AOLARPG: Stend

Stend is vergelijkbaar met de Zeven Wouden, maar hoewel dat graafschap pas begonnen is met de handel en het opzetten van een markt, is Stend al uitgegroeid tot een volwaardige stad. Stend staat bekend om de prachtige juwelen die er gefabriceerd worden.


-------------------------------------------------------(De zuidweg; Kyrdath - Stend)
Twee slechtvalken landen op de kerktoren en kijken even over de stad uit. Daarna stijgen ze al snel weer op om hun reis te vervolgen.
-------------------------------------------------------(De zuidweg; Stend - 'Lith)

---------------------------(De zuidweg; Kyrdath - Stend)
---------------------------(De zuidweg; Kyrdath - Stend)
---------------------------(De zuidweg; Kyrdath - Stend)
---------------------------(De zuidweg; Kyrdath - Stend)
» "Zo... We zijn binnen... En nu we binnen zijn kunnen we denk ik het beste een slaapplaats proberen te vinden... Iemand een idee?" De woudloper kijkt de plaats waar ze nu staan rond. "Misschien weet die wachter iets... Hoewel, hij zag er erg, uhm, onenthousiast uit..."
"Nogal," klinkt het peinzend van Elanor. "Maar een herberg moet niet moeilijk te vinden zijn toch? Als ze onvindbaar zijn, hebben ze ook niet veel klanten.."
"Zullen we dan maar," Grosock wijst richting het centrum, "die kant op gaan?"
"Ik vind het best...." En met die woorden lopen de vier reizenden richting het centrum, zoekend naar een herberg... "Ik heb ooit wel eens gehoord van een Herberg De Zilv'ren Boom... Dat schijnt een hele goede herberg te zijn..."
Onder het lopen blijft Sudry met enige regelmaat naar boven kijken. "Ik hoop dat we die herberg dan snel vinden. Als ik zo naar de lucht kijk voorspelt dat niet veel goeds."
De herberg waar Illisér over sprak blijkt niet te vinden te zijn, ook andere herbergen schijnen niet te bestaan. Langzaam valt het de reizigers op dat het wel érg rustig op straat is; er is geen mens te zien.
Elanor kijkt even om zich heen, en dan naar de lucht. De lucht voorspelt immers niet al te goed weer. Niet ongewoon dat de mensen niet buiten zijn. Even voelt ze zich onzeker, maar overtuigt zichzelf er dan van dat de mensen genoeg redenen hebben om binnen te blijven.
"Iemand die al slaap heeft? Dat komt dan niet goed uit, want ik vermoed dat daar vannacht niet veel van zal komen... Houd je wapens gereed, misschien dat er enkele ongenode en onwelkome gasten op dit uur langs zwerven..." De woudloper pakt zijn boog van zijn schouder en houdt alvast een pijl gereed. Zijn werpmessen hangen losjes aan de riem. "Kijk goed om je heen en blijf bij elkaar..." En die wachter? Waarom was hij dan wel wakker? Was het wel een wachter? Waar is iedereen... Hm, misschien moeten we maar eerst uitkijken naar de woning des Hertogin...
Elanor legt haar hand op haar dolk, lichtelijk ongerust. Misschien was mijn veronderstelling toch niet juist, of nemen we gewoon het zekere voor het onzekere. Misschien gebeurt er wel niets. Er gebeurt vast niets... Ze blijft het zinnetje in haar hoofd herhalen, maar heeft het idee dat ze zichzelf voor staat te liegen.
Het blijft doodstil op straat, het waait zelfs niet. Ondanks dit uiterlijk hebben de reizigers wel het gevoel dat ze bekeken worden.
"Allas, dit doet mij denken aan die keer bij Resila, toen iedereen voelde dat een enorme storm, waarschijnlijk de grootste sinds heugenis, ervoor zorgde dat niemand zich buiten waagde..." Grosock kijkt de buurt rond, maar ziet niemand. "Ela gry ogeus." Zijn rechterhand omklemt Grosock's wandelstok krachtig. Zijn andere, verborgen, hand omklemt een stevig mes. Een ieder die naar de rechterhand van de rode man zou kijken, zou bemerken dat er een vinger mist, ongewoon, zelfs voor een Geros-Yrth... Ela gry ogeus... Iemand kijkt naar ons... Iemand ziet ons, maar waar? Wie? Waarom?
Wat is dit voor een spookstad. Sudry’s lange zwaard hangt bungelend op zijn rug. En daar blijft het ook hangen. Het korte zwaard wordt uit de schede gehaald. In een stad als Stend is dat effectiever. Om in de smalle straten slag te moeten leveren met een lang zwaard is niet te doen. Sudry die al vanaf de poort achteraan loopt kijkt diverse malen achterom, het gevoel hebbende dat ze zo in een valstrik lopen.
Plotseling komt een jonge wachter op de groep afrennen. Hij heeft een zwaard in handen, maar zijn grip is onzeker.
”Zijn jullie de genodigden van de hertog? Kom snel binnen!”
Hij gebaart naar een wachterswoning bij de stadsmuur.
”Het is gevaarlijk hier 's avonds.”
Elanor kan een zucht van opluchting niet onderdrukken, maar ze stopt haar dolk, die ze inmiddels uit de schede gehaald had, niet terug.
Wat is hier aan de hand? Ook zijn steekwapen wordt nog niet opgeborgen. "Eindelijk zien we hier eens een mens," mompelt Sudry. "Waar is de hertog zelf?" vraagt hij op een nu veel luidere toon aan de wachter.
De greep van de wachter om het zwaard verstevigt.
”In Kyrdath, maar dat zouden jullie moeten weten!”
Hij bekijkt de vier nu enigszins wantrouwend.
"Weten we ook... Alleen Sudry en Grosock hier hebben zich pas later bij ons aangesloten... En ik had hen niet verteld dat de Hertog in Kyrdath was, Elanor wist dat echter wel... Mijn naam is Illisér, zoals u misschien weet, ben ik opgeroepen, ik heb enkele betrouwbare wezens gevraagd mij te helpen. Samen sta je sterker..." antwoord de woudloper, zich afvragend wat hij nog meer niet verteld had aan de twee nieuwelingen...
De wachter knikt.
”Mogelijk. Kunt u zichzelf identificeren?”
"Essinya ná Illisér." zegt de woudloper. De man verstaat vast geen Elfin... Misschien als ik de zak laat zien die de man in Kyrdath mij gegeven heeft? Illisér pakt het zakje met goudstukken en toont het de man voor hem. "Misschien dat dit mij identificeren kan?"
De man bekijkt de buidel even en knikt.
”Dat ziet er goed uit, maar de hertogin zal verder beslissen. Zij kan jullie morgen ontvangen.
Kom verder.”
Hij gebaart naar de wachterswoning.
Binnen gekomen zien de reizigers enkele simpele beddenrollen op de grond liggen en in de hoek van de kamer staat een houten tafel met een brood en een kan water.
”Ik kom jullie morgen halen,” zegt de wachter en hij laat de reizigers alleen in het huis.
"Ik heb wel eens aardigere mensen ontmoet..." mompelt Grosock. Hij loopt naar de houten tafel en bekijkt het brood en water... "Ze hebben schijnbaar gerekend op een enkele gast... Iemand anders nog wat te eten bij?" Waarna hij enkele eetbaarheden uit zijn zak haalt en op de tafel legt.
"Niets buiten het standaard..." antwoord de woudloper, die ook wat voedsel op de tafel legt. "Normaal jaag ik wel een konijntje ofzo... En dan maar roosteren."
Zonder nog een woord te zeggen gaat Sudry op een beddenrol liggen. Hij trekt de mantel over zich heen en valt meteen in een lichte slaap.

Vroeg in de ochtend klopt de wachter op de deur en wekt de aanwezigen.
”Zijn jullie zover? De hertogin verwacht jullie voor het ontbijt.”
Hij geeft de vier avonturiers even de tijd om wakker te worden en zich op te frissen, alvorens ze door Stend richting een oude, vervaarlijk uitziende burcht, te leiden.
De stad is nu niet meer verlaten, maar echt druk is het ook niet op straat.
Hier en daar lopen wat arbeiders en kooplui, maar de meeste luiken en deuren zijn gesloten. Het is onduidelijk of de huizen verlaten zijn of dat de bewoners nog slapen.
Als iemand het aan de wachter zou willen vragen, geeft deze geen antwoord. Hij leidt hen enkel zwijgend de burcht binnen en wijst ze de eetzaal, waar een jonge vrouw achter een voedzaam ontbijt zit.
”Kom verder.”
Haar stem is kalm en verraadt niets van haar gevoelens en gedachten.
Wanneer de vier in de ruimte staan maakt Illisér een buiging. "U heeft ons laten roepen vrouwe?"
”Niet ik, mijn man,” reageert de hertogin.
”Ga zitten en eet wat, dan kunnen we daarna bespreken wat er moet gebeuren. Mijn ervaring leert dat veel mensen slecht denken op een lege maag.”
"Een uitstekend idee, vrouwe. Dat het u moge smaken evenveel als het mij smaken zal..." glimlacht Grosock.
Ook Elanor knikt dankbaar en pakt een appel van tafel.
Sudry volgt het voorbeeld en pakt een stuk brood van de tafel daarbij ook een dankwoordje uitsprekend.
De hertogin eet snel en heeft binnen de kortste keren haar bord leeg. Ze klapt in haar handen en bedienden komen om de tafel af te ruimen, daarbij niet lettend op de gasten die misschien nog aan het eten zijn.
”Zo.”
De hertogin neemt de reizigers eens op.
”Dus jullie zijn door mijn man gestuurd om de roversbende hier aan te pakken?”
Voor het eerst klinkt er een zweem van humor door in haar stem.
"Het schijnt zo te zijn, vrouwe... Mag ik u vragen wat daar zo grappig aan is?" antwoordt Illisér.
”Och, jullie zijn nu niet direct angstaanjagend,” antwoordt de hertogin.
”Maar misschien verandert dat als ik wat meer over jullie weet.”
De laatste opmerking is duidelijk een vraag naar de achtergrond van het viertal.
"Schijn kan bedriegen, vrouwe," is alles wat Sudry daar op te zeggen heeft. Verder laat hij het aan Illisér over, die zo'n beetje de leider van het viertal is.
Elanor laat haar ogen even door het vertrek glijden, maar zegt niets.
De woudloper knikt en begint te vertellen. "Mijn naam is Illisér, ik ben opgegroeid temidden van een Elfenstam, opgevoed door een tovenaar. Ik kom uit een land uit het Noorden, ver hiervandaan... Ik ben een van het ras der Mensen, zoals u kunt zien, bekwaam met de boog en met messen. Ik was een van de lieden die hielp bij het teneer brengen van de Zwarte Magier Kolan.
Een van de andere leden van die groep was Elanor," de woudloper knikt naar de enige vrouw van het viertal, "zij was werkzaam op het Kasteel van de Zeven Wouden in die tijd. Maar ik denk dat het niet aan mij behoeft te zijn meer over haar te vertellen, dat kan zij beter zelf... Hier naast mij zit Sudry, een paladin komend uit een buurland. De rode man die daar zit is Grosock, een Geros-Yrth naar hij zegt... Maar ik denk dat zij zichzelf beter voor kunnen stellen. Ik kan u enkel nog vertellen dat wij, allevier, met goede bedoelingen komen, enkel om u te helpen..."
De hertogin knikt zwijgend. Ze lijkt Illisérs bedoelingen te geloven, maar ook nog te wachten op de verhalen van de anderen.
Elanor kijkt even ongemakkelijk om zich heen bij de vallende stilte en besluit dan toch maar het woord te nemen om er vanaf te zijn.
"Ik was inderdaad werkzaam op het kasteel als… kamermeisje," nu ze het uitspreekt, valt haar pas op hoe 'idioot' dat eigenlijk klinkt, "verder valt er niet zoveel te vertellen. Ik kom uit een gewoon gezin van het platteland, dus ik zal wel in het niet vallen bij de heren naast me…"
“Ik heb ooit gediend in het leger van mijn vaderland. Helaas kan ik niet meer terugkeren. Ik denk dat u genoeg weet als ik zeg dat ik een goede krijger was.” Sudry’s ogen dwalen af naar Elanor. “Ook denk ik dat wij als team onze taak zullen volbrengen.”
”Jullie klinken in ieder geval overtuigend,” beaamt de hertogin. Dan kijkt ze vragend naar de tot dan toe zwijgende Grosock.
"Mijn naam is Grosock, zoals u weet. Ik ben een Geros-Yrthì, een sjamaan in de normale taal, maar ik ben inmiddels gepensioneerd."
De hertogin denkt even na.
”Het zou kunnen dat jullie precies de mensen zijn voor deze onderneming.
Wat heeft mijn man jullie precies vertelt over de opdracht?”
"Uw man? Niets... Het was een boodschapper van de Hertog die ons vertelde dat al verscheidene maanden Stend wordt geplaagd door een roversbende. Hij vermoedde dat ze in de buurt hun kamp hadden opgeslagen..." Even aarzelt de woudloper, dan besluit hij: "Hij heeft mijn hulp gevraagd in deze hachelijke kwestie, ik heb mij toen de vrijheid verleend om ook Elanor, Sudry en Grosock mee te nemen."
Al die vragen. Waar leidt dit naartoe? Waarom vertelt de hertogin niet gewoon hoe de zaken ervoor staan? Sudry begint een beetje onrustig te worden maar zijn gezicht houdt hij strak in een plooi, wachtend op wat er komen gaat.
”En gisteravond, toen u aankwam. Is u iets bijzonders opgevallen bij de reis hier naar toe?” De hertogin is geenzins uit het veld geslagen door de onrust van de reizigers.
"Het was nogal rustig hier in Stend. En u schijnt te weten hoe dat komt, wilt u dat ook vertellen?"
”Die rust heeft ondermeer te maken met de aanvallen,” beantwoordt de hertogin.
”Maar is u iets bijzonders opgevallen?”
"Niet veel, behalve dat het verdacht stil is... Alleen maar dat het weer vrijwel hetzelfde was, met een donkere teint, dat we constant het gevoel hadden bekeken te worden en dat die wachter die ons naar onze slaapplaatsen bracht niet alleen erg angstig en onzeker was, maar ook erg jong... Maar behalve dat de angst over deze stad schijnt te heersen, niet echt veel eigenlijk..." antwoordt Illisér, na enige tijd te hebben nagedacht over zijn eventuele antwoord. "Zou ons iets anders opgevallen moeten zijn dan, misschien dat..." In gedachten maakt de woudloper de zin af dat de vrouw hier voor me bij die roversbende hoort en dat we nu alle vier in de val zijn gelopen? Ach vast niet...
Na dat Illisér uitgesproken is kijkt Sudry hem aan. De blik in de ogen van de woudloper bevalt Sudry niet. Hij verplaatst zich iets zodat hij de ingang in de gaten kan houden.
De hertogin zucht, lijkt plots jaren ouder.
”Helaas, de boodschapper heeft niet geheel de waarheid gesproken.
Stend is inderdaad een tijdlang bedreigt door een roversbende, maar deze is al maanden geleden verslagen. En sindsdien is eigenlijk alles fout gegaan.
Het zijn kleine dingen, niet noemenswaardig, maar bij elkaar opgeteld...
Vogels die 's avonds burgers aanvallen die zich nog op straat bevinden. Het droogvallen van de stadsput. Massale sterfte van de katten in de stad. Het verzuren van versgebakken brood, zelfs binnen de dag...”
De stem van de hertogin valt even weg, alsof ze is afgeleid.
”De nieuwste plaag, de ergste tot nu toe is dat we de poorten niet uitkunnen. Reizigers komen Stend wel in, maar áls ze de poorten al open krijgen om weg te gaan, dan verongelukken ze nog voordat ze een mijl weg zijn.”
Even staat Sudry verbijsterd te kijken. Dan herpakt hij zichzelf en begint te spreken. “Dat is heel iets anders dan een roversbende. Nu ga ik even voor mijzelf spreken. Nu ik hier toch ben zou ik graag op onderzoek uitgaan. Als ik de stadspoort toch niet uit kan is dat het enige wat ik kan gaan doen. Aanvaardt u mijn hulp, en die van mijn metgezellen als die ook willen?"
Ik vermoed dat de Hertog en zijn gevolg op tijd waren om te vertrekken, nog voor de laatste vloek... Maar dat zou kunnen betekenen dat iemand op ons let, dat er iemand van hieruit kijkt wat er gebeurt... En dat die persoon ook de Hertog wou laten vertrekken. En ons binnen wou laten komen. Maar we kunnen dus niet vertrekken. Hmmm. Dan zullen we moeten proberen het raadsel vanaf hier op te lossen... Maar waarom loog die boodschapper? Hij vertelde ons slechts dat ik te maken zou hebben met een bende rovers, terwijl die al maanden geleden verslagen is... Vreemd, over zoiets lieg je als goed mens, of wezen eigenlijk, niet...
Na enig nadenken richt Illisér zich tot Sudry: "Sudry, zoals je al zei, we zitten hier opgesloten totdat deze vervloeking is opgeheven, dus of de hertogin het wilt of niet, we gaan proberen dit mysterie op te lossen. En daarnaast, de hertog heeft onze hulp gevraagd, zelfs al verzweeg zijn boodschapper een enkel dingetje. Dus of we nou willen of niet, wij moeten iets doen." Even kijkt de woudloper Sudry aan, dan staat hij op. "Ik verdoe mijn tijd niet graag, heeft u zelf al enige aanwijzing gevonden die hiermee te maken zou kunnen hebben?"
De hertogin glimlacht dankbaar.
”Eén aanwijzing is er gevonden, maar of u daar iets aan zult hebben... Op de bodem van de put heeft een van de wachten dit gevonden.”
Ze haalt een leren ketting tevoorschijn. Aan de ketting hangt een glanzende, zwarte schub.
"Op de bodem van de put?" antwoord Grosock voordat de leider van de vier kan antwoorden. "Vreemde plaats om een leren ketting te verliezen..." De kleine man staat op, hoewel dat in lengte niet zoveel opvalt, en loopt naar de Hertogin. "Zou ik hem eens van naderbij mogen bestuderen vrouwe?" Waarna de oude zijn hand ophoudt.
”Gaat uw gang.”
De hertogin geeft de ketting aan Grosock.
De schub, als dat het is, is leerachtig en diepzwart. De randen zijn zo scherp dat Grosock zijn vingers snijdt als hij ze bevoelt.
Hmm, interessant... denkt Grosock "Dit... 'ding' doet me denken aan de schub van een Torsûlg, een wezen waarover ik gelezen heb als leerling... Ach, die goede oude tijd... Ik weet nog goe..." De woudloper laat Grosock zijn zin niet afmaken. "Wat het ook is, het zou de sleutel tot het geheim kunnen zijn... Vrouwe, zou ons de weg naar die put willen wijzen? Misschien dat wij geluk hebben en nog iets vinden."
De hertogin aarzelt en kijkt Grosock niet-begrijpend aan.
”Wat is een Torsûlg?”
"Een Torsûlg, vrouwe, is een witgeschubt, vierpotig wezen van ongeveer twee meter lengte, zes als je de staart ook meetelt. Dit wezen is zeer giftig, althans zijn tanden, maar ook heel sterk, als de schubben wit zijn, wat kan gebeuren als ze van het wezen worden afgehaald als het nog leeft, zijn ze sterker dan het sterkste metaal. Als je het wezen dood en daarna een schub verwijderd, wordt die schub diepzwart... Het verliest dan enige kracht, helaas...
Gelukkig voor ons komt dit uiterst gevaarlijke wezen slechts zeer zelden voor en kan alleen worden gevangen door zeer sterke magie, door pure liefde of bij gebrek aan een koppel zoals deze twee hier, door een hart van goud... Doorgaans is een pijl, zwaard- of messteek tussen de schubben in de nek voldoende om dit wezen te doden.
We mogen allen zeer blij zijn dat dit gevaarlijke wezen vrij weinig voorkomt, ze maken elkaar nogal snel van kant, de rivaliteit tussen de wezens onderling is vrij groot, of het nou mannetjes of vrouwtjes zijn. Maar goed, het zou wel pure toeval, en zwaar ongelukkig, zijn als er hier meerdere van dit soort rondlopen die elkaar van kant aan het maken zijn." Even is het rode mannetje stil, onderwijl intensief starend naar het voorwerp in zijn hand, dan mompelt hij: "We mogen zeer gelukkig zijn als het niet zo'n wezen is, zelfs het geld dat ik zou kunnen krijgen voor alle witte schubben van een zo'n is het niet waard om het te moeten confronteren..."
”Ik stel voor om ons naar de waterput te begeven, onderweg kunnen we het nog hebben over Torsûlgi,” stelt Sudry voor. “Is iemand het hier niet mee eens?”
De hertogin knikt zwijgend, ze lijkt onder de indruk van het verhaal van Grosock.
Ze gaat de vier reizigers voor naar de stad, waar het nog steeds rustig is. De stad is vrij rechtlijnig aangelegd en de put ligt centraal, in de buurt van het marktplein.
Er spelen wat straatkinderen, maar zij schieten weg als ze de groep zien aankomen.
Bij de put blijven de hertogin en de twee wachten die haar zijn gevolgd staan.
”Hier is het,” gebaart ze.
Sudry loopt een rondje om de waterput heen, zoekend naar aanwijzingen. Ook kijkt hij in de put. De put is inderdaad opgedroogd, maar aanwijzingen zijn er niet te vinden.
Sudry die absoluut geen gevoel heeft voor magische krachten vraagt aan zijn drie metgezellen: “Voelt iemand van jullie of hier een magische kracht aan het werk is.” Na dit gevraagd te hebben gaat hij weer bij de groep staan, op antwoord wachtend.
Elanor schudt haar hoofd. "Niet dat ik weet." Daarna kijkt ze over de rand naar beneden, maar ze kan de bodem niet eens zien.
”Magie?” De hertogin kijkt lichtelijk geïnteresseerd. “Zou dat een mogelijkheid zijn?”
De bodem van de put is inderdaad in het duister gehuld, maar de muren zijn wel grotendeels zichtbaar. Ze zijn iets groen uitgeslagen, maar verder is er niets bijzonders te zien.

---------------------------
Primula komt nieuwsgierig bij de put staan en stelt zich voor als de meestergoudsmid van Stend. Ze heeft geen idee wat er speelt, maar ze wil graag helpen.
De hertogin kijkt naar de smid.
”Mijn beste, als inwoner van de stad kijk je vast anders aan tegen dit alles dan ik. Wat denk jij van alles wat er is gebeurd?”
Primula kijkt de hertogin aan. Ze denkt dat er magie in het spel is want een put kan niet opeens op drogen, maar weet niet echt wat ze niet precies wat ze moet zeggen. Daarom haalt ze enkel haar schouders op en wacht af wat er gebeurt.
De hertogin ziet de schuchterheid van de smid en glimlacht begripvol. Ooit, in een ver verleden is zij ook een gewone burger geweest.
”Maak je geen zorgen, zeg maar gewoon wat je denkt.”
Primula kijkt de hertogin aan en antwoordt wat ze als eerste dacht: “Ik denk dat er magie is, maar ik weet niet wat voor magie er in de put zit.”
Eigenlijk vindt ze het een beetje eng en ze geeft eerlijk toe dat ze het maar eng vindt.
De hertogin knikt en kijkt naar de vier reizigers.
”Jullie zijn de experts, wat raden jullie aan?”
Elanor doet haar mond even open, en sluit deze dan weer. Experts?
"Letten op andere verschillen misschien?" probeert ze dan.
"Als er hier werkelijk magie in het spel is, wat vrijwel zeker is, lijkt me, dan zou een magier of wat best wel handig zijn... Helaas heb ik die niet op zak, dus zullen we iets anders moeten verzinnen om dit op te lossen." antwoordt Illisér, het woord experts links laten liggend. "Ik vind dat om tot een oplossing te komen, we eerst moeten weten wat het probleem is en waar we tegenover staan."
Grosock kijkt de Hertogin aan: "Misschien weet u iets over vreemde voorvallen die in het verleden in Stend zijn geweest? Voorvallen die hier op lijken? Een mythe, legende of verhaal misschien?" Grosock kijkt de omgeving rond, zoekend, maar niet wetend wat hij zoekt. "Misschien heeft u ook een bibliotheek? Een plaats waar wij kunnen zoeken naar een oplossing?"
”Er is een bescheiden bibliotheek in het kasteel, maar ik weet vrij zeker dat u daar weinig zult vinden. De bibliotheek herbergt voornamelijk militaire en strategische werken. Er zijn ook wat romans en toneelstukken, maar...”
De hertogin wordt onderbroken door rumoer vanaf de markt. Mensen schreeuwen door elkaar en een vrouw gilt.
Als iedereen naar de markt rent, zien ze daar dat mensen een grote kring hebben gevormd. In het midden van de kring zit een snikkende vrouw op de grond, bij de liggende gestalte van een man. Hij is overduidelijk dood; zijn lichaam is bedekt met zwarte bulten en uit zijn oor loopt een dun straaltje bloed.
Wat krijgen we nou? Vlug snelt Sudry toe en knielt naast de dode man neer. Hij heeft niet lang nodig om vast te stellen dat de man inderdaad niet meer leeft. Heel fijn. Nu nog voorkomen dat er paniek uitbreekt. Hij gaat staan en begint de menigte toe te spreken. “Beste burgers van Stend. Ik heb vele mensen zien sterven. Daarom weet ik dat deze man niet door toverkracht is omgekomen. Maar door een niet-besmettelijke ziekte. Keert u rustig terug naar uw huizen. Er is niks ernstigs gebeurd.” Het is niet fijn om te liegen, want deze man is wel door toverkracht omgebracht maar paniek kunnen we niet gebruiken.
De vrouw die bij het lichaam zit, kijkt op. Haar ogen staan wanhopig van verdriet. Dan valt plotseling op dat ook zijn een zwarte bult heeft en vanuit de menigte komt een stem: “Niet besmettelijk, hè? Wat is dat dan?”
Enkele kinderen beginnen te huilen en de mensen lopen angstig door elkaar. De hertogin staat als aan de grond genageld.
Illisér kijkt naar de zwarte builen die de man bedekken. Nee! De Doog! Dit kan toch niet waar zijn? Een van de meest besmettelijke ziekten ooit... Vele landen zijn uitgedund door deze ziekte.... Gelukkig is de stad hermetisch afgesloten. Illisér schraapt zijn keel en roept luid naar de menigte: "Mensen! Blijft u alstublieft kalm! We hebben niets aan massale paniek, daar redden we niemand mee! Gaat u allen alstublieft naar huis en wast u zich grondig. Onmiddelijk." Hij draait zich vervolgens om naar de Hertogin en zegt: "Zou u onmiddelijk willen laten omroepen dat iedereen binnenshuis moet blijven en zich grondig en geheel moet wassen om besmetting te voorkomen?" Hij wacht niet op antwoord, maar gaat meteen door: "En zou u misschien ook een speciale groep ten leven kunnen roepen die de lichamen van de doden kunnen verzamelen en begraven?" Of moest je de lichamen nou verbranden? "Laat alle besmetten naar een ruimte brengen. Zorg ervoor dat ze niet meer mensen kunnen besmetten."
Dan keert de woudloper zich naar Grosock: "Ben je bekend met deze ziekte? De Doog?"
"Ik heb er wel eens over gehoord," antwoord Grosock. "Maar veel weet ik er niet van."
De hertogin knikt eenmaal naar Illisér en loopt dan met grote passen weg, de vijf op het marktplein achterlatend.
Illisér staart nadenkend de hertogin na, als ze verdwenen is, draait de woudloper zich naar de anderen en zegt: "Hmm... Ik denk dat deze dode man zijn ziekte en het mysterie dat hier heerst veel met elkaar te maken hebben. Heeft iemand een idee over hoe we dit probleem op kunnen lossen? We kunnen moeilijk hier wekenlang blijven staan terwijl er om ons heen doden vallen..."
Geen paniek veroorzaken. Rust proberen te verkrijgen. Proberen het probleem te vinden, waarna een oplossing gezocht kan worden. De woorden die eens door een wijze magier zijn uitgesproken zwerven door de gedachten van Illisér. Prachtige gedachten, maar hoe zouden wij dit probleem kunnen vinden? Als het echt om magie gaat staan we vrijwel machteloos... Maar het minste wat we kunnen doen is proberen een oplossing vinden. Zeker gezien hier doden vallen. Geen vredelievend en nadenkend wezen zou anderen aan hun lot overlaten. Misschien dat deze Grosock als sjamaan nog verborgen krachten heeft.
Illisér kijkt de groep rond, een gevoel van angst besluipt hem, rillingen trekken over zijn rug. Deze wezens... Mensen... Zijn blik reikt verder, starend naar de bewoners van Stend die zich terugtrekken, zijn raad opvolgend. Heb ik wel een goede keuze gemaakt? Is deze ziekte wel de Doog? Kunnen deze onschuldige lieden wel redden?
De dood overvalt ze, verblind ze. Radeloos schijnen ze me toe, niet wetend waartoe deze magie verder nog in staat zal zijn... Dit kwaad... Dit gevoel dat me blijft achtervolgen. Als ogen die me continu nastaren. Het bekruipt me al sinds ons groepje hier is gekomen... En wie... wie heeft hier ooit over mij verteld? Bij het Kasteel van de Zeven Wouden was ik onbekend, erna heb ik mijn naam nimmer laten vallen, behalve bij de reisgenoten en de graaf... Zou hij misschien...
Maar waarom heeft Graaf Jaric dan alleen over mij verteld? En niet over Rodan, of over Floortje... Zij hebben zeker niet minder gedaan dan ik. Hoe zou het eigenlijk met ze gaan? Zou Céline inmiddels al getrouwd zijn? Is Taen nog steeds bij haar, of leidde haar pad ergens anders naartoe? Is Nerin alweer terug op het kasteel, of heeft hij een andere weg gevonden? Wat is er gebeurd met al die leden van onze groep... Wie zijn er nog bij elkaar, behalve Elanor en ik?

De woudloper staart nadenkend naar de lucht, alsof hij daar de antwoorden op zijn vragen vinden zal. Waar is toch de tijd gebleven... Waar zijn Tristai en Fryasi? Zijn ze weer terug of dwalen ze nog rond? Wat zouden zij doen in mijn plaats? Even blijft Illisér nog in de verte staren. Waarna hij zich weer naar de problemen van nu keert.
Hij kijkt de smidse aan: "U bent een bewoner van Stend, weet u misschien waarmee de problemen begonnen..." Even kijkt de woudloper Primula aan. "Trouwens, mijn naam is Illisér en dit zijn Sudry, Grosock en Elanor. Uw naam is...?"
Een van de omstanders maakt zich los uit de groep en rent naar de vijf toe. Zij, een jonge vrouw, lijkt wanhopig en doodsbang.
”Dit is toch geen tijd om kennis te maken?” schreeuwt ze. Haar stem slaat over. “We gaan allemaal dood! Doe daar liever iets aan!”
Zo gauw ze uitgesproken is, beginnen ook anderen te schreeuwen en nog meer kinderen beginnen te huilen.
Enkele mensen rennen weg van het plein, maar de meerderheid blijft staan, alsof ze verwachten dat de reizigers antwoorden voor hen hebben.
Mensen... natuurlijk... Een massa in paniek, dat onbrak er nog aan... Wat willen ze dat we doen? Een volslagen dubiel en ongetwijfeld nep magisch dansje? Illisér maakt zich lang en gaat op de rand van de put staan. Hij kijkt de menigte rond en roept uit: "Wat er ook gebeurd, er is geen tijd noch goed gegronde reden voor paniek." En dood gaan we toch allemaal, ooit... "Wat u het beste kunt doen is naar huis gaan, uwzelf grondig wassen en daar blijven om besmetting en verspreiding te voorkomen." Geluk bij een ongeluk dat niemand de stad uit kan... Nu blijft de schade beperkt tot Stend, helaas voor hen, maar goed voor het land.
Na enig aarzelen besluit de woudloper: "Iemand vragen?"
Enkele mensen druipen af, van zins te doen wat de woudloper zegt. Dan bast een man: “Waarom zouden we thuis gaan wachten tot we sterven? We moeten de stad uit!”
Dit idee wordt met enige instemming ontvangen, doch niemand maakt echt aanstalten te vertrekken.
Elanor zwijgt nog steeds. Wie zegt dat ze sowieso dood zullen gaan? Misschien is dit geen besmettelijke ziekte.. Als het een magische ziekte is kan het toch gewoon zo zijn dat er een bepaald aantal mensen besmet zijn? Misschien om het besmettelijk te laten lijken? Een soort afleiding? Ze vindt het zelf erg vergezocht, dus ze spreekt haar vermoedens maar niet uit.
"Kom op mensen. Dit is niet het moment om op te geven. Iedereen zal ooit sterven. Maar het moment ligt aan vele factoren. Ook aan de vechtlust die je toont."
Dan houdt Sudry een korte pauze. Intussen kijkt hij zoveel mogelijk mensen aan.
"Gaat u alstublieft naar huis. Neem de raad aan van deze woudloper" doelend op Illisér. "Blijf alstublieft kalm, wij gaan meteen kijken wat hier aan te doen is."
Steeds meer mensen volgen, zij het mopperend en angstig, deze raad op. Niet veel later is het plein dan ook een stuk leger, op de slachtoffers en enkele eigenwijzen, na.
De woudloper grinnikt in gedachten. De eigenwijzen... Eens zien of ze ook onmenselijk zijn... "Als jullie," Illisér kijkt en wijst naar de eigenwijzen die nog op het plein zijn gebleven, "er nou eens voor zorgden dat de laatste eer werd bewezen aan de slachtoffers van deze ramp. Zorg ervoor dat ze volgens de wetten en geloven waarmee jullie zijn opgegroeid en leven worden geëerd."
Dan keert de woudloper zich weer naar de rest van het groepje reizigers. "Zo... En wat doen we nu? Iemand een idee? Al is het nog zo slecht, het zou kunnen helpen om dit probleem op te lossen."
De overgebleven burgers volgens Illisérs opdracht zonder tegenspraak op.
Elanor denkt even na. "Misschien moeten we eerst zeker weten of die ziekte wel besmettelijk is, misschien is het maar schijn.."
"Dat is een goede vraag om mee te beginnen. Ik zou graag willen weten of er soortgelijke dingen spelen in andere steden. Helaas kunnen wij niet met andere steden communiceren. Dus we zullen moeten roeien met de riemen die we hebben. Misschien kunnen één of twee van ons toch even een kijkje gaan nemen in de bibliotheek. En dan vooral in de speciale boeken. In krijgsstrategie zijn we niet geïnteresseerd. De rest kan dan de stadsmuren gaan bekijken. Er moeten toch ergens aanwijzingen zijn."
Grosock kijkt de anderen aan en zegt: "Ik ga wel naar de bibliotheek hier... Misschien zou Primula mij kunnen vergezellen? Ik heb namelijk geen idee waar de bibliotheek hier is, noch weet ik hoe hoog de boekenplanken zijn."
"Prima" knikt Sudry Grosock toe. "Laten wij drieën de stadsmuren eens gaan inspecteren." Terwijl hij dat zegt kijkt hij Illisér en Elanor aan.
Elanor knikt. "Goed."
Ook Illisér stemt in: "Ik vind het best..."

Primula knikt naar Grosock en gaat met hem op weg naar de bibiotheek.
Wanneer Grosock en Primula bij de bibliotheek zijn, lopen ze meteen verder. "We zoeken dus naar de geschiedenis van Stend. Of er al eerder iets zoals dit is voorgekomen. Probeer ook de magieboeken eens, hopelijk staat er iets in over recente gebeurtenissen. Dan zoek ik naar boeken over wezens die deze schub zouden kunnen bezitten en naar boeken over de ziekte die op dit moment Stend teistert."
Primula kijkt onder de indruk naar de vele boeken die daar staan en slaat er vervolgens op goed geluk maar een open.

Het enige dat Grosock en Primula vinden dat op dit moment van belang kan zijn is een korte verwijzing over de Doog:
"De Doog is een ziekte die zich op verschillende manieren in de geschiedenis van Torsan heeft gemanifesteerd. Er zijn echter altijd twee overeenkomsten: de ziekte is besmettelijk en in 99 van de 100 gevallen dodelijk. Mensen die de ziekte wél overleven zijn daarna immuun. Men vermoedt dat de oorzaak van de Doog magisch is, maar daar is geen zekerheid over."

Elanor, Illisér en Sudry arriveren al snel bij de stadsmuren.
Elanor kijkt onderzoekend naar de muur. Daarna legt ze aarzelend haar hand erop, vingertoppen eerst, om te voelen of het anders voelt dan een gewone muur.
De muur voelt niet anders aan. De steen is koud en enigszins korrelig, maar dat is alles.
Elanor trekt haar hand weer weg en kijkt om naar de rest. Even wil ze tegen de muur aanleunen, maar bedenkt zich toch maar. Als er iets is dat ze geleerd heeft, is dat je zo"n beetje altijd voorbereid moet zijn.
Als deze in gesprek blijken te zijn richt ze zich weer op de muur. Voorzichtig legt ze haar oor er tegenaan, niet veel verwachtend, maar ze zou niets anders weten wat ze zou moeten doen aangezien de rest andere dingen aan het hoofd blijkt te hebben..
Een wachter loopt over de muur naar Elanor.
"Ik denk niet dat je van hem het doel van het leven te horen zult krijgen," grapt hij.
Ze verschiet even van kleur omdat ze hem niet aan had horen komen, maar glimlacht dan even zwak terug.
"Waar ben je naar op zoek?" vraagt de soldaat.
"We zijn hier met een gezelschap", antwoordt ze, blij dat de soldaat het tegenovergestelde schijnt de zijn van haar beeld van soldaten in het algemeen, "er werd ons gevraagd een bende rovers uit de weg te ruimen, maar nu staat we te onderzoeken waarom mensen die vertrekken uit Stend schijnen te verongelukken."
Even houdt ze stil, niet bepaald wetend of ze nog iets toe zou moeten voegen. "Heeft u misschien enig idee?" vraagt ze dan uiteindelijk.
"Geen flauw idee," grijnst de soldaat. "Ik weet alleen dat ik veilig binnen de muren blijf."
Elanor kan het niet nalaten te grinniken. "Klinkt niet slecht." Voorlopig althans…
"Als je hulp nodig hebt, vraag maar." De soldaat lacht nog een keer naar Elanor en gaat dan verder met zijn wacht.
Ze knikt hem vriendelijk toe en richt haar aandacht dan wederom op de twee mensen naast haar.

Ondanks hun pogingen lukt het de avonturiers niet iets vreemds te ontdekken bij de muur, noch in de bibliotheek. Als het tijd is voor het diner worden ze op het kasteel uitgenodigd, waar de stemming bedrukt is. De hertogin zegt maar weinig.
Elanor kijkt wat starend voor zich uit terwijl ze eet. Ze voelt zich al niet op haar plaats, niet gewend zijnde aan grote diners, maar nu de stemming ook al niet op haar best is, weet ze zich geen houding te geven en vervalt in dagdromen.
Plots vraagt de hertogin zacht: "Wat was het precies dat jullie in de bibliotheek over de Doog vonden?"
Grosock reciteert het stukje tekst voor haar:
"De Doog is een ziekte die zich op verschillende manieren in de geschiedenis van Torsan heeft gemanifesteerd. Er zijn echter altijd twee overeenkomsten: de ziekte is besmettelijk en in 99 van de 100 gevallen dodelijk. Mensen die de ziekte wél overleven zijn daarna immuun. Men vermoedt dat de oorzaak van de Doog magisch is, maar daar is geen zekerheid over."
De hertogin is bleek geworden en mompelt: "Mijn arme stad!"
Elanor heeft medelijden met de hertogin, maar weet verder ook niet goed wat ze zou moeten zeggen. Haar eetlust is haar compleet vergaan.
Ook de hertogin schuift haar bord weg.
"Ik heb voldoende gehad."
Ze kijkt even schuchter opzij. Is het de bedoeling dat ze opstaan? Waar wordt er overnacht? En wat kunnen ze hier nog meer doen? Maar ze durft het niet te vragen en besluit de rest maar te volgen.
De hertogin glimlacht zwak naar Elanor.
"Jullie mogen wel naar je kamers gaan, als je dat wilt."
Elanor bloost. Ze kijkt naar beneden en krabt op haar achterhoofd, hoewel ze geen jeuk had. "Kunt u me misschien vertellen waar die zijn?" vraagt ze daarna schuchter.
De hertogin roept een bediende.
"Wijs deze mensen naar de gastenverblijven," sommeert ze de man. Deze knikt en wendt zich dan tot Elanor.
"Volgt u mij maar vrouwe."
Elanor bijt op haar lip bij het woord "vrouwe", maar volgt de man zwijgend.
Een paar gangen verder, volgens Primula vlak boven de bibliotheek, zijn de gastenverblijven. Het zijn allemaal eenpersoonskamers, simpel ingericht, maar comfortabel en voldoende. De man blijft aan het eind van de gang staan en wijst iedereen een kamer toe, waarbij hij vijf sleutels uitdeelt.
"Zolang jullie hier zijn, mogen jullie van deze kamers gebruik maken. De sleutels gaarne voor vertrek," hij slikt even, "eh... teruggeven. Het ontbijt staat morgen klaar in de eetzaal. Als jullie nog vragen hebben kunnen jullie de bel in jullie kamer gebruiken of iemand van het personeel opzoeken. Goede nacht."
De man verdwijnt in de gang, terwijl de avonturiers hun kamers opzoeken.
Ze kijkt de man even na en loopt dan naar de kamer waar haar sleutel op past. Eenmaal binnengekomen gooit ze haar tas met spullen in een hoek, daar kijkt ze later wel naar. Zelf ploft ze op bed neer. Even blijft ze zo zitten om al de indrukken van die dag te verwerken en de vragen die in haar opkomen te onderdrukken.
Na een tijdje besluit Elanor dat het haar toch niet zal lukken om nog iets te overdenken, zoals ze dat gepland had. Ze kleed zich om en stapt in bed.
In Stend is het onrustig. De sfeer is er die dag niet beter op geworden en de benauwende atmosfeer in de stad werkt niet bevorderlijk voor de slaap van de reizigers.
Elanor draait een paar uur in een halfwakkere stand, niet in staat enige vorm van diepe slaap te bereiken. De gebeurtenissen van die dag borrelen steeds weer in haar op, maar uiteindelijk valt ze alsnog uitgeput in slaap.

---------------------------
Ondertussen rijden enkele ruiters Stend binnen, voor iemand ze heeft kunnen waarschuwen dit níet te doen.
Sanquin kijkt een beetje nerveus naar de grimmige omgeving, iets verteld hem dat het toch niet zo"n goed idee was om hier te komen. De stad lijkt nogal dood en de geur van ziekte is overal ruikbaar. "Vind jij ook niet dat het een beetje, apart, hier ruikt?", vraagt hij schuw aan Sam in de hoop dat dit alleen maar verbeelding is. "We kunnen beter naar een goede herberg zoeken, overnachten. De volgende ochtend zoeken naar het boek en meteen terugrijden, iets aan deze stad geeft mij... rillingen."
"Goed," knikt Sam. Zelfs hij lijkt zich niet helemaal op zijn gemak te voelen. Er hangt inderdaad ook een doodse sfeer in de stad. De herberg aan het marktplein, de eerste die Sanquin en zijn bende vinden, ziet er gesloten en verlaten uit.
"We gaan hier naar binnen, dit lijkt me wel een goed plekje. Als de deur dicht is dan maken we hem wel open!", praat Sanquin geïrriteerd door de vuile geur in de lucht. Hij slaat fiers op de deur in de hoop dat wie er binnen is de deur openmaakt zodat ze naar binnen kunnen gaan en kunnen gaan rusten. "Open de deuren! Wij willen hier overnachten.", schreeuwt hij door de deur heen, niet eens kijkend of de deur open is.
"We zijn gesloten, geen gasten," is het korte, maar duidelijke antwoord.
Boos pakt Sanquin zijn morgenster stevig vast, hij maant de anderen om naar achter te gaan staan. Hij draait de morgenster een paar keer rond en laat hem dan tegen de deur aanslaan. Hij slaat express niet hard tegen de deur omdat hij hem nog niet wil inbreken. Boos schreeuwt hij dan door de deur heen. "Maak nu deze deur open of wij breken hem open en dan hebben we geen genade meer!", maar in zijn stem is ook angst te merken en niet alleen woede. De woede komt meer uit angst en frustratie van wat er speelt op de straten van Stend, dan dat hij persé naar binnen wilt.
"Ga je gang," komt de droge reactie.
Opeens wordt Sanquin angstig, iets klopt er niet. Niemand die zou willen dat je herberg open wordt gebroken en hij leeg wordt geplunderd.
"Zeg mij eens," vraagt Sanquin. "wat is hier aan de hand? De reuk van dood dringt zich in mijn neusgaten en overal zie ik niets behalve huizen. Spreek nu, man! Als u ons geen veilig haven kunt geven, wie dan wel?", Sanquin spreekt nu beleefd alsof zijn leven op het spel is en zich afvragend of ze verdoemd zijn.
"In deze stad? Niemand!"
"Weet u het zeker, is er dan werkelijk niemand die geeft om een vermoeide en angstige groep reizigers?", klinkt hij verdrietig hoewel zijn gezicht meer frustratie uitbeeld. Hij went zich dan naar Sam. "Weet jij soms waar we naartoe kunnen gaan? We kunnen moeilijk buiten gaan slapen...", praat hij langzamerhand ongerust.
"Trap de deur alsnog in," schokschoudert Sam.
"Ik weet niet of dat een goed idee is Sam, misschien is er wel iets mis in die herberg. Ik denk niet dat jij of ik nu al wil sterven, want dat deze herberg niet open wilt gaan voorspelt onheil. Maar aan de andere kant, ik wil graag overnachten hier en als deze herbergier ziek is..., ik denk dat we hem wel uit zijn lijden kunnen verlossen..", hij maant de anderen en gaat zo dichtbij de deur staan zodat hij hem hard kan raken. Hij zwaait hem eerst een aantal keer rond en slaat hem dan zo hard als hij kan tegen de deur. Dit doet hij een aantal keer om er zeker van te zijn dat de deur open zal gaan.
Met een harde knal vliegt de deur uit zijn scharnieren, de herberg in.
Sanquin kijkt naar de mannen om zich heen en knikt naar hun. "We moeten oppassen, je weet maar nooit wat we binnen kunnen vinden. Geen genade, als deze mensen zijn geïnfecteerd dan zullen wij hun "lijden" beëindigen.", dan kijkt hij zelf naarbinnen en zoekt hij met zijn ogen naar de herberg waarmee hij net gesproken heeft. Hij houdt zijn schild onhandig voor zich om een eventuele aanval te kunnen afweren.
Een vloekende en tierende herbergier, gekleed in een soort nachtjapon, komt op hen af.
"Zijn jullie helemaal gek geworden?! Waar gaat het heen met de wereld! Jullie brengen die ziekte toch niet mee?"
Als hij de volledig bewapende Sanquin en de rest van de bende ziet, valt hij stil.
"Hoe durf je zo over ons te spreken, wij weten niets van deze ziekte maar jij gaat ons goed inlichten. Wat is hier aan de hand?!", schreeuwt Sanquin woedend naar de hulpeloze herbergier. Daarna wordt hij wat rustiger. "Wat ik bedoel is, wij willen hier graag overnachten en aangezien meesten van ons nu nogal gepikeerd zijn zal ik het wijs voor u vinden om niet om geld te vragen.", hij kijkt naar de anderen die er eruitzien alsof ze net uit een riool zijn gekropen en nog steeds geïrriteerd door de geur zijn. "Dus beste herbergier, zou u het erg vinden om ons goed in te lichten wat hier aan de hand is?"
De herbergier is zich rot geschrokken en brabbelt onverstaanbaar wat. Hij is behoorlijk bleek geworden.
Het duurt enkele minuten voor hij wat samenhangend weet uit te spreken.
"Overnachten... bedden... Ja, boven zijn kamers."
Veel meer kan hij Sanquin niet vertellen.
"Jullie hebben het gehoord, ga maar slapen. Morgen gaan we beginnen aan onze zoektocht.", de zeven mannen gaan de trappen op naar willekeurige kamers, Sanquin alleen latend met de herbergier.
"Mijn excuses voor de binnenval beste herbergier," verontschuldigd Sanquin zich voor hem en zijn andere bendeleden. "ziet u. We hebben een lange weg afgelegd en we zijn nogal bek af. Ook de geur van deze stad heeft ons niet goed gedaan, dus nu we hier alleen zijn. Zal ik het erg op prijs stellen als wij even konden praten over wat hier aan de hand is. Ik begrijp het als u even op adem wilt komen en even moet rusten. Dat is zeker niet erg," het lijkt erop alsof Sanquin een aangenamer persoon is zonder de troep mannen om zich heen en er is zelfs een vriendelijke glimlach op zijn gezicht te bekennen.
Hoewel er net eerder een serieuze en gevaarlijke blik te vinden was. Sanquin kijkt dan naar de deur en loopt ernaar toe. "sorry van de deur. Misschien kan ik hem weer terug in de schanieren zetten of iets anders doen om te zorgen dat het niet meer zo tocht...", hij legt zijn morgenster en schild op de grond. Hij grijpt de deur vast en tilt hem met moeite op. Hij loopt naar waar de deur eerst hing en kijkt of er iets te doen valt om hem weer terug te zetten.
De beste oplossing lijkt nog wel de deur gewoon zo goed en zo kwaad mogelijk tégen de deurpost te plaatsen en er dan een tafel of iets dergelijks tegenaan te schuiven als barricade én om te zorgen dat de deur niet weer naar binnen valt.
Terwijl Sanquin bezig is, loopt Sam al naar de slaapkamers, gevolgd door enkele van de mannen.
De herbergier heeft zich op een bankje laten zakken en staart nog steeds in staat van schok voor zich uit.
"De beste oplossing lijkt mij om de deur tegen de deurpost te plaatsen en dan een groot voorwerp ervoor te plaatsen om te zorgen dat de deur niet naarbinnen valt. Maar misschien is er ook nog een ander mogelijkheid, we kunnen de deur ook tijdelijk dichtnagelen, maar dan hebben we een hamer en genoeg nagels nodig.", een aardige glimlach staat er op zijn gezicht. Hij plaats te deur tegen de deurpost en laat de deur voor het moment wat het is, hij pakt zijn schild en morgenster op en leggen deze op een tafel.
"Hoeveel krijgt u van mij?", vraagt hij goed bedoeld en aardig. "Dan bedoel ik voor de overnachting, hopelijk ook ontbijt en schade. Ik hoop dat dit niet al te slecht heeft aangeslagen, nogmaals mijn excuses voor deze onrust."
De vrouw van de herbergier komt met een deegroller in de aanslag aangelopen.
"Laat mijn man nu eindelijk eens met rust! Hij vertelt jullie morgen de kosten wel! Zie je niet dat hij in schok is? Wegwezen! Naar bed!" schreeuwt ze.
Meteen springt Sanquin achteruit en blijft wankel op zijn benen staan.
"Mijn excuses mevrouw, ik heb geen onrust gewild. Het enige wat ik wil hebben is wat verheldering, want wat is hier aan de hand?", spreekt hij vergeefs. Dan schud hij zijn hoofd en pakt zijn morgenster en schild vast.
"Sorry dat we u tot zorgen zijn, we zullen verder geen herrie schoppen."
Sanquin loopt naar zijn kamer, legt zijn bewapening op een tafeltje en legt zijn kleren en maliënkolder over de stoel. Een grote gaap ontsnapt zijn mond en kruipt onder de dekens, hij valt vrijwel meteen in slaap.

---------------------------
Romalde loopt richting de poorten van Stend. Ze komt net uit Lith, en heeft de meest belachelijke dingen meegemaakt onderweg. Ze weet niet wat ze in Stend te zoeken heeft, maar haar onderbewustzijn heeft haar er naartoe getrokken, vanwege de juwelen die er gemaakt worden. Ze heeft altijd al een voorkeur gehad voor glimmende dingen.
Een wachter komt bij de poort staan en roept naar Romalde.
"Keer om! Hier heerst de dood!"
Zijn gezicht staat angstig. De poort blijft gesloten.
Zo trekt de nacht voorbij in Stend. In de stad slaapt men onrustig, angstig. Vlak buiten de stad, waar Romalde noodgedwongen overnacht, is het koud, maar de sfeer is redelijk ontspannen. Niets stoort Romalde in haar nachtrust. Bijna gelijktijdig worden allen wakker, door het tegelijkertijd kraaien van alle hanen in Stend.
---------------------------

Met een grote gaap en een lange strek wordt Sanquin wakker, hij blijft nog eventjes liggen maar is al snel uit zijn bed. Hij trekt zijn leggings en shirt aan met daarover zijn maliënkolder, daarna doet hij zijn broek aan en zijn vest. Hij doet ook snel nog zijn riem op met buideltjes en zijn mantel. "Ik ben klaar voor een nieuwe dag.", zegt hij tegen zichzelf als hij zichzelf nog eventjes uistrekt en naar beneden loopt.
"Goedemorgen...", is het enige wat hij zegt als hij gaat zitten.
Vanuit de aanliggende kamer klinkt gestommel. Sam en de anderen, die een soort slaapzaal hebben gekregen, zijn blijkbaar ook wakker.
Vooruit starend lijkt Sanquin te wachten op zijn eten, slaapdronken kijkt hij voor zich uit en wrijft even door zijn ogen. Dan kijkt hij om zich heen of hij de herbergier of zijn vrouw ziet, in de hoop dat hij wat verheldering kan krijgen van wat er allemaal in Stend aan de hand is.
De herbergier zit op dezelfde plaats als Sanquin hem gisteren heeft achtergelaten. Het is onduidelijk of hij daar de hele dag is blijven zitten.
Sanquin kijkt even, hij twijfelt of hij de herbergier gaat aanspreken. Na een tijdje kijken besluit hij dat het beste ding wat hij kan doen is de herbergier met rust te laten. Hij laat langzaam zijn hoofd op zijn armen vallen en sluit zijn ogen om zijn roes uit te slapen.
Sam komt binnen en gaat zwijgend aan dezelfde tafel als Sanquin zitten. Twee andere groepsleden volgen hem.
"Morgen," is het enige wat uit de mond van Sanquin komt wanneer Sam en twee anderen gaan zitten. "hebben jullie goed geslapen?", Sanquin is nu helemaal wakker en wilt hier zo snel mogelijk weg zijn.
Sam haalt zijn shcouders op, de andere twee knikken.
"Ja hoor." "Best."
In de herbergier is ondertussen wat leven te ontwaren.
"Laten we zo snel mogelijk hier weggaan, want de stank doet mij weinig goeds."
Sanquin staat op en loopt naar de herbergier toe.
"Morgen Herbergier, zou u ons misschien vandaag te woord kunnen zijn?", vraagt Sanquin beleefd en glimlacht goedschiks naar de man.
De herbergier slikt angstig als Sanquin dichterbij komt, maar knikt, zij het wat halfhartig.
"U moet weten, dat geen één van ons u kwaad wilt doen en wij zijn meer dan willend om te betalen.", stelt Sanquin de herbergier gerust.
"Toch, zijn er zaken hier in Stend dat ons nogal bezighoud. Want wat is hier nu precies aan de hand? Dit is toch niet hoe hier altijd op reizigers wordt gereageerd?"
Dan pas lijkt de herbergier te ontwaken.
"Nee," hij klinkt verontwaardigd, "maar de tijden veranderen. Vroeger was Stend gastvrij, maar sinds de plagen..."
Sanquin zijn ogen schieten wijd open bij het vallen van het woord: Plagen...
"Heb ik het goed gehoord dat er in Stend plagen zijn?" slikt Sanquin en een angstige blik is er in zijn ogen te vinden. Hij slikt even goed door en praat verder.
"Wordt er op het moment iets tegen gedaan, tegen die plagen bedoel ik? Is het wel veilig..." Sanquin maakt zijn zin niet af.
"Veilig?" De herbergier begint enigszins hysterisch te lachen. "Volgens mij is dat níet het woord dat de situatie in de stad op dit moment beschrijft. Overal vallen mensen dood neer. Dat noem ik niet veilig!"
"Als ik niet beter zou weten, dan zou ik denken dat u ook verdoemd bent. Net zoals de rest, alleen wij komen niet voor deze plaag hier. Wij komen hier voor een boek, in de bibliotheek. Kunt u ons misschien vertellen waar de bibliotheek is en wat te eten zou ook wel fijn zijn.", Sanquin wimpelt het hysterisch gelach weg alsof het niets uitmaakt. Dan wendt hij zich tot Sam. "Als we gegeten hebben, dan gaan we weg uit deze herberg en gaan we op zoek naar het boek. Ik ben hier het liefste zo snel mogelijk weg..."
Sam knikt grijzend. "Dit keer, geëerde leider, geef ik je volkomen gelijk."
De herbergier bekomt ondertussen van zijn lachbui en kijkt weer somber. Dan herinnert hij zich de woorden van Sanquin. "Vijf goudstukken voor onderdak, eten en de weg naar de bibliotheek."
"Vijf goudstukken?", klinkt Sanquin verontwaardigd. "U zou van geluk moeten spreken als ik u drie goudstukken zou geven. Dus het zijn drie goudstukken of wij betalen helemaal niet en als het eten niet snel hier is, dan wordt de prijs alsmaar lager.", bijt hij de herbergier toe.
Hij wendt zich naar Sam. "Ik ben blij dat we ergens over eens zijn..."
De herbergier haalt zijn schouders op.
"Laat ook maar zitten, we zijn allemaal verdoemd. Eten staat wel in de keuken. Geniet er maar van, zolang jullie nog kunnen."
Hij staart somber in het vuur van de haard.
Sam fronst.
Sanquin schudt zijn hoofd en gaat met zijn hand in zijn buidel en haalt er vier goudstukken uit. Hij pakt met zijn andere hand de hand van de herbergier vast en drukt met zijn hand met goudstukken, de goudstukken in de hand van de herbergier.
"Als het zo erg is, als u het zegt. Dan kunt u het beste een tijdje Stend verlaten, zeg maar totdat het weer goed is...", is het antwoord van Sanquin als hij naar de keuken loopt om wat voedsel op te gaan scheppen.

Elanor schrikt, maar is hierdoor wel meteen klaarwakker. Even is ze gedesoriënteerd door de vreemde kamer waardoor ze pas na een tijdje haar bed uitkomt. Ze rilt, het is koud in de kamer, ze trekt in een snel tempo wat kleren aan. Nog steeds rillend loopt ze naar het lampetstel en gooit wat ijskoud water in haar gezicht om het kleine beetje resterende slaap te verdrijven. Hierna loopt ze de kamer uit, op zoek naar een ontbijt.
De geur van een warm ontbijt komt Elanor al tegemoet. Zonder al te veel moeite vindt ze de eetzaal waar het eten al op tafel staat. Het is een kleinere zaal dan die waar ze de vorige avond hebben gedineerd. De hertogin is er niet te zien, maar wel zitten de bedienden her en der verspreid te eten.
Tussen de bedienden voelt ze zich al heel wat beter op haar gemak dan de vorige avond. Ze schuift ergens aan en neemt een stuk brood van tafel.
Een bediende in de buurt kijkt op en glimlacht naar Elanor.
Elanor slikt een hap door en glimlacht terug, zij het verlegen.
De bediende aarzelt even, maar spreekt dan toch. In zijn stem klinkt angst door als hij vraagt:
"U gaat de ziekte bestrijden toch?"
Elanor probeert te glimlachen. Het gaat moeizaam en ze weet niet of het uiteindelijk gelukt is. "We gaan het in ieder geval proberen," zegt ze dan, hopelijk niet al te zwaarmoedig.
De bediende slikt en schuift dan zijn stoel naar achteren. Vervolgens rent hij de eetzaal uit.
Elanor kijkt de bediende verbaasd na en fronst even.
Enkele andere bedienden werpen achterdochtige blikken op Elanor.
Elanor bloost en kijkt weg. Ze realiseert zich dat dit er wel schuldbewust uitziet, natuurlijk, maar het lijkt een soort reflex te zijn. En nu ze erover nadenkt, weet ze ook niet wat ze anders zou kunnen, of moeten, doen.
De bedienden in de buurt van Elanor schuiven wat ongemakkelijk met hun stoelen. Enkelen staan op en lopen achter de eerste aan, de eetzaal uit.
Elanor krijgt een dieprode kleur en raakt een beetje in paniek. Wat moet ze nu dóen? Haar gevoel zegt dat ze op moet staan en ook maar moet vertrekken, maar de kent omgeving noch kasteel. Even kijkt ze wat zenuwachtig heen en weer, hopend dat mensen ophouden te vertrekken. Maar uiteindelijk staat ze op en loopt de gang in, ze heeft geen idee waar ze heen zou kunnen gaan. Maar dat maakt het op dit moment niet bijster veel uit.
De gang is kaal en amper verlicht. In de verte klinkt een zacht gesnik.
Elanor loopt behoedzaam verder, wat angstig om te struikelen. Aan de ene kant is ze erg benieuwd, als dat het juiste woord is, naar degene die ergens binnen gehoorafstand huilt. Maar aan de andere kant is ze bang haar neus in andermans zaken te steken, ze is het voorval van zojuist allerminst vergeten.
Het gesnik gaat nog even door, dan stopt het plotseling.
Elanor loopt maar gewoon door, waarom zou ze immers niet? Ze heeft niet echt een idee waar ze heen zou moeten gaan.
Er zijn geen deuren meer in de hal, er hangen enkel versleten wandkleden. Het licht is slechts schaars; er brandt een enkele kaars.
Het geluid van vluchtende voetstappen weerkaatst tegen de muren.

De herbergier blijft naar de munten in zijn hand staren zonder iets te zeggen.
Sam volgt Sanquin en mompelt, met een steelse blik op de herbergier en op de mannen: "Ik denk dat we hier zo snel mogelijk weg moeten."
"Bedoel je alleen jij en ik of wij allemaal?", mompelt Sanquin terug terwijl hij een grote schep "voedsel" op zijn bord doet.
"Ik heb altijd andere verhalen over deze stad gehoord, vooral mijn tijden na het klooster...", praat Sanquin de verte in terugdenkend aan het verleden en ook terugdenkend aan zijn missie om mankrachten te vinden tegen het koningrijk.
"Wat is eigenlijk jou mening over het koningshuis?"
"Wij allemaal natuurlijk," antwoordt Sam enigszins verontwaardigd. "Ik was niet van plan iemand in de steek te laten, wel?"
Hij gaat niet in op de andere opmerkingen van Sanquin.
"Dus jou mening over het koningshuis is...?", vraagt Sanquin zonder aandacht te schenken aan al de andere dingen die Sam gezegd heeft.
"Het is er, dat is mijn mening," reageert Sam met een schouderophalen.
"Het moet weg, het slokt alleen maar geld op en regeren kunnen ze niet...", zegt Sanquin en geeft er een spugend gebaar bij. Hij loopt terug naar tafel, gaat zitten en schept wat eten in zijn mond.
"Ik kan me er niet druk over maken," antwoordt Sam, maar in zijn ogen is een vonk van interesse verschenen.
Sanquin kijkt even in Sam zijn ogen en glimlacht.
"Eigenlijk zou ik mij er misschien ook niet over moeten maken, toch doe ik het. Misschien komt het door het verleden of misschien door...", Sanquin schudt met zijn hoofd en neemt twee scheppen eten tot zich en kijkt schuin naar Sam.
"Wat is eigenlijk jou relatie met de gemantelde?"
"Hij betaalt en ik stel geen vragen," antwoordt Sam droog, terwijl hij snel een ontbijt naar binnen werkt. Ondertussen zijn de anderen ook de keuken binnengrkomen en ze zijn begonnen aan het ontbijt. De sfeer is gespannen, alsof de mannen zich niet op hun gemak voelen in de stad. Zo nu en dan werpen ze onrustige blikken op de deur, alsof ze verwachten dat er ieder moment een nieuwe ramp binnen kan komen.
Het lijkt net alsof Sanquin één van de weinige is die rustig eet en gemakkelijk overkomt, maar eigenlijk is Sanquin erg gespannen en zal bij het geringste van geluid of beweging opspringen om aan te vallen of te verdedigen. Wanneer Sanquin klaar is met eten staat hij op.
"Ik pak even mijn spullen, wij gaan. Zorg ervoor dat de mannen klaar zijn tegen de tijd dat ik terugkom.", spreekt hij Sam aan. Dan buigt hij voorover en fluistert in Sam zijn oor. "Als je wilt, kan ik voor jou en je mannen betere omstandigheden creëeren. Zelf ben ik troepen aan het werven voor een groep "rebellen" waar ik bij zijn, als je geïntreseert bent... Laat het mij weten.", Sanquin komt weer overeind en loopt de trap op naar zijn kamer.
Als Sanquin terugkomt staat de hele groep klaar om te vertrekken. De herbergier is nergens te bekennen, zijn vrouw staat achter de bar, opnieuw bewapend met een deegroller.
Sanquin laat een flinke zucht uit zijn longen. Waarom moet dat mens - elke keer als ik haar zie, die deegroller bij zich hebben. Het is toch niet alsof ik zo bedreigend ben? Sanquin loopt naar de mannen toe en geeft hen een korte knikje. "Kom, we gaan!", hij maakt aanstalten om naar buiten te lopen en om op zijn paard te stappen. Opeens herinnert hij zich dat hij van de herbergier nog geen aanwijzingen gekregen heeft over hoe hij naar de Bibliotheek moet gaan. "Vrouw van de Herbegier, hoe komt men bij de Bibliotheek van Stend?" vraagt hij aan de vrouw.
"De burcht van de hertog," is het enige dat de vrouw zegt. Het is duidelijk dat ze hen het liefst zo snel mogelijk ziet verdwijnen.
Sanquin zucht hevig en herhaalt de woorden die de vrouw. "De burcht van de hertog," stilte omringt hem en hoofdschuddend loopt hij naar Lucas toe. "maar hoe komen we de burcht binnen. Ik denk niet dat ze ons zomaar binnenlaten en met geweld naarbinnen gaan is ook geen piekfijn idee.", Sanquin wendt zich naar Sam als hij op Lucas stapt. "Heb jij misschien een idee hoe we in de burcht kunnen komen, het lijkt mij niet dat de Hertog smakkend is om een bende in zijn burcht te hebben...", ondertussen is Lucas al begonnen met het rijden richting de burcht.
Sam haalt zijn schouders enkel op.
Al snel komt de burcht in zicht en Sanquin vraagt zich nogsteeds af hoe hij binnen kan komen. Misschien laten ze wel alleen hem en Sam binnen, dat zou wel redelijk zijn. Of misschien moeten ze wel geweld gebruiken en om eerlijk te zijn heeft Sanquin daar geen zin in.
"Halt, wie gaat daar," roept een wachter bij de poort.
Sanquin wendt zich kort Sam en fluistert naar hem. "Laat mij maar praten, we moeten proberen binnen te komen. Als we vermoeid van een lange reis overkomen, dan komen we vast wel binnen.", Sanquin rijdt voorop en stopt een afstandje van de wachter af.
"Vermoeide reizigers, wij zijn op zoek naar een plaats om te slapen en alle herbergen zijn dicht.", behalve eentje dan, die hebben we gisteravond opengebroken. Een vermoeide blik uit Sanquin zijn ogen kijkt naar de wachter en hij denkt dat de wachter een zacht hart heeft en hen wel binnen zal laten.
"Het spijt me, maar daar heb ik niets mee te maken. Als u geen zaken heeft in de burcht, komt u niet binnen," reageert de wachter kort.

Voorzichtig loopt Elanor verder. Als ze al aandacht besteed aan de voetstappen, is het zeer weinig. Wel kijkt ze even om zich heen, en ze beseft dat ze geen idee heeft waar ze is, noch waar ze naartoe gaat. Toch lijkt het deel van de gang voor haar haar meer te trekken dan die achter haar, want ze loopt na een korte aarzeling toch door.
De voetstappen, als ze op gelijke hoogte van Elanor zijn, stoppen plotseling. Nog steeds is er niets bijzonders te zien.
Elanor blijft even verschrikt staan en kijkt om zich heen. Als ze niets ziet, laat ze haar vastgehouden adem weer ontsnappen en loopt langzaam door. Het geluid komt immers vast van de verdieping boven haar. Toch begint nu toch de gedachte terug te gaan steeds vaker in haar opkomen en even blijft ze staan en kijkt om.
Héél zacht is een angstige ademhaling te horen in de gang.
Ze schudt haar hoofd. Nee, ze zal zichzelf wel horen. Ze beeld zich gewoon dingen in. Toch blijft ze nog staan. Het begint nu eigenlijk pas goed tot haar door te dringen dat ze niet weet waar ze heengaat en dat deze gang helemaal niet op de rest van het gebouw lijkt.
Eén aarzelende stap weerklinkt. Het is niet veel meer dan een geschuifel.
"Hallo?" ze kijkt aarzelend de gang in en gaat tegen een muur staan. "Is daar soms iemand?" Het tweede klinkt al zekerder, maar nog niet zeker genoeg om het ook zeker te noemen.
Iemand ademt geschrokken in en dan is het stil.
Elanor fronst, haalt haar schouders op en loopt verder.
Een enkele voetstap weerklinkt opnieuw in de hal.
Elanor knijpt haar ogen even stijf dicht en vervloekt stilletjes haar verbeelding. Haar tred wordt ietwat sneller.
Snel gaan de voetstappen de andere kant op.
Elanor blijft gestaag doorlopen, terwijl ze zichzelf voor blijft houden dat het de verdieping boven haar moet zijn en anders haar verbeelding wel.
Nog twee, drie voetstappen weerklinken, gevolgd door een opgeluchte zucht en dan is het helemaal stil in de gang.
Waarom wás ze hier ook alweer? Waarom moest ze nu net de deur naar déze gang nemen? Verslagen blijft Elanor staan en kijkt naar haar voeten, die ze maar amper kan zien.
Doorlopen of teruggaan? De gedachte aan teruggaan trekt haar nog het minst, maar ze weet ook niet wat ze aan het eind van de gang zal vinden. Waarom kan zíj nu nooit iets slims bedenken in dit soort situaties? In het gevecht tegen de magiër was ze nu ook niet bepaald nuttig, wel? De besluiteloosheid is frustrerend en als ze óók nog verdwaald zou zijn, zou ze misschien wel in huilen uitgebarsten zijn.
Maar op dit moment weet ze wel waar ze is, toch? Als ze terugloopt, is ze terug in de eetzaal. Het ontbijt zal wel afgelopen zijn, maar ze zou ook alleen zijn. Niemand in de buurt die haar kent of die haar de goede kant in zou kunnen sturen.. En wat zou ze kunnen doen? Ze heeft tegen de bediende gezegd dat ze haar best zou doen tegen die ziekte.
Ze besluit op safe te spelen. Misschien kan ze nog eens in de bibliotheek zoeken? Er zou wat over het hoofd gezien kunnen zijn, niet waar? Bovendien weet ze niet wat ze anders zou moeten, kunnen, doen.
In het begin aarzelend, maar later met grotere, fermere stappen, loopt Elanor terug naar de eetzaal.

"Dat is correct, u zou ons niet binnen mogen laten als wij niets in de burcht te zoeken hadden.", Sanquin moest snel op zijn voeten denken; wat zou hun de burcht in kunnen krijgen. Als bliksem sloeg het bij hem in, in de bibliotheek is vast wel iets tegen die ziekte te vinden. "Wij komen hier om de ziekte die de straten van Stend vervloeken onderzoeken, wij moeten zoeken naar boeken in de bibliotheek van het burcht. Als U ons binnen zou kunen laten, dan zouden wij dat erg op prijs stellen.", met een vriendelijke glimlach kijkt Sanquin naar de wachter en hoopt dat de wachter het over zijn hart kan strijken om hen binnen te laten.
"Wacht hier," zegt de wachter, als hij Sanquin heeft aangehoord.
Hij loopt de burcht in, richting eetzaal.
Daar komt Elanor net binnenlopen en ook Primula zit er te eten. Zij is even geleden wakker geworden en geniet nu van een vers broodje.
De wachter loopt op Elanor af. Hij kijkt even vreemd op als hij ziet uit welke richting ze kwam, maar maakt hier geen woorden aan vuil.
"Vrouwe, aan de poort staat enkele mannen die beweren de ziekte die onze stad teistert te onderzoeken. Horen ze wellicht bij uw groep? Ik weet dat ze niet in opdracht van de hertogin werken, anders zou ik ze wel herkennen."
Ze was in gedachten verzonken terwijl ze liep, waardoor zijn blik niet opmerkt en schrikt als de man haar aanspreekt. "Mannen aan de poort? Eh.. niet dat ik weet," hakkelt ze terwijl haar gezicht een hoogrode kleur krijgt. "Maar alle hulp is meegenomen, denkt u niet?" voegt ze er mompelend aan toe.
De wachter aarzelt. "Tja, als u het zegt... Misschien loopt u anders beter eerst maar even mee."
Elanor knikt en volgt de man.
Primula gaapt nog een beetje en neem nog een grote hap van haar broodje, ze is nog wat slaperig en staat een beetje voor haar uit.
Vlak voordat hij de eetzaal uitloopt, draait de wachter zich om naar Elanor en knikt richting Primula.
"Misschien kunt u beiden meekomen?"
Elanor knikt en kijkt afwachtend naar Primula.
Primula eet haar brood op en staat dan, enigszins schuchter, op om Elanor en de wacht te volgen, tot ze bij de groep aan de poort komen.
"Dit zijn ze," zegt de wachter tegen Elanor, terwijl hij naar Sanquin en de mannen gebaart. Ze ziet er niet meer zo onverzorgd uit als eerder het geval was, maar ze komen ook zeker niet over als een groep rondreizende geleerden.

"Jongens, we moeten er wel een beetje goed uitzien. Ze moeten ons niet aanzien als een stelletje tuig, dus een beetje je wapens opbergen. Als we ons best doen, kunnen we misschien nog zelfs eruit zien als tempelridders haha, die idioten..", lacht Sanquin als hij nadenkt over de tempelriddders. Onderbewust hoopt hij ook de mannen een beetje te ontspannen, hij wil hier het liefst zo snel mogelijk weg en hij weet dat de mannen dat ook willen.
Sam staat er sowieso al ontspannen bij, maar hij grijnst wat minachtend bij de woorden van Sanquin. De andere mannen schuifelen wat, fatsoeneren hun kapsel of wrijven een keer over hun tanden om het ergste vuil weg te halen.
Wetend dat de mannen er niet uitzien alsof ze de geleerden zijn van de nieuwe wereldorde, moet Sanquin snel op zijn voeten denken. Hij moet zich goed voor laten komen; misschien als hij slimme opmerkingen maakt komt hij wel goed over en hopend dat Sam ook wel wat slims kan zeggen.
"Goedemorgen, maar kunt u wel goedemorgen zeggen wanneer de ochtend niet goed is. Moet u dan niet een andere groet geven, of wordt goedemorgen gezegd omdat men niets anders kan bedenken?", Sanquin wendt zich naar Elanor, Primula en de wachter. Hij stapt van zijn paard en maakt een sierlijke buiging, dan pakt hij de hand van Elanor vast. "Het is een eer om met u kennis te maken vrouwe.", hij kust teder op Elanor haar hand en glimlacht naar haar. "Mijn oprechte excuses voor onze uitstraling, weet u. Wij hebben een zware en moeilijke weg ondervonden, mij en mijn compagnon.", Sanquin wijst Sam aan. "Dus moesten wij bescherming krijgen, en deze groep mannen is onze escort.", hij wijst de rest van de bende aan en denkt dat ze er wel intrappen. "Oh, wat slecht van mij om mij niet voor te stellen. Professor Exsanguinatio van Oors en mijn compagnon heet Samuel van de kerken. Zou ik misschien mogen weten hoe uw beiden genoemd worden?"
Elanor is behoorlijk overdonderd door de indrukken die ineens op haar afkomen en knippert even verward met haar ogen. "Oh.. Eh.. Elanor," hakkelt ze. "En dit is Primula," voegt ze er wat zachter aan toe terwijl ze de palm van haar zojuist gekuste hand bestudeert.
"Prettig met uw beiden kennis te maken," Sanquin maakt weer een diepe buiging en vanbinnen grijnst hij vals. Het lijkt erop dat mijn plan perfect aan het werken is, als ik zo doorga eet ze gewoon uit mijn hand. De kunst van iemands vertrouwen winnen is door vleierij en goede spraak. Zolang je in iemands goede wil zit, kun je niets fout doen..., maar dit meisje intrigeert mij. Er is iets aan haar wat ik niet zo goed kan ondervinden. Misschien blijven we hier toch langer dan gepland... Even kijkt Sanquin bedenkelijk naar Elanor en glimlacht vriendelijk naar haar. "Wij hadden gehoopt om in de bibliotheek van Stend iets te kunnen vinden over deze ziekte, plaag of misschien beter gezegd deze pest.", gelovend dat ze zometeen binnen worden gelaten pakt hij de teugels van zijn paard vast. Sanquin probeert om zo betoverend en vriendelijk in de ogen van Elanor te kijken, om ervoor te zorgen dat hij zo snel mogelijk binnenkomt. Voor Primula heeft hij weinig oog, dit komt vooral omdat hij doorheeft dat zij weinig te zeggen heeft.
Elanor denkt na. Hulp is altijd meegenomen, maar aan de andere kant is ze nooit erg goed geweest in het nemen van dit soort beslissingen. Ze voelt zich niet zo op haar gemak met deze nieuwe "verantwoordelijkheid". Ze zou zich het liefst naar de wacht draaien om te vragen wat hij ervan vindt, maar bedenkt zich en zucht inwendig. Op hoop van zegen dan maar..? "Eh.. Ik denk dat hulp altijd meegenomen is, niet?" Bijna vragend kijkt ze rond, naar niemand in het bijzonder.
De wacht haalt zijn schouders op.
"Goed vrouwe, als u het zegt."
Hij stapt opzij en laat Sanquin en Sam de poort binnengaan. De anderen houdt hij echter tegen, onder het mompelen van een of andere vage huisregel over een maximum aantal gasten. Hij kan het niet laten daarbij enigszins wantrouwende blikken richting de groep te werpen.
Dat Sam en hij van de groep worden gescheiden lijkt Sanquin het allerminste te ergeren, in tegenstelling tot ergernis is Sanquin breed glimlachend wanneer hij samen met zijn paard Lucas en Sam de burcht binnengaan. "Mijn compagnon en ik zouden graag in de bibliotheek willen kijken voor referentie, boeken en het dergelijke snapt u?", Sanquin maakt een buiginkje. "Zou mischien iemand mijn paard naar de stallen kunnen brengen, hij is misschien wat moe van de reis.."
Op dat moment komt er al een staljongen aangerend om de paarden van Sam en Sanquin over te nemen.
"Dank u wel, dat is erg aardig van u.", dan wendt Sanquin zich naar Elanor. "Ik vroeg mij af of u misschien mij naar de bibliotheek zou kunnen begeleiden, want ik denk persoonlijk niet dat noch ik noch mijn compagnon de weg naar de Bibliotheek zullen herkennen noch vinden.", vraagt Sanquin met de vriendelijkste glimlach die hij zichzelf kan opzetten en wetend dat hij zo Elanor zal kunnen makkelijk kan aanzetten om hem de bibliotheek te laten zien.
"Eh, ja "tuulijk," hakkelt Elanor, "ik ben er zelf ook nog niet geweest, maar hij zal wel niet zo moeilijk te vinden zijn." Onbedoeld geeft ze haar woorden een te vragende toon. Om eerlijk te zijn is ze helemaal niet zeker waar de bibliotheek zou kunnen zijn, maar anders zou ze het altijd aan een bediende kunnen vragen.
"Ach, maar ik geloof dat u wel uw weg door deze burcht kent. Zal dat niet het geval zijn, u weet de weg beter dan ik of mijn compagnon.", Sanquin lacht om de spanning uit de situatie weg te krijgen. "Wij zijn gelijken, dus ik hoop niet dat u zich geïntimideerd voelt door onze status..., vrouwe Elanor."
Ze zucht inwendig en knikt, dat maakt het in ieder geval al een stuk gemakkelijker. "Zullen we dan maar?" probeert ze voorzichtig, slechts een vaag idee hebbend over het feit waar de ruimte waar ze heen gaan zich zou kunnen bevinden.
Sanquin knikt kort en laat zijn hand over het handvast van zijn morgenster glijden, gewoon om te voelen of hij er nog was. Hij had zijn schild nog vast, hij deed zijn handen achter zijn rug en hield zo zijn schild vast. "Maar natuurlijk, als u ons de weg zou kunnen wijzen.", glimlacht hij naar Elanor.
"Ik kan het in ieder geval proberen," een nerveus glimlachje ontsiert haar gezicht voor een kort moment. Oké, zo moeilijk kan het niet zijn. Ben ik er niet al eens langsgekomen? Ze loopt maar richting de gang die haar het meest logisch lijkt, maar kijkt ondertussen ook maar vast rond of er een bediende of andere persoon in de buurt is die haar de weg zou kunnen wijzen.
"U heeft een mooie glimlach," merkt Sanquin op en hij zet zelf een grote glimlach op, eentje die je aan het lachen zal maken. "maar ik vraag mij toch af. Weet u eigenlijk wel waar we heen moeten.", vraagt hij wanneer ze al een tijdje hebben gelopen en nog niet bij de bibliotheek zijn aangekomen. Hij kijkt even naar Sam, die zich al een lange tijd stil heeft gehouden.
"Zoals ik net al zei: ik ben hier zelf nog maar pas en ben nog nooit in de bibliotheek geweest," zegt ze, "ik ben eigenlijk meer op zoek naar iemand die me zou kunnen vertellen waar het is." Ze merkt Sanguins glimlach niet echt op, omdat ze te druk heeft met het onderdrukken van het gevoel heeft dat er een steen op haar maag ligt. Dat moet net mij weer overkomen.. Is er dan helemaal niemand in de buurt hier? Even denkt ze diep na. Zei Primula niet dat onze verblijven een verdieping scheelden met onze kamers? Dan zou op de verdieping beneden onze kamers de bibliotheek moeten zijn..
Aan de andere kant van de gang loopt een jong dienstertje met een blad, eten, blijkbaar is ze afkomstig van de eetzaal en loopt ze nu richting een van de vleugels.
Elanors hart maakt een sprongetje en ze loopt met snelle tred naar het meisje toe. "Pardon, juffrouw? We zijn op zoek naar de bibliotheek, kun je ons misschien vertellen waar dat is?" In haar gedachte kruist ze haar vingers en ze kijkt het meisje vragend aan.
Als Elanor haar voor het eerst aanspreekt, schrikt het dienstmeisje. Als ze vervolgens de vraag hoort, herstelt ze zich snel.
"Precies onder de gastenverblijven, vrouwe."
"Dank je," Elanor glimlacht. Dus ik had het toch goed onthouden. Ze loopt terug naar Sam en Sanguin. "Ik heb het zojuist gevraagd en ik denk dat ik het wel weet, ik moet alleen even een trap vinden." Dat moet toch niet zo moeilijk zijn?
De trap is inderdaad snel gevonden en tot haar opluchting ziet Elanor vanaf daar ook de vleugel met de gastenverblijven, zodat ze nu weet waar ze zich bevindt.
Ze probeert haar opluchting te onderdrukken. "Hierzo," ze loopt verder naar de bibliotheek.
Sanquin ziet de opluchting in de ogen van Elanor en geeft haar een vriendelijke glimlach. "Het lijkt erop dat u de bibliotheek heeft gevonden, we kunnen het beste meteen gaan zoeken naar een boek dat misschien wat antwoorden kan geven.", Sanquin gaat meteen op zoek het boek Zwart en zegt zachtjes tegen Sam. "Des te eerder we dat boek hebben gevonden, des te beter."
Elanor loopt langs de boekenkasten en laat haar handen over de kaften glijden om ervoor te zorgen dat ze geen boek zal missen. "Heeft u misschien een boek in gedachten?" tussen de planken door zoekt ze Sanguins gestalte om te zien of hij haar gehoord heeft.
Sanquin wacht even met reageren en bedenkt even wat hij het beste kunt zeggen. "Ik zoek naar een boek dat duisternis, dood en verderf voorspelt...", hopelijk heeft hij zo laten merken dat hij nog steeds met de pest bezig is en niet met het zoeken naar een boek voor de gemantelde. Ondertussen pakt hij enkele boeken uit de boekenkasten. Naar de naam kijkend en er doorheen bladerend.
"Ah," Elanor loopt een eindje verder. "Enig idee hoe het zou kunnen heten?"
"Als u wilt dat ik eerlijk ben, dan moet ik zeggen dat ik niet echt een idee heb over de naam van het boek. Maar als u een boek vind diens kaft en naam onheil voorspelt, dan zal dat waarschijnlijk veel licht geven aan de zaken aan hand.", reageert Sanquin terwijl hij door blijft zoeken.
Elanor knikt. "Oké." Waarvan de kaft en naam onheil voorspeld.. Even blijft ze staan en denkt na, maar uiteindelijk zoekt ze verder. Als een boek onheil voorspelt, zal dat In de eerste kasten lijken echt geen boeken te staan waarvan de kaft duister en onheil voorspelt. In tegendeel, er schijnen evenveel verschillende kleuren als kaften te zijn.
Hier is het dus in ieder geval niet, ik kan beter bij de volgende kasten gaan kijken, want hier lijkt hij niet bij te zitten. Sanquin loopt naar de kasten verderop en gaat meteen verder met zoeken, hij wilt eigenlijk zo min mogelijk tijd verdoen met het zoeken naar het boek. Hij wilt het boek gewoon pakken en brengen naar de gemantelde, dan kan hij tenminste van die rotklusjes afzijn van hem.
Sam blijft enigszins ongemakkelijk bij de eerste kasten staan.
Elanor blijft ondertussen gewoon doorzoeken en gaat van plank naar plank en van kast naar kast.
Ze ziet voldoende interessante boeken staan. Van Creatief met maanspreuken tot Ik werd verliefd op een pixie en Niet morgen, maar eergisteren; zelfhulpboek voor de doden.
De boeken die Sanquin nu tegenkomt zijn geschreven in Oudtorsaans. Zo Oud dat de meeste titels nog maar amper leesbaar zijn.
Elanor grinnikt bij sommige titels, maar weerhoudt zich ervan de boeken te pakken en open te slaan en zoekt verder.
"Bladeek"..., Sanquin probeert het woord zo goed mogelijk uit te spreken en hij kan het niet helpen om een lachje toe te laten en zijn rechterwenkbrauw omhoog te brengen. Hij schudt zijn hoofd en vraagt zich af hoeveel kasten er staan.

"U bent duidelijk ergens naar op zoek...."
Een luide stem doet Sanquin, Sam en Elanor uit hun zoektocht opkijken, zoekend naar de man die de stem bezit. In de deuropening vinden ze de persoon, gehuld in een groene mantel. "Mijn excuses... Waar zijn mijn manieren," zegt de man in de richting van Sam en Sanquin. "Laat ik me eerst eens voorstellen... Ik ben Illisér, woudloper... En tevens geliefde van de beeldschone vrouwe die uwedelen hier vergezeld." Illisér richt zich vervolgens op Elanor: "Sorry dat mijn afwezigheid enige tijd in beslag heeft genomen... Grosock en ik werden opgehouden. Waar is die schavuit eigenlijk?"
Ze houdt op met zoeken, want de stem is snel genoeg herkend. Elanor kijkt, glimlachend, naar de grond en bloost licht bij het woord "beeldschoon". "Nee, ik weet niet waar hij is. Ik heb nog niemand gezien vandaag, behalve Primula."
Sam heeft nog steeds geen boek gepakt en hij kijkt nu nieuwsgierig en enigszins achterdochtig van de een naar de ander.
Sanquin geeft geen aandacht aan de nieuwkomer, niet meer dan een afkeurend geluidje van het schoonmaken van zijn keel, hij gaat meteen verder met zoeken. "Hoeveel kasten zijn hier wel niet?", vraagt hij zichzelf zachtjes af en kijkt in het rond.
"Heren! Heren! Waar zijn uw manieren? Ik heb mij voorgesteld, maar ik heb geen flauw idee wie u bent, noch wat u hier doet en waarom u hier in het gezelschap bent van Elanor!" zegt de woudloper, met nadruk leggend op enkele woorden. "Nogmaals... Mijn naam is Illisér "i Thorondor" Chaman, woudloper van beroep en doorgaans aangesproken met Illi of Illisér. En nu hoort u, volgens de sociale ongeschreven wetten van Torsan, ten minste te vertellen wie u bent en wat u doet, alstublieft."
Sanquin kijkt op naar de woudloper en bekijkt hem van top tot teen, wat is zijn probleem nu weer. Ik heb geen tijd voor imbecielen zoals hem, ik moet zoeken naar het boek Zwart, niet mij voorstellen aan die woudloper. Sanquin kijkt hem even in zijn ogen aan, die dromerige ogen van hem en voelt opeens de nodigheid om te gaan kotsen. Snel kijkt hij weer weg, op zoek naar Sam. "Heer Illisér "i Thorondor" Chaman, fijn dat u zo gesteld bent op de normen en waarden van Torsan en dat u gelooft dat het werkelijk nodig is om u voor te stellen. Maar ik en mijn compagnon zijn op dit moment nogal verdiept in deze boeken hier en uw luide stem brengt ons niets ten goede. Dus wilt u als u eraan gelooft, uzelf terzijde houden en mij en mijn compagnon een tijd van rust geven.", Sanquin draait zijn rug weer naar de woudloper toe en gaat verder met zoeken naar het boek Zwart.
Elanor fronst. Waarom stelde hij zich niet gewoon voor? Ze kijkt van de een naar de ander. Dat had hij bij haar toch wél gewoon gedaan?
Sam knikt een maal naar de woudloper, pakt een boek uit te kast en begint er lusteloos in te bladeren.
Sanquin schudt eenmaal met zijn hoofd als hij hoort dat de woudloper in zijn tong is geslikt. Hij pakt een boek vast en probeert de titel te lezen, het enige wat hij ervan kan maken is: Thdfsa. Hij legt het boek weer weg en gaat verder met zoeken.
"Mijn... heer... Ik sta op het punt mijn geduld te verliezen. In deze tijd van gevaar en angst kan iedereen de vijand zijn. Deze vreselijke ziekte moet toch door iemand verspreid zijn, vind u niet? Maar wat maakt een naam ook uit. Met een naam weet ik nog niets, naamloze. En zou uw beroep professioneel huurmoordenaar geweest, dan zou u daar toch over gelogen hebben. Nee, uw wezen schijnt zo weinig van belang te zijn dat uw naam, en die van uw spraakzame compagnon, niet gezegd behoeven te worden." Met die woorden stapt de woudloper op Elanor of, kust haar en fluistert de vrouwe enkele lieve woorden in het oor. Vervolgens pakt hij een willekeurig boek uit de kast en begint er in te bladeren, de twee "heren" negerend, zijn blik af en toe over de rand van het boek naar Elanor glurend.
Elanor glimlacht, bloost en geniet van de tinteling die haar doorspringt, ondanks het feit dat het zwijgen van Sanguin haar verontrust. Als Illisér naar de kast loopt en een boek pakt, besluit zij dat het ook beter is om verder te zoeken en verdiept zich weer in de titels waar zij langsloopt.
Sanquin luistert met een knikkende beweging naar de woorden van de woudloper en glimlacht breed achter het boek dat hij vasthoudt. In zijn hoofd verzamelt hij alle informatie die de woudloper hem net gegeven heeft, de woudloper denkt veel te weten maar hij maakt te veel fouten. Die fouten zal hij berouwen als hij weet wie hij echt is, een huurling, een verkochte mankracht. Hij is een bruut, een bruut met een intellect, hij is een eenling. Hij is een verbannene, nee als de woudloper zou weten wie hij was, dan zou hij wel oppassen wat hij zei.
"Au contraire beste heer Woudloper, wat doet u denken dat deze ziekte door een Iemand is verspreid, vindt u zelf ook nou niet dat wat u nu aanneemt een te gemakkelijke assumptie is? Misschien is het net zoals vele andere ziektes, dat het met iets kleins op de rug van een ziektedrager zoals; een rat, muis of andere kleine dieren die veel in ongure plekken rondhangen. Als zo"n ziektedrager een mens besmet, of als we aannemen dat er meerdere van deze ziektedragers er zijn en ze dus ook op verschillende plaatsen mensen besmetten." Sanquin loopt naar de Woudloper toe met een boek in zijn hand; een boek die hij herkende van zijn dienst onder de gemantelde."Als u nu dit boek bestudeerd, zult u misschien iets vinden die de symptomen draagt die deze ziekte met zich meedraagt. En voor mij naam en beroep, dat is voor dit moment niet relevant. Als uw huis afbrandt en iemand komt met water aangerend, stopt u dan ook dat persoon en vraagt u hem wie hij is en wat hij doet? Ik neem toch aan van niet, in een tijd van crisis neemt men alle hulp met beide handen aan en ik hoop toch dat ik en mijn compagnon u wel helpen."
Sanquin zijn ernstige blik laat de woudloper goed merken dat hij meent wat hij zegt. Wanneer hij het boek in de handen van de woudloper heeft gedrukt, draait hij zich om en loopt hij weer weg. Als hij zeker weet dat niemand hem kan zien, laat hij een brede glimlach op zijn gezicht vallen. Met grote trots en zelfvoldaanheid pakt hij nu nog wat boeken vast, dan loopt hij naar Elanor toe en fluistert haar zachtjes in het oor: "Ik heb een idee over een boek over deze ziekte, er moet Zwart op staan. Zou U mij misschien kunnen helpen met zoeken?"
"Zwart," herhaalt Elanor zacht voor zichzelf en ze knikt Sanguin toe. Dan gaat ze op zoek naar het boek, maar tegelijkertijd probeert ze ook op andere titels te letten die relevant zouden kunnen zijn.
Er is niets dat lijkt op "Zwart". Zelfs "Bruin" of "Rood" of "Grijs" komt niet voor.
Elanor gaat naast Sansguin staan. "Weet je zeker dat het hier zou moeten zijn?" Ongemakkelijk wringt ze haar handen.
"Verdoemenis!!!", roept Sanquin boos en wendt zich dan naar Sam. "Het boek Zwart is hier niet!", schreeuwt hij in zijn woede naar hem. Dan duwt hij tegen een boekenkast aan, zo hard als hij kan om zijn agressie kwijt te raken. Dan komt hij weer tot bezinnen en zucht diep. "We waren verteld dat de oplossing, het boek Zwart, hier te vinden zou zijn." Met zijn hoofd naar de grond tikt hij een onzichtbare steentje weg met zijn voet.
Elanor doet even verschrikt een paar stappen achteruit. Maar waarom zei hij dat niet meteen? Ze fronst. "Maar wie zei het dan? En waarom klopt het niet wat diegene zei?" Op het moment dat ze de vragen echter stelt, realiseert ze zich dat ze zich daar niet mee zou moeten bemoeien en krijgt een hoogrode kleur.
"Degene die ons hierheen gestuurd heeft..., hem." Mompelt Sanquin bijna onverstaanbaar. "We kunnen beter gaan heer Sam, ik neem aan dat wij het antwoord niet zullen vinden. Het boek is hier niet, hij heeft ons voor niets op pad gestuurd. We zullen dit moeten rapporteren aan hem." Sanquin maakt meteen aanstalten om naar buiten te lopen, om naar de stallen te gaan voor zijn paard.
Primula loopt op een rustig tempo naar de bibliotheek toe, daar aan gekomen gaat zo op zoek naar de rest.
Elanor blijft stomverbaasd staan. Als ze ziet dat Sanguin van plan is te vertrekken, kijkt ze even onzeker om zich heen, alvorens zich naar een andere kast te begeven. Ze weet eigenlijk niet goed wat ze op zo"n moment zou moeten doen, maar verder zoeken is iets wat haar het meest logisch lijkt.
Sam aarzelt. "Dan is het jouw verantwoording." Het idee de gemantelde zonder het boek onder ogen te komen staat hem duidelijk tegen.
Als hij vervolgens toch enkele stappen naar de deur doet, botst hij bijna tegen Primula op.
Tot overmaat van ramp komt er ook een jonge bibliothecaresse aangelopen.

---------------------------
De jonge bibliothecaresse loopt naar het stel toe, in haar ogen staat een vragende blik. "Ik heet Archara, kan ik jullie misschien helpen?" vraagt ze en ze vraagt zich af wat het voor vreemde spanning is die ze voelt bij deze lieden.
Elanor draait zich naar Archara toe. "Kent u deze bibliotheek?" Zonder echt een antwoord af te wachten, vraagt ze verder. "Is er hier een boek wat "Zwart" heet?"
"Ik ben hier nog maar net, maar als het niet in de kasten staat, misschien dat het achter ligt." antwoord Archara dan, "Ik zal even kijken." En dan voegt ze de daad bij het woord.
Sanquin houdt Sam tegen en glimlacht naar hem. "Misschien kunnen we hem toch vinden, als ze hem vindt. Dan moeten we hem meteen pakken en een smoes bedenken zoals: We moeten hem gaan onderzoeken." Fluistert Sanquin naar Sam terwijl zijn hand op zijn schouder rust. "Als u het boek vindt, zou u het dan naar ons willen brengen. Wij danken u."
Archara draait zich om, "Dat spreekt vanzelf heer," beantwoord ze de vraag van Sanquin, "maar u zult gedult moeten hebben, ik ken het hier nog niet zo goed en het kan dus even duren voordat ik terugkom." en dan loopt ze weer verder in de richting van een deur die kleiner lijkt dan de meeste deuren in de burcht.
Archara blijft een paar minuten weg, maar dan gaat al snel het kleine deurtje weer open.
"Het spijt me," zegt Archara als ze weer bij het stel staat, "het boek is er wel, maar de officiele bibliothecaris heeft een briefje erbij geschreven dat ik het niet mag uitlenen, en ik wil eerst met hem overleggen of ik het wel aan u mag uitlenen." Ze kijkt iedereen één voor één aan en zucht eens, "jammer genoeg heb ik geen idee waar hij zou kunnen zijn, dus u zult geduld moeten hebben tot hij weer terug is."
Elanor knikt. "Het is in ieder geval al iets, toch?"
Sam trekt zijn wenkbrauwen op bij het horen van het bericht en kijkt Sanquin dan vragend aan.
Sanquin knikt overeenstemmend met Sam en herhaalt wat Elanor net gezegd heeft. "Ja, dat is inderdaad in ieder geval iets..." Dan loopt hij naar Sam toe en fluistert in zijn oor. "We hebben twee keuzes; of we pakken nu zelf het boek en gaan ervandoor, waarbij we ook moeten meetellen dat we veel vragende gezichten en de burcht"s wacht achter ons aankrijgen. Onze andere optie is wachten op de officiële bibliothecaris en dan vragen of wij het boek mogen meenemen voor onderzoek. Wat denkt jij dat we moeten doen?"
"O nee, geëerde leider, die keuze schuif je mij niet in de schoenen," antwoordt Sam beslist.
"Ik wil ook niet dat jij de keuze hierover neemt, ik wil alleen jouw mening hierover horen. Dat is alles wat ik wil, maar ja, als dat nu te veel gevraagd is. Dan zal ik er zelf wel de keuzes nemen en houdt ik jou verantwoordelijk als er iets gebeurt Want jij was het die mij niet wilde helpen en ik dus alleen keuzes moest maken." Sanquin pakt een boek uit de kast, om ervoor te zorgen dat het lijkt dat hij gewoon aan het zoeken is. Wanneer hij het boek opendoet vindt hij er drie goudstukken in en stopt die in zijn geldbuidel.
Archara kijkt nogal ongelukkig en zegt, "Sorry dat ik niet kan helpen met het boek "zwart", kan ik u misschien nog ergens anders mee helpen?" Het is overduidelijk dat ze zelf ook niet al te gelukkig is met de situatie.
"Weet u misschien waar de bibliothecaris is?" vraagt Elanor voorzichtig.
"Het is nogal jammerlijk dat u ons er niet mee kunt helpen maar als we nu eens wachten totdat de bibliothecaris terug is of als u informatie hebt over waar wij hem kunnen vinden dan zal ik beiden met open armen in ontvangst nemen." Sanquin glimlacht hartelijk naar Archara en probeert hoop op te houden dat ze dadelijk met het boek weg kunnen walsen.
Sam kijkt twijfelachtig. Dat lukt nooit.
"Sorry, maar ik weet het echt niet. Hij zei dat hij wat dingen moest regelen en dat ik voor de bibliotheek moest zorgen, hij heeft niet gezegd wat hij ging doen of waar." zegt Archara naar waarheid.
Sanquin knikt naar Archara en wrijft met zijn hand over zijn kin. "Ik ben blij dat u zo eerlijk tegen ons, mij bent. Ik denk dat ik en mijn compagnion maar opzoek moeten gaan naar de bibliothecaris." Hij wenkt naar Sam en maakt aanstalten om maar het kasteel te doorzoeken. Als Sam naast hem staat fluistert hij: "We zullen zelf het boek maar halen, we moeten naar de het kamertje lopen waar dat mens was heengegaan."
Sam knikt en loopt langs Archara in de richting van het kamertje.
Sanquin volgt Sam op de voet en stopt even voor de deur van het kamertje, dan knikt hij naar Sam en probeert dan de deur zachtjes open te maken.
Elanor wilde een moment ook opstaan, maar om nu met zijn drieën het kamertje te doorzoeken leek haar enigszins overdreven. Vandaar dat ze maar bleef zitten en afwachtte of er iets gevonden zou worden. Het lijkt soms wel alsof alles tegenwerkt..
Archara kijkt naar Sanquin en Sam als zij naar het kantoortje stappen totdat ze nadenkt over de woorden die gezegd zijn. "Sorry, maar als u op zoek gaat naar de bibliothecaris hoeft u daar niet te zoeken. Dat is maar een klein kamertje waar u alleen via hier naar toe kunt dus we hadden hem moeten zien als hij daar nu is." zegt ze, niet echt wantrouwend maar blindelings vertrouwen doet ze nu ook niet meer.
Het kamertje is inderdaad klein en er is niemand. Wel liggen er stapels boeken, de meeste enigszins beschadigd en daarom tijdelijk uit de bibliotheek gehaald. Op sommige stapels boeken liggen briefjes.
Sanguin draait zich even om naar Archara en glimlacht vriendelijk. "Wij kijken of hier een boek is dat ons meer kunt vertellen over de vreselijke ongevallen die dit stadje heeft getroffen." Dan wendt hij zich naar Sam en fluistert: "Doorzoek de boeken hier, Zwart moet hier tussen zitten, wees voorzichtig en maak niet te veel lawaai. Als je het boek gevonden hebt verstop hem dan ergens onder je kleren en dan zeggen we dat we maar op zoek gaan naar de bibliothecaris." «
---------------------------
---------------------------
---------------------------

---------------------------
---------------------------

» Illisér ligt in coma in de ziekenboeg, sinds Elanor en Primula zijn verdwenen, is zijn situatie niet veranderd.
Sinds de groep van Sanguin is vertrokken, zijn er geen vreemde sterfgevallen meer geweest in Stend. Het lijkt wel alsof ze de vloek met zich meegenomen hebben...
Eleanor is een van de eerste reizigers die weer in Stend worden binnengelaten.
Eleanor loopt door de poorten van Stend, als een van de eerste. De wachters hadden haar weer doorgelaten, sinds de rare sterfgevallen.
Ze kijkt naar de mensen die weer rustig door Stend lopen.
"Waar zou ik heen gaan?" denkt Eleanor hardop, en blijft even staan.
In Stend is het door alle gebeurtenissen nog niet erg druk op straat en in de betrekkelijke stilte is het één ding dat Eleanor duidelijk hoort: het zachte gesnik van een kind.
Waar kwam dat vandaan? Eleanor kijkt om zich heen. Ze kan nergens een kind ontdekken, dus loopt ze maar door.
Dan hoort ze het weer, niet veel harder dan eerst.
Als ze het geluid volgt, komt ze bij de poorten van de burcht terecht.
Het geluid komt/kwam hier vandaan, denkt ze, Waarom zie ik dan niets? Ze wilde door haar nieuwsgierigheid weten wat er was met het kind, dus ging ze door met zoeken.
Het geluid lijkt uit de burcht te komen.
Ze loopt de burcht in. Mag dit wel? vraagt ze zich af, dit is de eerste keer dat ze in Stend komt. Ze kijkt rond. Mooi is het hier.
Voor ze goed en wel binnen is, wordt ze echter door een van de wachters tegengehouden. "Waar gaat dat heen?"
"Ik eh," Eleanor krijgt een rood hoofd. Zou ze kunnen vertellen dat ze gesnik hoorde? Nee, dat is geen goed idee, hij zou haar toch niet geloven. Maar binnenblijven wilde ze wel...
"Ik ga naar, eh," snel, iets verzinnen! "naar mijn oom! Hij is wacht hier, en ik kwam hem ophalen. We zouden samen eh, iets gaan doen!" flapt ze eruit.
De wachter trekt zijn wenkbrauwen op, blijkbaar niet erg onder de indruk van Eleanors verhaal. "En wie is je oom dan wel?"
Oh nee, daar had Eleanor niet aan gedacht. Wie moet ze voordoen als haar oom? Ze kent niemand hier, laat staan een wachter van de burcht.
Ze kon natuurlijk gokken op een naam, en hopen dat er inderdaad iemand was die hier zo heette.
"Peter," zei Moonkiss, "Hij heet Peter."
"Je bent het nichtje van Peter?" Even lijkt de wachter Eleanors verhaal niet te geloven, maar dan stapt hij op zei. "Hij is waarschijnlijk wel in de eetzaal. Hier rechtdoor lopen en dan die deur door, daar naast de keukens."
Stomverbaasd staat Eleanor naast de wachter. Er bestaat een Peter? Nou ja, ze moest eigenlijk helemaal niet naar hém toe, maar naar dat zachte gesnik.
"Oh, ja, ik - bedankt," zegt ze en snel loopt ze naar de gang toe waar de wachter het over had, en hoopte dat het kind zich hier ook ergens bevond.
Het gesnik klinkt iets luider, maar is nog steeds niet te plaatsen. Wel merkt Eleanor dat het druk is in de gangen en dat ze moet opletten om tegen niemand aan te lopen.
Dan weet Eleanor het niet meer, ze houd een van de mensen tegen die in de gang loopt, en vraagt aan heer: "Weet u waar de eetzalen zijn? Ik moet namelijk naar mijn oom Peter, en de wachter zei dat ik heb daar kon vinden."
De aangesproken bediende wijst. "Die deur door."
"Bedankt," antwoord Eleanor beleeft, en opent de deur die de bediende aanwees.
De eetzaal is groot, groter dan Eleanor had verwacht en aan de tafels zitten verscheidene mensen te eten, voornamelijk soldaten.
Nu nog Peter zoeken, denkt ze, maar eigenlijk weet ze zelf ook wel dat dat gekkenwerk is. Ze zou, als nichtje van Peter toch wel moeten weten wie hij was. Als ze nu ging roepen wie Peter was, kwam die wachter het vast te weten, en zou ze gepakt worden.
"Oom Peter?" zegt ze hard, niet al te hard, "Waar zit u?"
Er reageert niemand.
Balen, maar misschien hebben ze haar niet gehoord. Nee, opnieuw roepen heeft geen zin, en trouwens, ze kan nu beter verder gaan met het zoeken naar het huilende kind. Ze spits haar oren weer en hoort niets. In de eetzaal is het waarschijnlijk te rumoerig.
Ze loopt de gang in, een gedeelte waat niemand loopt of lawaai maakt, en begint heel goed te luisteren. Ze wil het kind vinden, hoe dan ook.
Op de gang hoort ze inderdaad het gesnik weer, het lijkt van ergens boven haar te komen.
Hup, naar boven, denkt Eleanor en ze gaat op zoek naar de trappen. Inderdaad vind ze ze even later en klimt ze op de grote treden. Boven blijft ze even staan.
Op de eerste verdieping is het rustiger, maar Eleanor merkt ook dat de mensen die er lopen haar enigszins vreemd aankijken, alsof ze zich afvragen wie ze is, wat ze hier doet.
Het gesnik is opgehouden, wel hoort Eleanor nu duidelijk voetstappen, die niet gelijk lopen met de mensen die op de eerste verdieping zijn. Dat is nog niet het vreemdste, bedenkt Eleanor, eigenlijk zou ze de voetstappen helemaal niet kúnnen horen als ze niet afkomstig waren van de mensen bij haar in de buurt.
Dus, bedenkt ze, moet het van nog een boven komen, of hebben ze dat niet?
Ze loopt naar een van de mensen, en vraagt: "Is er nog een trap naar boven, ik moet namelijk iets zoeken van de burchtheer."
De aangesprokene, een goed geklede man, kijkt Eleanor aan alsof ze een vervelende vlieg is, schudt zijn hoofd ongelovig en loopt weg. Eleanor hoort hem nog net mompelen: "De brutaliteit."
"Wat een sul!" zegt ze zacht, zodat niemand haar kan horen.
Ze loopt verder door de gangen.
Plotseling wordt ze door een dame tegengehouden.
"Wat ga jij doen meisje?"
"Ik zoek iets voor de burchtheer, of hoe u hem ook noemt," zegt Eleanor snel en wil verder lopen. Wat zeuren ze toch allemaal!
"Dan ben je rijkelijk laat." De vrouw pakt Eleanor bij haar arm en houdt haar tegen. "De graaf is drie jaar geleden overleden."
Oeps, dat was niet zo slim om te zeggen! denkt Eleanor. Wist zij veel dat hij dood was!
Ze wordt meegesleurd door de vrouw, ze knijpt hard.
De vrouw zet haar echter alleen maar aan de kant van de gang, tegen de muur en vraagt opnieuw: "Wat doe je hier, meisje?"
Dan besluit Eleanor het maar te zeggen, wat is er mis mee?
"Ik hoorde het gesnik van een kind, en ging erachteraan. Toen kwam ik hier." zegt ze brutaal en kijkt de vrouw recht in haar ogen.
"Het gesnik van een kind?" vraagt de vrouw verbaasd. "Maar er zijn hier helemaal geen kinderen, behalve die van de bedienden dan en die wonen op de begane grond."
"Oow, dat heb ik het fout gehoord, dag!" zegt Eleanor en ze rukt zich los van de vrouw. "Pardon dan!" zegt ze en wil de trap snel weer aflopen.
"Wacht even." De stem van de vrouw houdt haar tegen. "Zo gemakkelijk kom je er niet af." Ze komt achter Eleanor aan. "Vertel me wat je precies hoorde."
Dat vindt Eleanor raar, waarom moet de vrouw dat nu weten? Wat kan haar het gesnik van een kind nou schelen?
"Ik hoorde..." zegt ze extra langzaam, "...een kind, snap je?" zegt ze dan brutaal, omdat ze niet wist wat ze precies hoorde, ze hoorde gewoon gehuil.
"Dat zei je al," antwoordt de vrouwe. "Ik wil weten wat je precíés hoorde."
"Dat weet ik toch ook niet, ik vertel alleen wat ik hoorde, dus kan ik moeilijk zeggen wat ik dan precíés hoorde." zei Eleanor, ze snapte de vrouw niet.
"Klonk het gesnik verdrietig? Angstig?" vraagt de vrouw door.
"Volgens mij allebei, maar ik kan het u niet precies vertellen," maar het kwam van boven, zouden we niet even kunnen kijken?" vraag Eleanor dan.
"Er is hier geen verdieping boven," zegt de vrouw stug.
"O, wat raar dan..." zegt Eleanor bedenkelijk. Ze hipt op haar ene been, naar haar andere. Ze bekijkt de vrouw eens goed. Ze lijkt haar wel aardig, ookal is ze wel verdacht veel geïnteresseerd in het huilende kind...
"Dan heb ik het misschien fout gehoord."
De vrouw knikt langzaam. "Dat zal dan wel, nietwaar?"
"Ja, maar wat gaat u nu met me doen?" vraagt ze dan. Het gesprek was afgopen, en opeens wilde ze snel van haar weg, om weer naar het kind te zoeken.
De vrouw twijfelt even en glimlacht dan kort. "Ik geef je toestemming om door te zoeken. Als iemand je tegenhoudt, zeg dan maar dat de gravin gezegd heeft dat het mag."
Zonder te wachten op een antwoord, draait de vrouw zich om en loopt weg.
Was dat de gravin? Eleanor blijft even verbijsterd staan. Ze kijtk de gravin na, en bedenkt zich opeens dat ze wel heel brutaal was.
Maarja, ze had toestemming om verder te zoeken. Maar ze wist niet meer waar het vandaan kwam...
Ze staat in een gang waaraan enkele kamers liggen, maar alle deuren zijn dicht. Aan het begin van de gang is een trap naar beneden. Het eind van de gang is niet te zien.
Ze liep eerst naar de trap om naar beneden te gaan, maar dacht toen aan het kind. Zou er aan het einde van de gang een trap zijn, of moest ze eerst een van de deuren proberen?
Naar het einde van de gang, en ze begon te lopen.
Naarmate ze verder van de trap geraakt, wordt het stiller in de gang. Zou Eleanor in de privévleugel van het kasteel zijn?
Ze kijkt even om zich een, en loopt dan door, als ze aan het eind van de gang geen trap ziet, dan gaat ze wel een van de deuren porberen.
Aan het einde van de gang is inderdaad geen trap; de gang loopt dood. Wel zijn er aan weerszijden van de gang kamers, maar het lijkt erop dat de deuren op slot zitten.
Daar moest ze dus inkomen, in die kamers. Maarja, het kon maar eenmaal niet, dus probeerde een van de deuren ernaast.
Pas halverwege de gang krijgt Eleanor een van de deuren open. Ze komt in een slaapkamer terecht. Voor het raam zit een oudere vrouw die niet opkijkt als Eleanor de deur opent. "Ja?"
"De-eh" stamelt Eleanor als ze de vrouw ja, hoort zeggen.
"Ikke-eh," oh, wat staat ze hier nou dom te doen, die vrouw zal wel denken!"
De vrouw draait zich iets om. "Wat kom je doen, meisje?"
"Eh, weet ik niet, ik eh, ik ging de verkeerde kamer binnen denk ik," zegt Eleanor zenuwachtig, wat is ze ook een watje.
"Wie zoek je dan?" vraagt de vrouw, niet onvriendelijk.
"Een kind, en ik mag het van de Gravin," zei Eleanor om lange gesprekken te voorkomen. Ze maakt aanstalten om weg te gaan, dit was alleen maar tijd verspilling, zoals ze het kon noemen.
"Een kind en je mag het van de gravin," herhaalt de vrouw. "Wat bijzonder."
"Bijzonder? Wonen er hier geen kinderen soms?" vraagt Eleanor verbaast. Ze vergeet wat ze dacht zonet, en kijkt de vrouw aan.
"Of is er iets anders? De gravin vond het ook al raar."
"Hier wonen inderdaad geen kinderen..." antwoordt de vrouw. "Alleen bij de bedienden zijn een paar kinderen..."
"Ow, naja, ik ga maar weer eens! Dag mevrouw!" zegt Eleanor als ze vebaast de kamer verlaat. Ze vind het raar dat ze toch een kind hoorde maar toch blijft ze verder zoeken.
"Wacht even meisje," roept de vrouw achter haar. "Kom eens terug?"
"He? Wat?" zegt Eleanor als ze de vrouw hoort. Ze kijkt om de hoek van de deur naar de vrouw. "Pardon, maar wat is er?"
"Niet zo snel, vertel eens wat je precies hebt gehoord. En wat de gravin zei."
" 'Ik geef je toestemming om door te zoeken. Als iemand je tegenhoudt, zeg dan maar dat de gravin gezegd heeft dat het mag.' Dat zei de Gravin, en wat ik precies hoorde vroeg de gravin ook al en dat weet ik niet precies!" riep Eleanor boos uit. Ze liep de kamer uit en stapte gang in. De deur sloot ze, niet al te hard want ze wilde ook geen onbeschofte indruk maken.
Iedereen die zo irritant vroeg wat ze hier deed, wat ze hier nou priecies hoorde. Oh! Ze werd er gek van!

Als Miara de gang op loopt ziet ze een vrouw die net de gang op loopt. Zo te zien is ze niet veel jonger dan ik. Ze stapt op haar af om kennis te maken. "Hallo, ik ben Miara. Wie ben jij? Volgens mij heb ik je nog nooit eerder hier gezien."
"Hoi," zegt Eleanor als ze de vrouw ziet. Ze lijkt haar aardig, en geeft daarom snel antwoord op haar vraag.
"Ik ben Eleanor, Aangenaam kennis te maken! Maar, wie bij jij eigelijk nog meer?" vroeg Eleanor, en ze keek Miara aan.
Miara lacht vriendelijk. "Eigenlijk ben ik niet zo veel hoor, ik zwerf een beetje rond en verdien geld door te dansen. Ik ben nu een paar dagen op bezoek bij mijn oudtante, je hebt haar zojuist ontmoet." Ze wijst op de deur waar Eleanor net uit is gekomen. "Wat deed je eigenlijk bij haar? Ken je haar?" Het klinkt niet achterdochtig of beschuldigend, maar gewoon belangstellend.
Eleanor krijgt een kleur, ze was net niet zo aardig tegen de vrouw geweest, en ze had geen zin om haar nog eens onder ogen te komen. Daar schaamde ze zich te veel voor.
"Ik, eh, ik nam de verkeerde deur. Toen kwam ik bij je oudtante, maar ik ken haar niet hoor."
" Heb je hier ook iets interressants te doen, of wou je gewoon weten hoe de burcht er van binnen uitziet?" Ze denkt even na. "Wil je misschien iets eten of drinken?" Voegt ze toe.
Eleanor antwoordt expres niet op de eerste vraag van Miara, en zegt dus snel dat ze wel wat te eten of drinken wil.
Miara loopt weer terug naar de deur waar ze uit kwam. "Ik heb nog wat in mijn kamer staan." Ze duwt de deur open, stapt naar binnen en houd de deur open voor Eleanor.
Eleanor loopt ook de kamer van Miara in en doet de deur zachtjes achter zich dicht.
"Ga zitten." Ze wijst op een paar stoelen bij het raam. Tussen de stoelen staat een tafeltje met een pot thee en een schaal cake. Miara gaat zitten en schenkt thee in twee kopjes. "En je hebt nog geen antwoord gegeven op mijn vraag."
Eleanor gaat zitten en zegt: "Ik zoek eigelijk iemand, ook al weet ik niet hoe die eruit ziet." zegt ze en ze pakt zonder te vragen een plakje cake van de schaal en eet die op.
"Hoe wil je diegene dan vinden?" Vraagt ze verbaasd. Ze pakt ook een stuk cake en kijkt Eleanor geïntreseerd aan.
"Tsja, goede vraag. Ik had gehuil van een baby op straat gehoord. Het kwam van deze kant af, dus toen ben ik het kasteel ingelopen. Het leek steeds van boven te komen, dus eigenlijk ben ik nogsteeds niet op de goede plek," zei Eleanor, en pakte ook een kopje thee, ze had vreselijke dorst.
Miara denkt even na. "Voor zover ik weet zijn er geen baby's boven, maar zeker weet ik dat ook niet." Ze zet haar lege kopje thee neer. "Als je het niet erg vind wil ik wel meehelpen zoeken."
"Erg? Lijkt me juist fijn! Vier ogen zien meer dan twee!" zegt Eleanor bij.
"Maar ik denk eigenlijk ook niet dat de baby hier met toestemming is, snap je. Hij is hier waarschijnlijk in het geheim ofzo. Ik hoorde namelijk echt gehuil van een baby, maar niemand zegt dat hij weet dat er baby's in het kasteel zijn!" zegt Eleanor, en ze kijkt nadenkend rond
"Ik denk dat, als jij het buiten gehoord hebt, ze het hier ook wel gehoord zullen hebben. Misschien weten ze er wel van, maar mogen ze er niks van zeggen?" Miara raakt opgewonden. Geheime dingen zijn altijd leuk om te onderzoeken.
Een harde schreeuw weerklinkt, het lijkt hetzelfde kind te zijn. Eleanor en Miara horen het allebei.
Eleanor springt op.
"Kom, snel! Misschien is er wel iets aan de hand!" roept ze tegen Miara.
Ze wacht niet tot Miara haar hoort, en loopt snel de kamer uit de gang op.
Ze weet opeens niet meer waar de kreet nu vandaan kwam...
Miara staat op en loopt snel achter Eleanor aan. Daar staat ze stil naast Eleanor, en probeert te bedenken waar de kreet vandaan kwam. Miara staat op en loopt snel achter Eleanor aan. Daar staat ze stil naast Eleanor, en probeert te bedenken waar de kreet vandaan kwam.
"Het komt weer van boven... Maar naar iedereen verteld, is er geen verdieping boven... Het dak! Misschien is het kind op het dak!"
Opeens schiet Eleanor het binnen. Er is geen boven verdieping, dus móét het wel op het dak zijn...
"Miara, hoe kom je op het dak?" vraagt Eleanor aan Miara en hoopt vurig dat ze dat weet.
Miara kijkt richting het plafond. "Ik heb geen idee. Maar laten we gaan zoeken naar een trap."
"Tsja, daar heb ik ook al naar gezocht, maar niet gevonden. Maar we kunnen natuurlijk nog wel even verder zoeken!" zegt Eleanor, maar veel overtuiging zit niet in haar stem.
Ze wachtte tot Miara een kant op ging. Zelf wist ze namelijk niet waar ze heen zou moeten...
Miara aarzelt even en slaat dan linksaf de gang in.
Eleanor volgt haar, blij dat ze niet zelf weer ergens geen moet zoeken.
"Oke, en nu?" vraagt Eleanor.
"We kunnen beginnen met achter elke deur te kijken. Misschien is er zelfs wel ergens een geheime deur, of is het een luik in het plafond."
"Dat word een moeilijk opdracht, alle deuren!" ze loopt gelijk naar een deur en opent hem. «