AOLARPG: 'Lith
In deze gemeenschap worden de beste paarden van Torsan gefokt. Iedereen kent er iedereen en men is enigszins wantrouwig naar vreemdelingen.
---------------------------------------(De
zuidweg; Stend - 'Lith)
Een klein eindje staat een kudde paarden te grazen. Even schrikken ze op als
twee slechtvalken laag overvliegen, maar al snel vervolgen ze het grazen.
---------------------------------------(De zuidweg; 'Lith
- De Kaap)
---------------------------
(De zuidweg;‘Lith - De Kaap)
--------------------------- (De zuidweg; ‘Lith -
De Kaap)
--------------------------- (De zuidweg; ‘Lith -
De Kaap)
» Djïa en Fim lopen zij aan zij de nieuwe
stad in, gevolgd door Guíne die samen met de ezel in gedachten verzonken
is, het eerste ding dat hij doet is de stad in zich opnemen. De gebouwen, de
mensen, de winkels en kraampjes. Hij moet eerst weten hoe alles eruit ziet voordat
hij verder gaat, details zijn belangrijker dan vage woorden. "Mooie stad,"
zegt hij wanneer hij klaar is met het bezichtigen van het eerste gezicht van
de stad. "Vind je niet? De beste paarden van Torsan worden hier gefokt.
Misschien als we snel vervoer nodig hebben kunnen wij ze kopen, of stelen."
Hij lacht en knipoogt naar Fim en Guíne. "Ik ben geen dief, maar
soms lopen de gemoeden hoog op en is het geld laag en moet je je toevlucht nemen
tot maatregelen…"
Fim glimlacht. De onschuldige muzikant is dus niet zo onschuldig. Dat was misschien
te verwachten, maar toch komt het als een verrassing voor Fim.
Hij laat zijn blik van Djïa afdwalen naar de stad, en knikt goedkeurend.
"Een prima stad," mompelt hij. "Hier kunnen we zeker wat eerste
informatie opdoen."
En met een opgelucht gevoel loopt hij rustig op de stad af.
Guíne hoort de woorden van Djïa hoofdschuddend aan en vraagt zich
af ze er wel zo slim aan heeft gedaan hem mee te nemen.
"Een goed idee Fim," zegt ze dan. "Een markt is een prima plaats
om niet al te opvallend inlichtingen in te winnen. Maar eerst moeten we misschien
kijken of we een herberg kunnen vinden met een stal waar ons ezeltje uit kan
rusten. Daarna kunnen we altijd de markt nog opgaan."
Met het ezeltje en de twee mannen achter zich aan gaat ze op zoek naar een herberg
met stal.
Djïa knikt instemmend, een marktplaats en misschien ook wel de herberg
zijn goede bronnen van informatie. Wel vraagt hij zich af wat voor informatie
zijn beide medereizigers zoeken. Hij is dan wel met Fim en Guíne meegegaan
maar weet nog steeds niet precies wat hun queeste is. Maar eerst moet hij hun
vertrouwen vinden voordat hij erover vragen gaat stellen.
"Een herberg kan goed doen, rust is goed voor je geest en lichaam…"
prevelt Djïa en vraagt zichzelf af wat er gaat gebeuren komende tijd. "En
waar komen jullie vandaan, als ik het vragen mag? Een land ver vandaan of dichterbij
dan ik weet?"
Guíne doet er het zwijgen toe. Ze is vastbesloten geen vragen over afkomst
of herkomst te beantwoorden voor ze weet hoe dat met Djïa zit. Ze zijn
inmiddels bij de herberg aangekomen. Guíne geeft de leidsels van de ezel
over aan Fim en loopt de gelagkamer in om de herbergier te vragen of hij nog
plaats heeft voor een groepje reizigers en een ezel.
Kwaad kijkt Fim naar de teugels in zijn hand. Wordt hij weer met die ezel opgescheept.
Gefrustreerd kijkt hij rond in de stad. Een gewone drukte spoelt door de straten.
Maar er lijkt een vreemde sfeer te hangen, onder de oppervlakte proeft Fim pure
angst.
Geen van de inwoners kijkt hem echt aan, ieders ogen zijn strak gericht op de
grond. Angst voor wat?
Er hangt inderdaad een benauwende sfeer in 'Lith, maar dit is, ondanks wat Fim
denkt, geen angst, maar eerder wantrouwen jegens de vreemdelingen.
Er is een kleine herberg in 'Lith, die er allesbehalve vriendelijk uitziet,
maar wel schoon en netjes is.
De herbergier is een norse vrouw, die een koekenpan vast heeft alsof het een
wapen is.
"Ja… daar heb over gehoord; in deze stad zijn ze niet de vriendelijkste
tegen vreemdelingen. We kunnen ons beter gedeisd houden, niet te veel vragen
of druk uitoefenen op de mensen…" fluistert Djïa naar Guíne.
Dan kijkt hij naar de norse herbergier en vervolgens weer terug naar Guíne.
"Wil jij het woord doen of zal ik het doen?" vraagt hij, enigszins
onder de indruk. Wie weet wat voor aard de vrouw heeft en hoe snel ze op haar
tenen getrapt is.
"Wat moeten jullie?"
De vrouw probéért niet eens vriendelijk over te komen.
"Wij vroegen ons af of misschien nog kamers vrij heeft voor twee kruidengenezers
en een muzikant, en een plaatsje in de stal voor onze ezel." vraagt Guíne
zo neutraal mogelijk. Ze voelt wel aan dat de herbergierster het niet zo op
vreemdelingen heeft.
"Een goudstuk per persoon én voor de ezel."
"Is dit met maaltijd inbegrepen of zonder?" vraagt Djïa afwezig.
Als de herbergier hem een norse blik toewerpt, deinst hij min of meer terug
en zegt tegen Guíne: "Ik ga even bij Fim en de ezel kijken."
Guíne knikt naar Djïa. "Dat is goed." Dan kijkt ze naar
de herbergierster en herhaalt Djïa's vraag. "Is dat inclusief maaltijd
en voer voor de ezel?"
De vrouw kijkt Guíne vorsend aan.
"Twee goudstukken erbij voor drie maal avondeten en hooi voor de ezel."
"En als we twee kamers nemen in plaats drie?" vraagt Guíne.
"Is het dan vier goudstukken of ook vijf?"
"Vijf. Graag of niet."
Guíne denkt even na en zegt dan laconiek "Nou ja, als het net zo
duur is kunnen we net zo goed gewoon drie kamers nemen. Oké, we doen
het. Drie kamers dan graag en een plekje voor de ezel." Ze overhandigt
de herbergierster vijf goudstukken.
De vrouw grist de goudstukken uit Guínes hand.
"Kamers zijn boven, hooi is in de stal, eten daar."
Ze wijst met de koekenpan naar een ketel boven de open haard waar een stoofpot
pruttelt.
Djïa loopt
naar buiten naar Fim toe. "Onze overnachting is geregeld, eten kun je uit
een pan halen en de ezel kan in de stal en daar is hooi voor hem op te knagen.
Vriendelijk zijn ze hier niet, maar dat heb je waarschijnlijk al gemerkt..."
somt Djïa op.
"Moet ik helpen met de bagage?"
Fim schrikt. De bagage! Zo achteloos mogelijk zegt hij: "Oh, die draag
ik wel, ga maar vast wat eten." En hij loopt op de ezel af.
"Schiet nou maar op, dit gaat me echt wel alleen lukken, hoor." zegt
Fim geïrriteerd als Djïa bij de ezel blijft hangen. Nu is niet de
tijd om uitvoerig uit de doeken te doen wat voor bagage hij en Guíne
dragen. Hij hijst alles moeizaam op zijn schouders en negeert Djïa verder.
Die loopt, enigszins nieuwsgierig door Fims reactie, naar de herberg. Hij wil
graag weten wat er in de bagage zit dat zo geheim is, maar zijn maag knort ook
en eten is op dit moment toch prioriteit. Later zal hij wel antwoorden op zijn
vragen zoeken.
Zo snel als het gaat loopt Fim naar boven en mikt zijn bagage op het bed in
een kamer aan de achterkant, en legt Guínes bagage in haar kamer. Dan
haast hij zich naar beneden.
Als hij Guíne beneden ziet staan fluistert hij tegen haar:
"De muzikant is nieuwsgierig. Misschien in deze omstandigheden een niet
al te goede eigenschap. We moeten oppassen met antwoorden op vragen."
Dan loopt hij door naar de stoofpot, schept flink op en begint al lopend naar
een tafel in de verbazend lege herberg te eten.
Djïa wilt op het moment Fim noch Guíne zien, dus besluit hij om
bij zijn eenzame tafel in een donkere hoek te gaan zitten zodat Fim hem niet
snel zal zien. "Waarom moeten ze zo moeilijk doen, ik doe ze toch niets?"
zegt hij zachtjes tegen zichzelf. "Maar goed, dat is nu eenmaal de aard
van magiërs en dat zijn ze, als mijn ogen me niet bedriegen. Altijd op
hun hoede en altijd het gevoel dat ze beter zijn."
Nors neemt hij een hap van zijn stoofpot en die brengt herinneringen met zich
mee. Hij is hier eerder geweest, vele jaren geleden. De herbergier was er toen
ook al… Bertha heette ze. Maar ze zal zich hem wel niet meer herinneren,
hij zag er toen anders uit. Zij trouwens ook!
"Heeft hij
gezien wat er in onze bagage zat?" vraagt Guíne. Fim schudt van
nee. "Nou ja, het had misschien ook niet zoveel uitgemaakt." zegt
ze aarzelend. "Er zitten alleen maar reisbenodigdheden en kruiden in toch?
Niet ongewoon voor kruidengenezers." En mijn kronieken zien er voor ieder
die geen magiër is uit als gewone boeken,.denkt ze erachter aan. "Of...wat
heb jij eigenlijk bij je?" bedenkt ze zich dan.
Ondertussen heeft ze zelf ook haar bord vol geschept en is gaan zitten.
Ik hoop niet dat die muzikant al te nieuwsgierig wordt denkt ze zorgelijk. Misschien
moet ik na het eten toch maar eens proberen zijn gedachten te lezen, om te weten
te komen wat hij over ons denkt.
Fim denkt even na over Guínes woorden. Veel interessants heeft hij ook
niet bij zich, zoals in die test op de open plek bleek.
"Niet erg veel bijzonders," fluistert Fim terug. "Maar als hij
dat pakketje ziet en zijn nieuwsgierigheid niet kan bedwingen, sta ik niet voor
de gevolgen in. Ik heb al eerder gezegd dat ik absoluut niet kijk wat er in
zit. Voor mij is het een groot geheim, en ik heb zelfs niet eens een benul of
het van pas kan komen."
Samen met Guíne zoekt Fim een tafel uit, en als ze zich in de wat wankele
stoelen genesteld hebben, zegt hij: "Voor het ogenblik zijn we veilig."
Hij glimlacht en knipoogt naar Guíne en dan begint hij vol overgave aan
zijn maaltijd.
Guíne kijkt nadenkend naar Djïa, die zich van hen afgezonderd heeft.
Hij mag dan nieuwsgierig zijn naar onze achtergrond, zelf verbergt hij ook nog
het een en ander.
De muzikant heeft zijn eten inmiddels op en zit te doezelen in zijn stoel. Ze
vindt het nu, in het donker van de nacht in de op de herbergierster na lege
gelagkamer, een goed moment om iets over zijn bedoelingen te weten te komen.
Tot verbazing van Fim sluit ze haar ogen en mompelt ze enkele voor hem onverstaanbare
woorden.
"Van deze muzikant
Met wie wij reizen door het land
Wil ik de gedachten onthuld zien
Heeft hij kwaad in de zin misschien?"
Dan probeert ze voorzichtig Djïa's gedachten te bereiken.
Guíne opent haar ogen weer en kijkt Fim aan.
Enkele tafels verderop wordt Djïa wakker en schraapt afwezig de laatste
resten van de stoofpot van zijn bord.
"Ik ga naar bed." zegt Guíne tegen Fim. "Het is tenslotte
al laat en morgen wil ik al vroeg weer op." Ze aarzelt even en wenst dan
ook Djïa een goede nacht. Dan loopt ze trap op naar haar kamer. Ze bladert
nog wat in haar kronieken, maar ze kan haar ogen nauwelijks openhouden en het
duurt dan ook niet lang of ze is diep in slaap.
Uren later zit
Djïa nog steeds beneden. Het is rustiger in de gelagkamer geworden; er
zijn alleen nog wat vaste klanten en gasten met een kamer. Hij rekt zich uit
en loopt naar de barkruk. Na enige aarzeling spreekt hij de herbergier aan.
"Bertha, is het niet?"
De vrouw reageert door hem vorsend op te nemen.
"Ja dus. Ik dacht al dat ik je stoofpot herkende. Ik was erbij, jaren geleden,
toen een vriend van me je dit recept gaf. Tyrp, de kok."
Hij glimlacht vriendelijk naar Bertha.
"En wat zou dat?" is het enige antwoord dat hij krijgt.
"Ik vroeg mij toch af," vervolgt hij voorzichtig, "hij beschreef
jou altijd als iemand die wel aardig was voor menig reiziger. Volgens mij ben
je in de jaren wel veranderd…"
En aangekomen, denkt hij er met een sprankje humor achteraan.
Bertha's blik wordt iets zachter, maar toch is ze nog afstandelijk.
"Er is veel gebeurt de afgelopen jaren."
Djïa glimlachte zachtjes, de harde schelp van Bertha was gebroken of tenminste
verzacht.
"Ik begrijp het wel, als dingen gebeuren kunnen ze grote effect op je hebben.
Maar soms helpt het ook om met iemand te praten, als je wilt praten. Ik wil
er wel voor je zijn…"
"Wie weet..."
Bertha staart even zwijgend voor zich uit.
"Maar niet nu, niet midden in de nacht."
De muur, die iets in hoogte leek af te nemen, keert terug. "Ga naar bed,
reiziger.
Misschien morgen," voegt ze er zacht aan toe.
Zo verstrijkt
de nacht voor de drie en als de eerste zonnestralen 'Lith bereiken, kraaien
verschillende hanen om de burgers te wekken.
Bij het kraaien van de haan wordt Guíne wakker. Ze merkt dat ze haar
kronieken nog steeds vast heeft. Met een snelle beweging zien ze er weer uit
als gewone boeken en legt ze ze terug in haar tas. Ze gaat naar buiten, even
langs bij het ezeltje.
"Hmm, ik moet jou maar eens een naam geven, hè?" zegt ze terwijl
ze het ezeltje van water en hooi verziet.
"Wat zou je zeggen van Jelle?" het ezeltje balkt een kort i-a. "Dan
heet je vanaf nu Jelle." zegt ze en ze kriebelt hem achter zijn oren.
Dan loopt ze terug de gelagkamer in. Ze hoopt dat haar twee medereizigers ook
al wakker zijn. Een van beide ziet ze meteen zitten.
Djïa is meteen naar de gelagkamer gegaan toen hij wakker werd en heeft
daar plaats genomen. Hij kijkt of Bertha er al is, maar die is nog in de keuken.
Een jonge hulp staat achter de bar.
Guíne loopt op Djïa af.
Als we toch samen moeten reizen, kunnen we beter vriendelijk tegen elkaar zijn.
"Heb je Fim al gezien?"
Djïa kijkt Guíne aan en probeert te glimlachen. "Nee, ik heb
Fim vandaag nog niet gezien." In zijn blik is een spoor van wantrouwen
jegens de vrouw. Op dat moment komt Bertha de keuken uit met een groot, dagvers
brood en een homp kaas op een houten plank.
"Ontbijt," zegt ze, terwijl ze de plank onzacht op de tafel van Djïa
zet. Ernaast plaatst ze twee kannen met helder water en licht bier.
"Ziet er lekker uit, Bertha. Ik heb wel altijd van een lekker stukje kaas
gehouden. Dus nu kan het ook wel naar binnen." Djïa probeert een glimlach
aan de herbergier te ontlokken, maar slaagt daar niet in.
Guíne schuift een stoel bij en helpt zichzelf aan een homp brood met
wat kaas. Ook schenkt ze een glas water in. Dan realiseert ze zich ineens dat
Djïa de herbergierster bij haar naam aansprak.
Hoe kennen ze elkaar? Is het wel toeval dat we juist in deze herberg beland
zijn? Er zijn blijkbaar nog een hoop dingen die we niet van hem weten. Wat hij
gedaan heeft voordat we hem tegenkwamen bijvoorbeeld.
Bedachtzaam gaat Guíne weer zitten. Ze vraagt zich af of ze ernaar moet
vragen. Ze begint te eten en vraagt dan nonchalant tussen twee happen door "Ken
je de herbergierster goed?"
Djïa neemt een grote hap van de kaas en aarzelt even.
"Ik ken haar van gisteravond, toen hebben we een praatje gemaakt. Ze is
best aardig," antwoordt hij dan. Het is echter overduidelijk dat hij niet
de hele waarheid verteld.
Dan zwaait de
deur van de herberg open. In de deuropening steekt Fims groene mantel af tegen
de grauwe stad achter hem.
Opgewekt loopt hij naar de bar en bestelt een water. Hij kijkt van Guíne
naar Djïa en weer terug. Als hij de onvriendelijke blikken ziet die ze
elkaar toewerpen, vraagt hij verwonderd: "Mis ik iets?"
"Hmm, wat zou je gemist kunnen hebben?" vraagt Guíne nadenkend
aan Fim. "Wat zou je denken van, zo ongeveer de halve ochtend?" zegt
ze streng, maar in haar ogen twinkelen pretlichtjes. "Fim jongen, als je
wat van de wereld wilt zien, zul je toch echt vroeger je bed uit moeten komen
hoor." Ze lacht, opgelucht dat haar leerling terecht is en ze niet meer
alleen tegenover Djïa staat. "Nou, ga zitten en eet wat."
Fim glimlacht mysterieus.
"Bedankt, maar ik heb al gegeten. 'Lith is een fascinerende stad, maar
zijn inwoners zijn zoals verwacht nogal achterdochtig. Gelukkig zijn er prima
herbergen zoals deze."
Fim knipoogt naar Djïa, en gaat dan zitten op een stoel naast Guíne.
"Maar een groot stuk brood zou er nu wel ingaan als je aandringt."
Met een glimlach van oor tot oor kijkt Fim nu naar Guíne en vervolgt:
"Is er echt niets interessants gebeurt toen ik weg was?"
"Zou er wat gebeurd moeten zijn, op dit tijdstip?" vraagt Guíne
met een opgetrokken wenkbrauw. "Vertel ons liever wat je gezien hebt in
de stad. Heb je op de markt een kraam gezien waar we wat reisbenodigdheden kunnen
kopen? Want misschien moeten we daar dan maar eens gaan kijken." Ze neemt
nog een slok en kijkt Fim afwachtend aan.
"Natuurlijk ben ik op de gewone markt geweest," antwoordt Fim, "maar
daar waren niet de juiste benodigdheden voor onze reis te vinden."
Hij begint te fluisteren
"Nee, een beetje rondslenteren door steegjes levert veel meer interessant
materiaal op. Zo heb ik allerlei geruchten opgevangen. Er wordt gefluisterd
over de Doog."
Fim glimlacht. "Maar dat is onmogelijk. In jouw boeken heb ik daar wat
over gelezen, maar alleen zeer sterke magie kan tot de Doog leiden. En alle
sterke magie is in handen van mensen die we kennen, toch?"
Djïa zijn mond valt open van verbazing, deze verspreking van Fim heeft
zijn eeuwige waanideeën bevestigd. Hij staat nu in oog met twee magiërs,
ze kunnen hem pijn doen als ze willen - zouden ze het willen?!
Hij slikt terwijl hij van zijn kruk afgaat en met trillende benen een stap naar
achter neemt Hij weet niet hoe machtig ze zijn, maar magiërs kunnen niets
goeds voor hem betekenen.
"Dus het is waar. Jullie zijn magiërs, moordenaars!" fluistert
Djïa. Zijn angst heeft plaatsgemaakt voor vastberadenheid. "Maar jullie
krijgen mij niet, hoor je!"
"En wat dacht je daaraan te gaan doen dan? Als je niet tegen magiërs
kunt, kun je misschien maar beter weggaan." Guínes stem klinkt kalm,
maar in haar ogen ziet Djïa iets waardoor haar voorstel hem nog niet eens
zo gek in de oren klinkt.
Even lijkt hij op het punt te staan een vinnig commentaar te geven, dan kiest
hij toch eieren voor zijn geld. Zelfs voor Fim heeft kunnen reageren, is hij
van tafel opgestaan en spoed zich de herberg uit.
---------------------------
Enigszins verbaasd kijkt Guíne Djïa na. Dan haalt ze haar schouders
op. Na ja, het zal wel denkt ze bij zichzelf. Ze kijkt Fim aan en vraagt:
"Zei je nou dat je iets had gehoord over de Doog? Dat is ernstig. Bijna
net zo ernstig als dat je in mijn boeken gesnuffeld heb." ze knipoogt,
maar wordt dan weer serieus. "Je bent er nog niet klaar voor Fim, voor
die boeken. Die dag komt echt nog wel. Maar in de tussentijd moeten we kijken
of we uit kunnen vinden wat er van de geruchten waar is. Als ze waar zijn, zijn
de problemen voor Torsan groter dan ik dacht."
Ze pakt haar mantel van de stoel naast haar en zegt:
"We zullen gelijk maar beginnen dan. Waar heb je de geruchten gehoord?"
Fim grijpt naar zijn hoofd, wankelt even. Hij knipper een paar keer met zijn
ogen en kijkt Guìne verwonderd aan.
"Ik... ik weet het niet meer. Wat er is gebeurd, waar ik was... Het is
allemaal één grote mist. Alsof ik niet mag weten wat er aan de
hand is."
Dan verandert zijn blik van verwondering in wantrouwen.
"Hou je iets voor me achter? Verberg je dingen in die boeken die ik niet
mag weten? Of pas als ik ouder ben? Als ik er "klaar" voor ben? Tot
een paar dagen geleden was alles zoals het altijd was, maar er zijn dingen veranderd.
Belangrijke dingen. Informatie is een groter wapen dan ooit. En foute informatie
kan levensgevaarlijk zijn."
Fim is even stil, alsof hij zijn gedachten op een rijtje zet.
"Ik kan mezelf niet eens meer vertrouwen..." stamelt hij dan, en hij
verbergt zijn hoofd in zijn handen. Vechtend tegen zijn tranen kijkt hij Guìne
aan.
"Wat gaat er nu gebeuren?"
"Tot een paar dagen geleden was alles zoals anders, maar nu zijn er belangrijke
dingen veranderd?" herhaalt Guíne.
"Fim, waar heb je het toch allemaal over?"
Ze trekt vragend een wenkbrauw op.
"Die boeken bevatten kennis, daar heb je inderdaad gelijk in. Sommige dingen
zijn echter gevaarlijk om te weten voor diegenen die nog niet voldoende geschoold
zijn. Het spijt me dit te moeten zeggen Fim, maar daar val jij ook onder. Wat
in deze boeken staat is voor groot gedeelte opgetekend door voorgaande grootmeesters,
alleen bestemd om door te geven aan een door henzelf gekozen leerling, op een
door henzelf gekozen moment als ze hun dood voelen naderen. Dus je zal nog wat
jaartjes moeten wachten, want ik was nog lang niet van plan dood te gaan."
Guíne grinnikt.
"En daarin is niet veel veranderd sinds we van het eiland zijn. Toen we
daar nog zaten, waren deze boeken ook verboden gebied, dus waarom vind je dat
nu oneerlijk? Het..."
Guíne stokt midden in een zin. Toen ze over het eiland praatte, schoot
haar ineens een voorval te binnen. Een voorval dat vrijwel de directe aanleiding
was geweest voor hun vertrek daarvandaan. Een voorval waarna Fim zich ook zo
versuft had gedragen. Een bang voorgevoel maakt zich van haar meester.
"Fim, dit was niet als... de vorige keer he?" vraagt ze haar leerling
voorzichtig.
Als Guíne dat zegt, zet Fim grote ogen op, alsof hij zich iets lijkt
te herinneren. Dan grijpt hij met een onzekere hand naar zijn hoofd en glijdt
vervolgens bewusteloos van zijn stoel.
"Fim, sta op!" zegt ze enigszins beangstigd.
De jongen blijft liggen, de lucht om hem heen zindert.
Fims hoofd voelt alsof het iedere moment uit elkaar kan barsten. Knipperend
met zijn ogen probeert hij steun te zoeken op zijn ellebogen. Wankelend komt
hij overeind, alles draait. De wanden lijken op hem af te komen, en een vage
schim staat met de handen in de zij op hem gericht. Zwaaiend op zijn benen lijkt
Fim weer te gaan vallen, zijn handen strekken uit naar alles wat houvast kan
bieden. Een stoel houdt zijn kracht niet en valt kletterend op de grond. Fim
wankelt achteruit, tegen een steunpilaar aan die vervaarlijk begint te kraken.
Zijn rechterhand vindt een tafelblad en even kan Fim zich staande houden. Dan,
met een donderend geraas, barst de grond open en stort hij met tafel en een
aantal stoelen door de vloer. In een wolk van stof, gruis en houtsplinters ligt
Fim op de tafel, compleet versuft. Plotseling begeven de tafelpoten het en het
laatste wat Fim ziet voor hij bewusteloos raakt, is een kuchend hoofd dat over
de rand boven hem kijkt.
Met ferme passen komt Bertha op hen aflopen.
"Als jullie maar niet denken dat je dit niet hoeft te betalen!" snauwt
ze, zonder acht te slaan op Fims toestand. De jongen komt weer half bij. Hij
voelt zich alles behalve lekker, maar het lijkt er niet op dat hij snel weer
flauw zal vallen. Helemaal niet nu Bertha naast hem staat te schreeuwen.
"Betalen? Als die vloer beter was geweest, was hij er nooit doorheen gezakt!"
zegt Guíne pinnig. Ze zet haar handen in haar zij en haar ogen schieten
vonken. Die herbergier denkt zeker dat ze alles kan maken! denkt ze voelt woede
door haar aderen stromen. Dan herinnert ze zich dat ze Fim nog niet zo lang
geleden gezegd heeft dat ze vooral niet op mochten vallen en haar woede ebt
weg.
"Gaat het een beetje Fim?" Ze buigt zich bezorgd over het gat in de
vloer waar nog steeds stof uitkomt.
de ander stuurt ze Guíne richting de deur.
"Eruit! Nu!"
Versuft laat Fim zich naar buiten werken. Daar aangekomen brengt de koele lucht
hem weer een beetje bij zijn positieven.
"Wat doen we nu?" vraagt hij Guìne.
"Wat we ook van plan waren voor we straat gegooid werden: reisbenodigdheden
inslaan en ondertussen kijken of we wat geruchten op kunnen vangen over de Doog."
Ze voelt in haar zakken en zegt: "Wacht even. Een paar van mijn spullen
liggen nog binnen. Wat zou onze herbergier ervan zeggen als ze me terug zag
komen?" Guìne grinnikt. Op de een of andere manier hebben de incidenten
met Djïa en Fim iets van haar voorzichtigheid weggenomen.
Fim kijkt Guìne verbaasd aan. Wat is er met haar aan de hand? Ze is veranderd
sinds deze reis is begonnen.
Zijn schouders ophalend volgt hij haar de steeg naast de herberg in.
Op dat moment gooit Bertha met een ferme zwaai de bagage van Guíne en
Fim de straat op.
Als haar koffer langs suist, kijkt Guíne verdwaasd op. Als hij met een
knal op de straat terechtkomt en openspringt, kijken omstanders geamuseerd om.
Guíne kleurt en begint snel met het bij elkaar verzamelen van haar spullen,
die door de klap over de hele straat verspreid zijn.
Na een vernietigende blik op de omstanders, snelt Fim toe om Guìne te
helpen. Wat een hoop komt er uit die koffer! Dat krijgen ze er onmogelijk weer
in!
Guíne ziet de onthutste blik die Fim op haar bagage werpt en schiet in
de lach.
"Tsja, oude vrouwen hebben soms belachelijk veel spullen bij zich."
knipoogt ze. "Het gaat er heus wel weer in hoor. Het heeft er eerder allemaal
ingepast, dus dat zou in theorie nu ook weer moeten werken." Zegt ze met
een rood hoofd, terwijl ze verwoedde pogingen doet haar koffer met erin gepropte
bagage dicht te krijgen.
Een koopman komt voorbij lopen en mompelt iets wat verdacht veel lijkt op: "Klaplopers!"
In dezelfde seconde dat de koopman dat ene woord uitspreekt, vliegt Fim woedend
overeind. Met een ijselijk koude blik kijkt hij recht in de ogen van de man,
die verschrikt terugdeinst.
Fim staat op het punt iets doms te doen, als iets hem onverwachts tegenhoudt.
Bertha staat achter Fim en heeft hem in de kraag gegrepen.
"Was ik niet duidelijk genoeg? Wegwezen! Ik wil jullie niet meer op mijn
terrein hebben!"
De koopman ondertussen loopt snel verder en Bertha kijkt met bliksemende ogen
naar beide magiërs.
"Nou, als jij de eigenaar van de openbare weg bent, hoop ik dat je die
beter onderhoudt als je herberg." sneert Guíne, terwijl ze haar
koffer met een luide knal sluit. Met een over haar schouder geroepen "Fim,
kom mee" beent Guíne weg.
Doordat Guíne over haar schouder keek, loopt ze per ongeluk tegen iemand
aan.
Het blijkt een jong meisje te zijn. Een bedelaresje, aan haar kleren te zien.
Haar haren zijn wild en verward, maar ondanks dat is ze behoorlijk knap om te
zien. Haar vloeken doen echter niet onder voor de eerste de beste matroos. "Kijk
uit waar je loopt heks!" is nog het vriendelijkste wat ze te melden heeft.
Een harde donderslag smoort de rest van haar woorden in de kiem en van het een
op het andere moment stortregent het in 'Lith.
Binnensmonds verwenst Guíne de weergoden. In een paar tellen is ze doorweekt.
Net als veel andere mensen probeert ze te schuilen onder een afdak van een kraampje.
Fim is ze ondertussen in de door noodweer onstane chaos kwijtgeraakt.
Tot overmaat van ramp is het volgende dag Guíne merkt dat ze beroofd
is. Haar geldbuidel is leeg.
Mopperend loopt Guíne door Lith'. Haar kleren zijn doorweekt, Fim is
spoorloos, en nu is ze ook nog beroofd. Ze staat stil om voor de zoveelste keer
water uit haar mantel te Echt veel nut heeft dat niet, want de mantel blijft
door en door nat. Ondertussen lopen de straten van 'Lith langzaam leeg, omdat
iedereen een droog onderkomen zoekt.
Terwijl Guíne haar mantel opnieuw haar mantel uitwringt, bedenkt ze wat
ze nu moet doen. Allereerst moet ik Fim terugvinden, denkt ze. Ze stapt
van de straat weg en concentreert zich op het beeld van haar leerling. Fim,
waar zit je? is de gedachte die ze geluidloos de lucht instuurt.
Het slechte weer lijkt Guínes gedachten te storen en ze voelt niets.
Fim ondertussen is tussen enkele gehaaste voetgangers mee geduwd richting een
van de andere straten in "Lith. Na hooguit een minuut weet hij zich als
weer te bevrijden, maar in een vreemde stad en met het slechte weer is het kwaad
al geschied. Hij is verdwaald.
Guíne mompelt
een verwensing. Dat rotweer ook! denkt ze. Ze loopt richting een herberg
om weer wat warmer te worden, maar dan bedenkt ze zich dat ze geen geld heeft
om er iets te kopen.
Het weer lijkt alleen maar slechter te worden.
Hoewel het tegen haar natuur is, snapt Guíne ook wel dat ze toch ergens
geld vandaan moet zien te halen, wil ze ergens kunnen overnachten. Ze gaat de
dichtstbijzijnde herberg in en vertelt dat ze een kruidenvrouwe is en geld nodig
heeft om een overnachting te kunnen betalen.
"Weet u misschien mensen die gebaat zouden bij een kruidenbehandeling?"
vraagt ze voorzichtig aan wat mensen die aan de bar zitten.
"Je bent toch geen heks, hè?" is de reactie die Guíne
krijgt.
"Ik ben slechts een eenvoudige kruidenvrouw, die aan wat geld probeert
te komen om eten en onderdak te betalen. Tijdens het slechte weer van vandaag
is helaas mijn beurs gestolen." antwoordt Guíne.
De vrouw die Guíne antwoordde, haalt haar schouders op.
"Ik heb niets nodig."
Ze lijkt nog steeds achterdochtig.
"Kent u dan wellicht iemand anders die gebaat zou zijn bij kruiden? Een
familielid met griep misschien? Of een buurvrouw met maagklachten?" probeert
Guíne opnieuw.
"Pf! Daar bemoei ik me niet mee hoor! Ik heb wel wat beters te doen!"
De vrouw draait zich van Guíne weg.
---------------------------
Aan een tafeltje ergens in een hoek richt een meisje haar hoofd op om naar de
vreemdelinge te kijken. Zwijgend slaat ze de ander gade terwijl die haar diensten
aanbiedt. Zelf is ze volkomen gezond, anders zou ze wel naar de bar toe lopen,
want ze kan wel wat vrienden gebruiken.
Vanuit haar ooghoeken bemerkt Guíne een beweging in een van de hoeken
van de herberg. Onopvallend draait ze haar hoofd een beetje en ziet een meisje
dat naar kijkt.
Als hun blikken elkaar kruisen slaat het meisje snel haar ogen neer. Dan neemt
ze een besluit en staat op om naar de bar te lopen. "Hallo... Lekker weertje,
hè?" is het eerste dat ze kan bedenken.
Guíne fronst haar wenkbrauwen en zegt droog: "Hmm, mijn idee van
een lekker weertje is toch meer een zonnige dag. Maar goed, meningen kunnen
verschillen natuurlijk." ze glimlacht. "Woon je hier in de stad?"
"Ach, "t is maar wat je wonen noemt," antwoordt het meisje. "Ik
heb sinds twee weken een kamer in deze herberg, bij gebrek aan ander onderdak.
Maar op één plek wonen ligt mij eigenlijk niet, en bovendien heb
ik niet erg veel geld meer..." Ze zwijgt even, aarzelend of ze nog meer
zal vertellen, maar vraagt dan: "En u?"
"Of ik hier woon of of ik veel geld heb?" vraagt Guíne met
een glimlach. "Op allebei de vragen moet ik nee antwoorden. Ik woon hier
niet, maar ben op doorreis samen met mijn leerling, die ik helaas een beetje
kwijtgeraakt ben in dat nare weer van vandaag. En in dat zelfde weer is mijn
beurs gestolen, dus geld heb ik ook niet meer." Ze neemt het meisje eens
op. "Maar hoe kom je hier dan verzeild, zo in je eentje?"
"Daar praat ik liever niet over," mompelt het meisje. Haar gezicht
betrekt bij een paar pijnlijke herinneringen. "Zo kort geleden," mompelt
ze nog zachter, in zichzelf. "Het lijken eeuwen..." Dan zegt ze, om
over een ander onderwerp te beginnen: "Ik heet trouwens Natalia."
Om hen heen wordt het drukker in de herberg; het is etenstijd.
"Natalia, een mooie naam." glimlacht Guíne. Ze doet net of
ze het vertrekken van Natalia"s gezicht niet heeft gezien. "Mijn naam
is Guíne."
"Aangenaam." Natalia lijkt opgelucht dat Guíne niet verder
op haar verleden in gaat. Dan kijkt ze om zich heen. "Etenstijd. Ik zou
best wat lusten, en ik héb nog wel geld over. Hebt u al gegeten?"
"Nee, ik heb nog niet gegeten." antwoordt Guíne. Maar ik
kan niet van haar verwachten dat ze voor mij betaalt, zoals ze al zei heeft
ze zelf ook niet zo veel meer...
Ze herhaalt haar gedachten hardop: "Maar ik zou niet willen dat je weinige
geld harder op gaat doordat je voor twee een maaltijd zou moeten betalen. Ik
weet trouwens sowieso niet of dit een dure herberg is..." zegt ze twijfelend.
"Volgens mij valt het wel mee..." zegt Natalia aarzelend. Ze draait
zich om naar de herbergier en vraagt: "Hoeveel kost een simpele maaltijd?"
"Voor haar?" knikt de herbergier, richting Guíne.
"Als ze hier ook een kamer neemt, komt het bij de prijs in, net zoals bij
jou. En anders... Een zilverstuk."
"Dat is waar ook, het zat bij de prijs in," mompelt Natalia. Dan zegt
ze tegen Guìne: "Een zilverstuk is niet zo veel. En anders zou je
het een keer terug kunnen betalen?"
"Jij hebt een kamer hier he?" vraagt Guíne en strijkt een losgeraakte
natte haarlok uit haar gezicht. "Zou daar plaats zijn voor mijn bagage,
om te drogen?"
"Lijkt me wel," antwoordt Natalia. "Zullen we dat dan nu even
gaan doen, voor het eten?"
"Ja, dat vind ik een prima idee." knikt Guíne. Zou Fim
ook een droog plekje hebben gevonden? denkt ze. Ze hoopt van wel.
"Goed, dan gaan we naar mijn kamer," zegt Natalia terwijl ze opstaat
en naar de trap loopt.
Boven pakt Guíne haar spullen uit. Zoals ze al angstig vermoedde, zijn
sommige van haar kruiden nat geworden. Gelukkig niet de meest zeldzame, maar
toch. Ze probeert te redden wat er te redden valt door de kruiden voorzichtig
droog te deppen en ze daarna aan een touw tussen twee blaken te spannen.
Natalia kijkt nieuwsgierig toe. "Wat zijn dat voor kruiden?" vraagt
ze.
"Dat is purperen zonnehoed, dat helpt bij verkoudheid. Daarnaast hangt
goudsbloem, wat ik gebruik bij verbrandingen. Zilverkaars helpt bij typisch
vrouwelijke klachten, en toverhazelaar is heel geschikt om kleine wonden mee
te behandelen."
Guíne gaat het rijtje langs, en noemt nog een paar namen op van kruiden,
en het doel waarvoor ze gebruikt worden. Als ze ziet dat Natalia enigszins geïntimideerd
raakt door de stortvloed van namen, houdt ze op.
"Het spijt me, het was niet mijn bedoeling zoveel informatie over je uit
te storten." verontschuldigt ze zich.
"Geeft niet, ik vind het juist interessant," zegt Natalia terwijl
ze de namen probeert te onthouden. "Dus die," ze wijst naar het eerste
plantje, "is voor verkoudheid?"
"Ja dat klopt." zegt Guíne. "Gelukkig heb ik er nog een
klein voorraadje van dat niet nat is geworden, want ik heb zo"n flauw vermoeden
dat ik het zeer binnenkort wel eens nodig kon hebben."
"Ja, met dit weer..." zegt Natalia terwijl ze naar buiten kijkt. "Ik
hoop dat het morgen beter weer wordt; ik ben van plan om dan te vertrekken.
Maar met die stortbuien moet ik misschien nog een dag wachten."
"Ja ik was buiten in dit weer." fronst Guíne. "Maar zei
je dat je van plan was te vertrekken? Wat gaat het doel worden van die reis,
of is de reis op zich het doel?"
"Ja, ik houd er gewoon niet van om aan één plek gebonden
te zijn, om opgesloten te zitten in een gebouw. Ik wil het liefst reizen."
"Je wilt Torsan dus gewoon een beetje doorkruisen." constateert Guíne.
"Waar wil je gaan beginnen, of zie je dat vanzelf wel?"
"Daar heb ik nog niet echt over nagedacht," bekent Natalia. "Ik
zie wel." Dan krijgt ze een idee. "Waar gaat u naartoe? Misschien
zouden we samen kunnen reizen. Als u het goed vindt..."
"Mijn planning is om in westelijk richting te reizen." antwoordt Guíne.
"Als ik hem nog op tijd vind, reist mijn leerling ook mee, maar extra gezelschap
is altijd welkom." glimlacht ze hartelijk.
Dan kijkt ze weer naar buiten. "Ik hoop dat het snel stopt met regenen..."
Hoewel het onderhand donker buiten is, lijkt de lucht warempel wat op te klaren.
De frequentie waarmee de druppels tegen het dak tikken wordt lager en langzaam
wordt het bijna stil.
"Nou zeg, ik word op mijn wenken bediend!" lacht Natalia. "Zullen
we naar beneden gaan om iets te eten? Ik betaal wel voor je, als we toch samen
reizen kun je het altijd nog een keer terug betalen."
"Iets warms om te eten, ja dat zou er wel in gaan." verzucht Guíne.
"Natuurlijk krijg je het terug, zodra ik weer wat geld verdiend heb."
"Het heeft geen haast, hoor," glimlacht Natalia. Dan staat ze op en
loopt naar de deur.
Als de twee in de gelagkamer komen, is het daar ondertussen wat rustiger geworden.
Zo gauw ze aan een tafeltje zitten, loopt een jong dienstmeisje op hen af. "Wat
kan ik voor u doen?"
"We zouden graag willen eten," zegt Natalia. "Ik betaal voor
Guíne. O ja, wat kost mijn verblijf hier als ik morgenochtend zou vertrekken?"
"Komt in orde, momentje."
Het dienstmeisje verdwijnt in de keuken en komt even later terug met twee borden
stoofpot en een wat oudbakken brood, dat echter nog wel geschikt is om in de
saus te dopen. "Nog drie goudstukken, volgens de waard."
Natalia bedankt voor het eten en wendt zich dan naar Guíne. "Ik
heb toch nog meer geld dan ik dacht," lacht ze. "Ik ben nooit erg
goed geweest in de waarde van geld."
"Gelukkig maar." antwoordt Guíne. "Het zou vervelend zijn
als het andersom was." Ze neemt een hap eten en zegt daarna: "Hoe
vroeg was je van plan te vertrekken morgen?"
Natalia haalt haar schouders op. "Geen idee. Ik zie wel." Ze neemt
ook een hap eten. "Hoe laat gaat u weg?" vraagt ze dan.
"Hmm, ik houd er wel van om vroeg te vertrekken. Voor de zon opkomt."
antwoordt Guine. "Dan schiet het tenminste een beetje op."
"Dat klopt," beaamt Natalia. "Lijkt me een goed idee." Ze
neemt nog een hap en vervolgt: "Dan denk ik dat ik straks maar meteen alles
betaal, dan verliezen we daar morgen ook geen tijd meer mee. Tenminste, ik weet
niet hoe laat de waard hier meestal op staat."
"Och, waarden staan meestal wel vroeg op. Maar ik weet niet of dat zo goed
is voor hun humeur..." Guíne grinnikt zowaar, als ze terugdenkt
aan Bertha. "Ow ja, dat is waar ook." herinnert ze zich als ze aan
Bertha denkt. "Ik moet Jelle, mijn ezel, ook nog ophalen bij de vorige
herberg waar ik verbleef.. Dan doen we er inderdaad goed aan vroeg op te staan."
besluit ze.
"Goed, dan doen we dat," zegt Natalia. Ze doopt een stuk brood in
de saus en neemt er een hap van.
Merkwaardig meisje dit denkt Guíne bij zichzelf, terwijl ook zij van
de stoofpot eet. Ik zal morgen eens kijken of ik iets meer over haar achtergrond
te weten kan komen.
Natalia kijt peinzend voor zich uit terwijl ze haar stoofpot eet. Morgen eindelijk
weg, daar was ik wel aan toe. En ik reis niet alleen. Ze kijkt even vluchtig
naar Guíne. Ze is wel aardig. Maar ook een beetje vreemd. Ik vraag me
af of ze echt alleen een kruidenvrouw is. Ach ja, ik neem aan dat ze het wel
zal vertellen als ze wil. Ze wendt zich weer naar haar eten.
"Ik denk dat we, als we morgen vroeg weg willen, het beste na de stoofpot
nachtrust kunnen gaan houden. Wat denk jij?" vraagt Guíne tussen
twee happen door aan Natalia.
"Ja, lijkt me een goed idee," zegt Natalia. "Ik blijf toch meestal
niet lang op."
De nacht verstrijkt rustig als Guíne en Natalia hun bed op hebben gezocht.
Vroeg in de ochtend haalt het gekraai van een haan hen uit hun dromen.
Guíne rekt zich uit. Tot haar grote ontsteltenis merkt ze dat ze het
slapen in dekens op een houten vloer blijkbaar een beetje verleerd is. Mezelf
te veel luxe gegund op het eiland concludeert ze en staat moeizaam op. Ze rolt
de dekens in elkaar en daarna begint ze een voor een haar kruiden van het plafond
te halen.
Natalia wordt wakker van de haan en van Guíne, en komt overeind. "Lekker
geslapen?" geeuwt ze, voor ze uit het raam kijkt om te zien wat voor weer
het is.
"Ik ben het op de vloer slapen blijkbaar een beetje verleerd, maar ik heb
over het algemeen wel aardig geslapen." antwoordt Guíne ietwat afwezig
en plukt een takje rozemarijn van het plafond. Ze fronst haar voorhoofd. "Ik
zou toch zweren dat ik hier meer van had." mompelt ze.
"Er zijn hier toch geen dieven?" vraagt Natalia meteen, terwijl ze
uit haar bed stapt.
"Hmm wat? Oh nee ik denk het niet hoor." antwoordt Guíne. "Dan
zouden ze vast geen kruiden stelen van het plafond, maar eerder onze buidels
doorzoeken. Niet dat daar nou nog veel inzit..." mompelt ze erachteraan.
"Nee, ik zal me wel vergissen. Het zal de leeftijd wel zijn."
Ze pakt haar laatste spulletjes in. "Ik hoop dat het niet weer regent?"
vraagt ze Natalia.
Het is een stralende ochtend.
"Eerst nog ontbijten voor we vertrekken?" vraagt Guíne. "Of
zou de keuken hier nog niet open zijn op dit tijdstip?"
De geur van versgebakken brood lijkt al antwoord te geven op die vraag.
"Het ruikt heerlijk," merkt Natalia op. Dan bedenkt ze: "Ik heb
gisteren nog niet betaald! Nou ja, als de keuken al open is, is er vast wel
iemand te vinden om te betalen."
Guíne snuift de geur van het versgebakken brood op. "Hmm, als het
net zo smaakt als het ruikt, staat ons een prima ontbijt te wachten." lacht
ze naar Natalia.
Ze loopt naar beneden, de gelagkamer in.
Totaal onverwacht zit Fim in de gelagkamer. Hij ziet er nog steeds wat slordig
uit, maar wat nog onverwachter is, hij zit arm in arm met een meisje!
Voor Guíne überhaupt maar iets heeft kunnen zeggen, begint hij al
te praten. Hij struikelt bijna over zijn woorden.
"Dit is Anna. Ik heb haar gisteren ontmoet. Ik blijf hier," is de
kern van zijn verhaal.
Als Guíne zegt met Natalia samen te willen verder reizen, heeft hij daar
geen bezwaar tegen. In tegendeel, al zijn gedachten lijken gevuld met de aanblik
van het meisje. Hij is stapelverliefd.
---------------------------
"Dus dat
is je leerling?" vraagt Natalia terwijl ze naar een ander tafeltje toe
loopt.
"Euhm ja. Hoewel ik geloof beter kan zeggen dat wás mijn leerling."
antwoordt Guíne. "Nou ja, is dat raadsel ook weer opgelost. Jammer,
hij had wel aanleg voor het genezen met kruiden, maar ja, als hij niet wil,
wil hij niet. Niets aan te doen." Met die woorden gaat ze zitten en pakt
wat van het heerlijk geurende brood.
Ook Natalia begint aan het ontbijt. "Misschien wil ik ook wel wat over
kruiden leren, als ik toch met je mee reis," zegt ze dan. "Ik vind
het altijd leuk om nieuwe dingen te leren, en het kan wel eens van pas komen."
"Dat kan natuurlijk altijd, als je dat wilt leren." zegt Guíne.
"Als we toch samen reizen is het heel makkelijk te combineren. Weet je
al iets van kruiden af?"
"Niet veel," geeft Natalia toe. Ze denkt diep na, en zegt dan: "Tja,
ik weet dat weegbree helpt tegen brandnetelsteken en dat peterselie lekker is
in het eten, maar daar houdt het wel op."
"Hmm, dat kun je nog niet eens een basiskennis noemen." glimlacht
Guíne. "Ach, dan heb je in ieder geval voor voorlopig genoeg nieuwe
dingen om te leren." knipoogt ze.
"Ja, dat wel. Ik heb het grootste deel van mijn leven gewoon weinig met
planten en kruiden te maken gehad." Natalia zucht en denkt aan haar vader.
Ze mist hem. Die stomme storm ook, denkt ze, terwijl ze aan een touwtje
aan haar mouw zit te frutselen. Ik haat storm. Ik haat de zee. Ze kijkt
naar buiten. Gelukkig is het vandaag mooi weer. Ze laat het touwtje
los, waarbij ze merkt dat ze er een paalsteek in gelegd heeft, en neemt nog
een hap brood.
Guíne kijkt Natalia eens aan. Ze vraagt zich af wat er in haar hoofd
omgaat. Waarom betrok haar gezicht zojuist? En die knoop lijkt me een zeemansknoop.
Guíne probeert of ze iets van Natalia"s gedachten kan opvangen.
[insert samenvatting]
Op dat moment komt een doodsbange man de herberg binnenstormen. Hij slaat de
deur achter zich dicht, schuift de grendels erop en kijkt dan met grote ogen
de herberg in. "De zwarte wolf!" brengt hij als enige uit. Zijn gezichts
is lijkbleek, bijna alsof hij een spook heeft gezien. Dan valt hij flauw.
De herbergier is de eerste die handelt, maar in plaats van naar de man te gaan,
rent hij naar de deur om te controleren of deze daadwerkelijk vergrendelt is.
Zijn stem kraakt als hij alle gasten, een stuk of vijf, zegt: "Niemand
verlaat de herberg! Niemand doet de deur open!"
Geluiden van buiten dringen ondertussen de herberg binnen; gegil, geschreeuw,
doodskreten. De gasten kijken elkaar angstig aan, maar zelf als Guíne
met magie probeert er achter te komen wat er buiten gebeurt, vangt ze niets
anders op dan: "De zwarte wolf! De zwarte wolf!" «
---------------------------
---------------------------