijn sceptische blik glijdt over de gezichten van de vreemdelingen. Hij hoopt dat ze niet inzien wat de eigenlijke doelstellingen van de reis zijn, en vooral niet op welke wijze fysieke verdediging kan worden geuit.
Vragend richt hij zijn blik op Guíne.
Djïa schudt zijn hoofd en tut-tut naar Fim, dan grijnst hij breed. "Ik snap niet waarom U zo gewelddadig moet worden, maar als het moet laten ook mijn vrienden zich niet onbetuigd." Dan ontbloot hij zijn tanden en een reeks scherpe tanden komen tevoorschijn en zijn langere hoektanden zijn ook goed te zien, zijn vingers staan gekromd en zijn lange nagels klaar om aan te vallen. "Het liefste doe ik niemand pijn, dus laten wij gewoon met elkaar omgaan…" Djïa zet zichzelf gerust en laten zijn armen weer naast zijn lichaam handen, sluit zijn mond en gaat rechtop staan. "Als we allemaal goed met elkaar omgaan dan komt alles goed, mijn Vrienden."
Guíne kijkt van Fim naar Djïa. De laatste heeft inmiddels weer zijn normale vriendelijkogende persoonlijkheid tevoorschijn getoverd, maar Fim staat nog altijd met gebalde vuisten. "Fim." ze kijkt hem geërgerd aan. "Waar is dat voor nodig? Deze muzikant zag er niet uit alsof hij twee kruidengenezers iets aan zou doen." Guíne is echt boos. Ze wil rustig rondreizen door Kyrdath zonder argwaan te wekken, maar als Fim zich bij ieder verkeerd opgevat woord zó gaat gedragen, zit dat er niet in. Ze voelt de woede in zich opborrelen, maar besluit nu niets te zeggen. Ik zal straks wel eens een hartig woordje met hem spreken, neemt ze zich voor. "Het spijt me meneer. U moet het mijn leerling maar niet kwalijk nemen, we zijn nogal wat onaardige lieden tegengekomen op onze reis," verontschuldigt ze.
Verbaasd kijkt Fim naar Guíne. Verkeerd opgevat? Dat was een regelrechte bedreiging! Hij besluit in stilzwijgen, maar een wolk van wantrouwen blijft in zijn achterhoofd hangen. Een kritische blik naar dat gezelschap zou zelfs de meest goedgelovige sukkel hard doen wegrennen.
Als waarschuwing slaat hij nonchalant en geveinsd onschuldig zijn mantel in een vloeiende beweging een klein eindje terug, waardoor de zon weerkaatst wordt in een gebogen mes en plagerig in de ogen van de muzikant schijnt.
Hij grinnikt. Dit kan nog interessant worden.
"Wat is dat?" Djïa is verontwaardigd. Dat jong is geen kruidengenezer! Verre van dat, hij is meer iets meer... niemand is meer zo bewapend behalve...

Langzaam komt er een herinnering bij Djïa naar boven, een aanraking met een magiër, Djïa verdedigde zichzelf heel erg goed maar de gebogen zwaarden van de magiër bleven maar slaan en hakken. Al snel had hij geen adem meer en probeerde de magiër bij hem weg te krijgen.. des te meer hij het probeerde des te meer de magiër zijn zin kreeg. "Je zult mij nooit verslaan, zwakke monnik. Jou soort moet al lang uitgeroeid zijn, je systeem heeft gefaald. Jij hebt gefaald, sterf nu als het beest dat je bent.. je verdient het niet om te leven!" Angst voor de dood had hij al heel erg lang niet meer. "Dood mij maar, ik zal toch terugkomen. Zoals ik altijd doe, ik ben de vergetene. Ik heb velen namen, velen uiterlijken, maar ik zal er altijd zijn! Herinner mijn stem, herinner mijn gezicht, herinner dit gevecht. Want de volgende keer dat je mij zal zien, dan zal je sterven en pas wanneer het te laat is zul je weten dat ik het was!"

Het liefst zou Djïa hem nu aanvallen en zijn vroegere pijn voor magiërs op hem loslaten, maar hij is nog jong en onverstandelijk. Waarschijnlijk is hij zelfs nog niet eens een volledig magiër, maar een magiërleerling. Toch wil Djïa zijn verachting naar de magiërleerling laten merken en spuugt hij voor de voeten van Fim en grijns breed. "Ik... ik..ik kan uw excuses niet aannemen," spreekt Djïa naar Guine. "Zoekt U nog iemand die U wilt vergezellen op uw reis?"
Met een achteloze blik kijkt Fim naar de vreemdeling. Dit is geen muzikant. Er schuilt meer achter die mysterieuze blik. Vreemde talen, bedreigingen, dit is geen gewone reiziger. Beleefd, om de fragiele verstandhouding niet verder te laten wankelen, vraagt Fim: "Wat dan is uw doel op het ogenblik, waarde taalkunstenaar? Als u zo goed uzelf kunt verdedigen, of althans beweert dat u dat kan, waarom zijn deze kunsten dan nodig?"
Djïa lacht vrolijk en glimlacht breed. "Waarom heeft een smid een hamer nodig en een kok een pan? Ik ben op meer plaatsen geweest dan dat ik mijzelf kan herinneren, overal waar je komt leer je andere dingen. De taal, vechtkunst, liefde, muziek, jongleren… haha. De wereld lijkt zo klein maar is toch oh zo groot, mijn 'kunsten' zijn nodig om anderen te begrijpen en zij mij. Sommige reizigers gebruiken alleen hun moedertaal en anderen ze allemaal… of ik mijzelf goed verdedigen kan moet u mij niet vragen. U moet zichzelf eerder vragen, of u mij kunt verslaan met uw twee kromme messen en ik met mijn blote vuist en voet." Dan pauzeert Djïa met praten en laat zijn glimlach op het gezicht van Fim rusten. "Ik heb geen doel op het moment behalve reizen, ik ga heen waar ik heen gestuurd wordt, maak muziek waar ik muziek maken moet. Verdedig mijn leven en anderen waar het nodig is, praat met anderen met talen over de hele wereld. Mijn doel ligt in de aarde, niet in mij."
Fim knikt tevreden. Dat was het antwoord waar hij op gehoopt had. Gewoon wantrouwig, net als Fim zelf. Misschien zijn hij en deze vreemdeling nog niet zo verschillend. Misschien zouden ze een goed team vormen. Teams bestaan niet louter uit goede vrienden. Fim neemt de muzikant nog eens in zich op. Een uitgelezen kans om deze reis wat interessanter te maken, maar tegelijkertijd een ondermijning van hun dekmantel.
"Ik zie aan uw houding dat u interesse in onze reisbestemming hebt, zoals ik dat in de uwe heb. Weet wel dat niet alles zo eenvoudig is als talen leren of muziek spelen. Ik weet zeker dat u aan het uitvogelen bent wat wij hier doen en waar we naartoe gaan. En als ik zo opmerk dat uw… noemt u ze vrienden? Reisgenoten? Weinig meer opbrengen dan ademen, denk ik dat u wel behoefte heeft aan wat afwisseling. Heb ik gelijk of niet?"
Een flauwe glimlach speelt om Fims lippen. Deze vreemdeling uit de tent lokken zou voordeel op kunnen leveren. Misschien kunnen ze zelfs de precieze situatie te weten komen. Want er is meer aan de hand, niet alleen hier, maar overal. De illusie is sterk aanwezig, maar niet onderdrukkend genoeg om Fims verstand te beïnvloeden. Deze man zou een waardevol lid vormen van wat er dan ook nodig is om wat dan ook te verslaan of om wat dan ook te voorkomen. Benieuw wacht hij op antwoord.
Guíne kijkt naar de twee mannen. Voor het moment lijken ze een soort staakt-het-vuren te hebben gesloten, maar ze vraagt zich af hoelang het duurt. Ze herinnert zich Djïa's vraag of ze reisgezelschap nodig heeft. "U biedt zichzelf aan als reisgezelschap, maar u heeft zelf al gezegd dat in ieder geval uw naamloze vriend niet in de steek laat. Dat houdt dus in dat hij ook mee gaat. En de overige twee leden van uw reisgezelschap misschien ook wel. Staan zij allen achter uw beslissing? Ik wil u noch uw reisgenoten beledigen maar…" Ze aarzelt even en zegt dan ferm: "Vier extra reizigers is echt te veel."
"Toch weer eens goed gezien, ja ik wil wel eens weten waar jullie naartoe gaan en wat jullie gaan doen. En ik heb weinige vrienden hier dit jaar, de naamloze en ik voelen elkaar wel goed aan en onze andere 'reisgenoten' zijn mij nog niet goed bekend. U heeft het misschien wel gelijk dat ik afwisseling nodig heb, altijd alleen reizen is niets meer voor mij. De wegen zijn niet meer veilig en de mensen ook niet meer." Djïa ziet er wel iets in om met de jonge magiërleerling mee te gaan.
Hij is nog jong en vers, hij heeft een grote reis voor de boeg en velen avonturen. Maar ik, ja ik heb al heel veel avonturen en reizen gehad, meer dan ik mij wil herinneren. Liefde, verdriet, dood, verderf, diefstal.. het is allemaal zo gewoontjes tegenwoordig. Je moet vechten om levend te blijven, sterven om weer te leven en doden om gedood te worden. Niets is meer hetzelfde.
Dan glimlacht Djïa naar Guíne. "U hebt gelijk, ik kan niet al mijn reisgenoten meenemen. Doch ik ben een reiziger en moet blijven doorreizen, te lang op dezelfde plek zitten is niets voor mij. De meeste van mij reisgenoten ken ik nog niet zo lang, alleen de naamloze ken ik het langst." Dan wendt hij zich naar de naamloze en kijkt hem aan. Hij sluit zijn ogen en legt zijn handen op zijn schouders. "Het lijkt erop als ik met deze mensen mee ga dat ik je moet verlaten, als dit zo is. Vind je wending in deze wereld, laat hem je niet gek maken. Deze twee heren zullen wel voor je zorgen, wees maar niet bang. Maar jij moet ook voor hen zorgen. Laat mij niet in de steek, kop op."
Guíne kijkt toe hoe Djïa van zijn reisgenoten afscheid neemt. Ze twijfelt of ze moet proberen hem te lezen, om te weten te komen of zijn bedoelingen zoals hij zegt onschuldig zijn, maar besluit er voor het moment vanaf te zien. De spanning is nog steeds om te snijden, gedachtelezen zou nu wel eens een heel verkeerd effect kunnen hebben. Later tijdens de reis, als de gemoederen wat zijn bedaard, kan ze het altijd nog doen.
Ze schrikt op uit haar overpeinzingen als het ezeltje met zijn snuit tegen haar schouder duwt. Hij wil natuurlijk iets eten, het arme beest loopt al een halve dag. denkt ze. Schuldbewust zoekt ze of ze nog iets eetbaars heeft. Het enige wat ze geschikt vindt, is een homp brood. Ze neemt zich voor in de eerstvolgende stad behalve voedselvoorraad voor zichzelf en haar reisgenoten ook wat voor de ezel te kopen.
"Zullen we dan maar verder gaan?" vraagt ze Fim en Djïa. "Als we een beetje doorlopen halen we 'Lith met wat geluk net voor het vallen van de avond."
Djïa kijkt vrolijk naar de ezel en pakt zijn waterzak.
"Denk je dat hij ook wat te drinken wilt hebben?" zegt hij terwijl hij de ezel wat te drinken geeft vanuit de waterzak. "Leek erop van wel," lacht hij en hij kijkt zijn andere nieuwe reisgenoten aan.
"Willen jullie misschien ook wat te drinken hebben?" Hij biedt hen zijn waterzak aan. "Ik vindt het niet erg als wij alvast gaan vertrekken naar onze volgende bestemming. Als ik zo kijk naar de stand van de zon en de afstand naar 'Lith, dan lijkt het erop dat wij 'Lith makkelijk kunnen halen. Tenminste als wij een beetje een aardige pas erin zetten. De zon staat op noordnoordwest en de zon gaat pas onder bij de stand van west, dat geeft ons genoeg tijd om bij 'Lith aan te komen."
De groep reizigers vordert inderdaad gestaag en aan de horizon begin 'Lith zich al af te tekenen.
"Daar is de schone stad al, voor het slapen van de zon. We gaan in de stad is het niet?" vraagt Djïa aan zijn reisgenoten. Het is meer een retorische vraag dan een echte vraag, want hij voelt wel aan dat ze de stad in zullen gaan. "Toch heb ik nog een vraag voor jullie beiden, jullie naam is mij nog niet verteld. Hoewel jullie wel die van mij weten, als ik het goed heb, weet ik die van jullie nog niet. Dus mag ik jullie namen leren kennen?" vraagt Djïa terwijl hij doorloopt, steeds dichterbij de stad.
"Guíne." is alles wat Guíne zegt. Ze heeft niet zo'n zin de muzikant een uitgebreider verslag te geven voor ze zeker weet dat hij te vertrouwen is. Ze loopt achter Fim en Djïa aan, die het na hun bedreigingen van zo-even ineens goed lijken te kunnen vinden, iets wat ze niet helemaal vertrouwt. 'Lith komt steeds dichterbij.«
--------------------------- (‘Lith)
--------------------------- (‘Lith)
--------------------------- (‘Lith)
--------------------------- (‘Lith)
--------------------------- (‘Lith)
--------------------------- (‘Lith)