AOLARPG: Stend
Stend is vergelijkbaar met de Zeven Wouden, maar hoewel dat graafschap pas begonnen is met de handel en het opzetten van een markt, is Stend al uitgegroeid tot een volwaardige stad. Stend staat bekend om de prachtige juwelen die er gefabriceerd worden.
-------------------------------------------------------(De
zuidweg; Kyrdath - Stend)
Twee slechtvalken landen op de kerktoren en kijken even over de stad uit. Daarna
stijgen ze al snel weer op om hun reis te vervolgen.
-------------------------------------------------------(De
zuidweg; Stend - 'Lith)
---------------------------(De
zuidweg; Kyrdath - Stend)
---------------------------(De zuidweg; Kyrdath - Stend)
---------------------------(De zuidweg; Kyrdath - Stend)
---------------------------(De zuidweg; Kyrdath - Stend)
» "Zo... We zijn binnen... En nu we binnen
zijn kunnen we denk ik het beste een slaapplaats proberen te vinden... Iemand
een idee?" De woudloper kijkt de plaats waar ze nu staan rond. "Misschien
weet die wachter iets... Hoewel, hij zag er erg, uhm, onenthousiast uit..."
"Nogal," klinkt het peinzend van Elanor. "Maar een herberg moet
niet moeilijk te vinden zijn toch? Als ze onvindbaar zijn, hebben ze ook niet
veel klanten.."
"Zullen we dan maar," Grosock wijst richting het centrum, "die
kant op gaan?"
"Ik vind het best...." En met die woorden lopen de vier reizenden
richting het centrum, zoekend naar een herberg... "Ik heb ooit wel eens
gehoord van een Herberg De Zilv'ren Boom... Dat schijnt een hele goede herberg
te zijn..."
Onder het lopen blijft Sudry met enige regelmaat naar boven kijken. "Ik
hoop dat we die herberg dan snel vinden. Als ik zo naar de lucht kijk voorspelt
dat niet veel goeds."
De herberg waar Illisér over sprak blijkt niet te vinden te zijn, ook
andere herbergen schijnen niet te bestaan. Langzaam valt het de reizigers op
dat het wel érg rustig op straat is; er is geen mens te zien.
Elanor kijkt even om zich heen, en dan naar de lucht. De lucht voorspelt
immers niet al te goed weer. Niet ongewoon dat de mensen niet buiten zijn.
Even voelt ze zich onzeker, maar overtuigt zichzelf er dan van dat de mensen
genoeg redenen hebben om binnen te blijven.
"Iemand die al slaap heeft? Dat komt dan niet goed uit, want ik vermoed
dat daar vannacht niet veel van zal komen... Houd je wapens gereed, misschien
dat er enkele ongenode en onwelkome gasten op dit uur langs zwerven..."
De woudloper pakt zijn boog van zijn schouder en houdt alvast een pijl gereed.
Zijn werpmessen hangen losjes aan de riem. "Kijk goed om je heen en blijf
bij elkaar..." En die wachter? Waarom was hij dan wel wakker? Was het
wel een wachter? Waar is iedereen... Hm, misschien moeten we maar eerst uitkijken
naar de woning des Hertogin...
Elanor legt haar hand op haar dolk, lichtelijk ongerust. Misschien was mijn
veronderstelling toch niet juist, of nemen we gewoon het zekere voor het onzekere.
Misschien gebeurt er wel niets. Er gebeurt vast niets... Ze blijft het
zinnetje in haar hoofd herhalen, maar heeft het idee dat ze zichzelf voor staat
te liegen.
Het blijft doodstil op straat, het waait zelfs niet. Ondanks dit uiterlijk hebben
de reizigers wel het gevoel dat ze bekeken worden.
"Allas, dit doet mij denken aan die keer bij Resila, toen iedereen voelde
dat een enorme storm, waarschijnlijk de grootste sinds heugenis, ervoor zorgde
dat niemand zich buiten waagde..." Grosock kijkt de buurt rond, maar ziet
niemand. "Ela gry ogeus." Zijn rechterhand omklemt Grosock's wandelstok
krachtig. Zijn andere, verborgen, hand omklemt een stevig mes. Een ieder die
naar de rechterhand van de rode man zou kijken, zou bemerken dat er een vinger
mist, ongewoon, zelfs voor een Geros-Yrth... Ela gry ogeus... Iemand kijkt
naar ons... Iemand ziet ons, maar waar? Wie? Waarom?
Wat is dit voor een spookstad. Sudry’s lange zwaard hangt bungelend
op zijn rug. En daar blijft het ook hangen. Het korte zwaard wordt uit de schede
gehaald. In een stad als Stend is dat effectiever. Om in de smalle straten slag
te moeten leveren met een lang zwaard is niet te doen. Sudry die al vanaf de
poort achteraan loopt kijkt diverse malen achterom, het gevoel hebbende dat
ze zo in een valstrik lopen.
Plotseling komt een jonge wachter op de groep afrennen. Hij heeft een zwaard
in handen, maar zijn grip is onzeker.
”Zijn jullie de genodigden van de hertog? Kom snel binnen!”
Hij gebaart naar een wachterswoning bij de stadsmuur.
”Het is gevaarlijk hier 's avonds.”
Elanor kan een zucht van opluchting niet onderdrukken, maar ze stopt haar dolk,
die ze inmiddels uit de schede gehaald had, niet terug.
Wat is hier aan de hand? Ook zijn steekwapen wordt nog niet opgeborgen.
"Eindelijk zien we hier eens een mens," mompelt Sudry. "Waar
is de hertog zelf?" vraagt hij op een nu veel luidere toon aan de wachter.
De greep van de wachter om het zwaard verstevigt.
”In Kyrdath, maar dat zouden jullie moeten weten!”
Hij bekijkt de vier nu enigszins wantrouwend.
"Weten we ook... Alleen Sudry en Grosock hier hebben zich pas later bij
ons aangesloten... En ik had hen niet verteld dat de Hertog in Kyrdath was,
Elanor wist dat echter wel... Mijn naam is Illisér, zoals u misschien
weet, ben ik opgeroepen, ik heb enkele betrouwbare wezens gevraagd mij te helpen.
Samen sta je sterker..." antwoord de woudloper, zich afvragend wat hij
nog meer niet verteld had aan de twee nieuwelingen...
De wachter knikt.
”Mogelijk. Kunt u zichzelf identificeren?”
"Essinya ná Illisér." zegt de woudloper. De man
verstaat vast geen Elfin... Misschien als ik de zak laat zien die de man in
Kyrdath mij gegeven heeft? Illisér pakt het zakje met goudstukken
en toont het de man voor hem. "Misschien dat dit mij identificeren kan?"
De man bekijkt de buidel even en knikt.
”Dat ziet er goed uit, maar de hertogin zal verder beslissen. Zij kan
jullie morgen ontvangen.
Kom verder.”
Hij gebaart naar de wachterswoning.
Binnen gekomen zien de reizigers enkele simpele beddenrollen op de grond liggen
en in de hoek van de kamer staat een houten tafel met een brood en een kan water.
”Ik kom jullie morgen halen,” zegt de wachter en hij laat de reizigers
alleen in het huis.
"Ik heb wel eens aardigere mensen ontmoet..." mompelt Grosock. Hij
loopt naar de houten tafel en bekijkt het brood en water... "Ze hebben
schijnbaar gerekend op een enkele gast... Iemand anders nog wat te eten bij?"
Waarna hij enkele eetbaarheden uit zijn zak haalt en op de tafel legt.
"Niets buiten het standaard..." antwoord de woudloper, die ook wat
voedsel op de tafel legt. "Normaal jaag ik wel een konijntje ofzo... En
dan maar roosteren."
Zonder nog een woord te zeggen gaat Sudry op een beddenrol liggen. Hij trekt
de mantel over zich heen en valt meteen in een lichte slaap.
Vroeg in de ochtend
klopt de wachter op de deur en wekt de aanwezigen.
”Zijn jullie zover? De hertogin verwacht jullie voor het ontbijt.”
Hij geeft de vier avonturiers even de tijd om wakker te worden en zich op te
frissen, alvorens ze door Stend richting een oude, vervaarlijk uitziende burcht,
te leiden.
De stad is nu niet meer verlaten, maar echt druk is het ook niet op straat.
Hier en daar lopen wat arbeiders en kooplui, maar de meeste luiken en deuren
zijn gesloten. Het is onduidelijk of de huizen verlaten zijn of dat de bewoners
nog slapen.
Als iemand het aan de wachter zou willen vragen, geeft deze geen antwoord. Hij
leidt hen enkel zwijgend de burcht binnen en wijst ze de eetzaal, waar een jonge
vrouw achter een voedzaam ontbijt zit.
”Kom verder.”
Haar stem is kalm en verraadt niets van haar gevoelens en gedachten.
Wanneer de vier in de ruimte staan maakt Illisér een buiging. "U
heeft ons laten roepen vrouwe?"
”Niet ik, mijn man,” reageert de hertogin.
”Ga zitten en eet wat, dan kunnen we daarna bespreken wat er moet gebeuren.
Mijn ervaring leert dat veel mensen slecht denken op een lege maag.”
"Een uitstekend idee, vrouwe. Dat het u moge smaken evenveel als het mij
smaken zal..." glimlacht Grosock.
Ook Elanor knikt dankbaar en pakt een appel van tafel.
Sudry volgt het voorbeeld en pakt een stuk brood van de tafel daarbij ook een
dankwoordje uitsprekend.
De hertogin eet snel en heeft binnen de kortste keren haar bord leeg. Ze klapt
in haar handen en bedienden komen om de tafel af te ruimen, daarbij niet lettend
op de gasten die misschien nog aan het eten zijn.
”Zo.”
De hertogin neemt de reizigers eens op.
”Dus jullie zijn door mijn man gestuurd om de roversbende hier aan te
pakken?”
Voor het eerst klinkt er een zweem van humor door in haar stem.
"Het schijnt zo te zijn, vrouwe... Mag ik u vragen wat daar zo grappig
aan is?" antwoordt Illisér.
”Och, jullie zijn nu niet direct angstaanjagend,” antwoordt de hertogin.
”Maar misschien verandert dat als ik wat meer over jullie weet.”
De laatste opmerking is duidelijk een vraag naar de achtergrond van het viertal.
"Schijn kan bedriegen, vrouwe," is alles wat Sudry daar op te zeggen
heeft. Verder laat hij het aan Illisér over, die zo'n beetje de leider
van het viertal is.
Elanor laat haar ogen even door het vertrek glijden, maar zegt niets.
De woudloper knikt en begint te vertellen. "Mijn naam is Illisér,
ik ben opgegroeid temidden van een Elfenstam, opgevoed door een tovenaar. Ik
kom uit een land uit het Noorden, ver hiervandaan... Ik ben een van het ras
der Mensen, zoals u kunt zien, bekwaam met de boog en met messen. Ik was een
van de lieden die hielp bij het teneer brengen van de Zwarte Magier Kolan.
Een van de andere leden van die groep was Elanor," de woudloper knikt naar
de enige vrouw van het viertal, "zij was werkzaam op het Kasteel van de
Zeven Wouden in die tijd. Maar ik denk dat het niet aan mij behoeft te zijn
meer over haar te vertellen, dat kan zij beter zelf... Hier naast mij zit Sudry,
een paladin komend uit een buurland. De rode man die daar zit is Grosock, een
Geros-Yrth naar hij zegt... Maar ik denk dat zij zichzelf beter voor kunnen
stellen. Ik kan u enkel nog vertellen dat wij, allevier, met goede bedoelingen
komen, enkel om u te helpen..."
De hertogin knikt zwijgend. Ze lijkt Illisérs bedoelingen te geloven,
maar ook nog te wachten op de verhalen van de anderen.
Elanor kijkt even ongemakkelijk om zich heen bij de vallende stilte en besluit
dan toch maar het woord te nemen om er vanaf te zijn.
"Ik was inderdaad werkzaam op het kasteel als… kamermeisje,"
nu ze het uitspreekt, valt haar pas op hoe 'idioot' dat eigenlijk klinkt, "verder
valt er niet zoveel te vertellen. Ik kom uit een gewoon gezin van het platteland,
dus ik zal wel in het niet vallen bij de heren naast me…"
“Ik heb ooit gediend in het leger van mijn vaderland. Helaas kan ik niet
meer terugkeren. Ik denk dat u genoeg weet als ik zeg dat ik een goede krijger
was.” Sudry’s ogen dwalen af naar Elanor. “Ook denk ik dat
wij als team onze taak zullen volbrengen.”
”Jullie klinken in ieder geval overtuigend,” beaamt de hertogin.
Dan kijkt ze vragend naar de tot dan toe zwijgende Grosock.
"Mijn naam is Grosock, zoals u weet. Ik ben een Geros-Yrthì, een
sjamaan in de normale taal, maar ik ben inmiddels gepensioneerd."
De hertogin denkt even na.
”Het zou kunnen dat jullie precies de mensen zijn voor deze onderneming.
Wat heeft mijn man jullie precies vertelt over de opdracht?”
"Uw man? Niets... Het was een boodschapper van de Hertog die ons vertelde
dat al verscheidene maanden Stend wordt geplaagd door een roversbende. Hij vermoedde
dat ze in de buurt hun kamp hadden opgeslagen..." Even aarzelt de woudloper,
dan besluit hij: "Hij heeft mijn hulp gevraagd in deze hachelijke kwestie,
ik heb mij toen de vrijheid verleend om ook Elanor, Sudry en Grosock mee te
nemen."
Al die vragen. Waar leidt dit naartoe? Waarom vertelt de hertogin niet gewoon
hoe de zaken ervoor staan? Sudry begint een beetje onrustig te worden maar
zijn gezicht houdt hij strak in een plooi, wachtend op wat er komen gaat.
”En gisteravond, toen u aankwam. Is u iets bijzonders opgevallen bij de
reis hier naar toe?” De hertogin is geenzins uit het veld geslagen door
de onrust van de reizigers.
"Het was nogal rustig hier in Stend. En u schijnt te weten hoe dat komt,
wilt u dat ook vertellen?"
”Die rust heeft ondermeer te maken met de aanvallen,” beantwoordt
de hertogin.
”Maar is u iets bijzonders opgevallen?”
"Niet veel, behalve dat het verdacht stil is... Alleen maar dat het weer
vrijwel hetzelfde was, met een donkere teint, dat we constant het gevoel hadden
bekeken te worden en dat die wachter die ons naar onze slaapplaatsen bracht
niet alleen erg angstig en onzeker was, maar ook erg jong... Maar behalve dat
de angst over deze stad schijnt te heersen, niet echt veel eigenlijk..."
antwoordt Illisér, na enige tijd te hebben nagedacht over zijn eventuele
antwoord. "Zou ons iets anders opgevallen moeten zijn dan, misschien dat..."
In gedachten maakt de woudloper de zin af dat de vrouw hier voor me bij
die roversbende hoort en dat we nu alle vier in de val zijn gelopen? Ach vast
niet...
Na dat Illisér uitgesproken is kijkt Sudry hem aan. De blik in de ogen
van de woudloper bevalt Sudry niet. Hij verplaatst zich iets zodat hij de ingang
in de gaten kan houden.
De hertogin zucht, lijkt plots jaren ouder.
”Helaas, de boodschapper heeft niet geheel de waarheid gesproken.
Stend is inderdaad een tijdlang bedreigt door een roversbende, maar deze is
al maanden geleden verslagen. En sindsdien is eigenlijk alles fout gegaan.
Het zijn kleine dingen, niet noemenswaardig, maar bij elkaar opgeteld...
Vogels die 's avonds burgers aanvallen die zich nog op straat bevinden. Het
droogvallen van de stadsput. Massale sterfte van de katten in de stad. Het verzuren
van versgebakken brood, zelfs binnen de dag...”
De stem van de hertogin valt even weg, alsof ze is afgeleid.
”De nieuwste plaag, de ergste tot nu toe is dat we de poorten niet uitkunnen.
Reizigers komen Stend wel in, maar áls ze de poorten al open krijgen
om weg te gaan, dan verongelukken ze nog voordat ze een mijl weg zijn.”
Even staat Sudry verbijsterd te kijken. Dan herpakt hij zichzelf en begint te
spreken. “Dat is heel iets anders dan een roversbende. Nu ga ik even voor
mijzelf spreken. Nu ik hier toch ben zou ik graag op onderzoek uitgaan. Als
ik de stadspoort toch niet uit kan is dat het enige wat ik kan gaan doen. Aanvaardt
u mijn hulp, en die van mijn metgezellen als die ook willen?"
Ik vermoed dat de Hertog en zijn gevolg op tijd waren om te vertrekken,
nog voor de laatste vloek... Maar dat zou kunnen betekenen dat iemand op ons
let, dat er iemand van hieruit kijkt wat er gebeurt... En dat die persoon ook
de Hertog wou laten vertrekken. En ons binnen wou laten komen. Maar we kunnen
dus niet vertrekken. Hmmm. Dan zullen we moeten proberen het raadsel vanaf hier
op te lossen... Maar waarom loog die boodschapper? Hij vertelde ons slechts
dat ik te maken zou hebben met een bende rovers, terwijl die al maanden geleden
verslagen is... Vreemd, over zoiets lieg je als goed mens, of wezen eigenlijk,
niet...
Na enig nadenken richt Illisér zich tot Sudry: "Sudry, zoals je
al zei, we zitten hier opgesloten totdat deze vervloeking is opgeheven, dus
of de hertogin het wilt of niet, we gaan proberen dit mysterie op te lossen.
En daarnaast, de hertog heeft onze hulp gevraagd, zelfs al verzweeg zijn boodschapper
een enkel dingetje. Dus of we nou willen of niet, wij moeten iets doen."
Even kijkt de woudloper Sudry aan, dan staat hij op. "Ik verdoe mijn tijd
niet graag, heeft u zelf al enige aanwijzing gevonden die hiermee te maken zou
kunnen hebben?"
De hertogin glimlacht dankbaar.
”Eén aanwijzing is er gevonden, maar of u daar iets aan zult hebben...
Op de bodem van de put heeft een van de wachten dit gevonden.”
Ze haalt een leren ketting tevoorschijn. Aan de ketting hangt een glanzende,
zwarte schub.
"Op de bodem van de put?" antwoord Grosock voordat de leider van de
vier kan antwoorden. "Vreemde plaats om een leren ketting te verliezen..."
De kleine man staat op, hoewel dat in lengte niet zoveel opvalt, en loopt naar
de Hertogin. "Zou ik hem eens van naderbij mogen bestuderen vrouwe?"
Waarna de oude zijn hand ophoudt.
”Gaat uw gang.”
De hertogin geeft de ketting aan Grosock.
De schub, als dat het is, is leerachtig en diepzwart. De randen zijn zo scherp
dat Grosock zijn vingers snijdt als hij ze bevoelt.
Hmm, interessant... denkt Grosock "Dit... 'ding' doet me denken
aan de schub van een Torsûlg, een wezen waarover ik gelezen heb als leerling...
Ach, die goede oude tijd... Ik weet nog goe..." De woudloper laat Grosock
zijn zin niet afmaken. "Wat het ook is, het zou de sleutel tot het geheim
kunnen zijn... Vrouwe, zou ons de weg naar die put willen wijzen? Misschien
dat wij geluk hebben en nog iets vinden."
De hertogin aarzelt en kijkt Grosock niet-begrijpend aan.
”Wat is een Torsûlg?”
"Een Torsûlg, vrouwe, is een witgeschubt, vierpotig wezen van ongeveer
twee meter lengte, zes als je de staart ook meetelt. Dit wezen is zeer giftig,
althans zijn tanden, maar ook heel sterk, als de schubben wit zijn, wat kan
gebeuren als ze van het wezen worden afgehaald als het nog leeft, zijn ze sterker
dan het sterkste metaal. Als je het wezen dood en daarna een schub verwijderd,
wordt die schub diepzwart... Het verliest dan enige kracht, helaas...
Gelukkig voor ons komt dit uiterst gevaarlijke wezen slechts zeer zelden voor
en kan alleen worden gevangen door zeer sterke magie, door pure liefde of bij
gebrek aan een koppel zoals deze twee hier, door een hart van goud... Doorgaans
is een pijl, zwaard- of messteek tussen de schubben in de nek voldoende om dit
wezen te doden.
We mogen allen zeer blij zijn dat dit gevaarlijke wezen vrij weinig voorkomt,
ze maken elkaar nogal snel van kant, de rivaliteit tussen de wezens onderling
is vrij groot, of het nou mannetjes of vrouwtjes zijn. Maar goed, het zou wel
pure toeval, en zwaar ongelukkig, zijn als er hier meerdere van dit soort rondlopen
die elkaar van kant aan het maken zijn." Even is het rode mannetje stil,
onderwijl intensief starend naar het voorwerp in zijn hand, dan mompelt hij:
"We mogen zeer gelukkig zijn als het niet zo'n wezen is, zelfs het geld
dat ik zou kunnen krijgen voor alle witte schubben van een zo'n is het niet
waard om het te moeten confronteren..."
”Ik stel voor om ons naar de waterput te begeven, onderweg kunnen we het
nog hebben over Torsûlgi,” stelt Sudry voor. “Is iemand het
hier niet mee eens?”
De hertogin knikt zwijgend, ze lijkt onder de indruk van het verhaal van Grosock.
Ze gaat de vier reizigers voor naar de stad, waar het nog steeds rustig is.
De stad is vrij rechtlijnig aangelegd en de put ligt centraal, in de buurt van
het marktplein.
Er spelen wat straatkinderen, maar zij schieten weg als ze de groep zien aankomen.
Bij de put blijven de hertogin en de twee wachten die haar zijn gevolgd staan.
”Hier is het,” gebaart ze.
Sudry loopt een rondje om de waterput heen, zoekend naar aanwijzingen. Ook kijkt
hij in de put. De put is inderdaad opgedroogd, maar aanwijzingen zijn er niet
te vinden.
Sudry die absoluut geen gevoel heeft voor magische krachten vraagt aan zijn
drie metgezellen: “Voelt iemand van jullie of hier een magische kracht
aan het werk is.” Na dit gevraagd te hebben gaat hij weer bij de groep
staan, op antwoord wachtend.
Elanor schudt haar hoofd. "Niet dat ik weet." Daarna kijkt ze over
de rand naar beneden, maar ze kan de bodem niet eens zien.
”Magie?” De hertogin kijkt lichtelijk geïnteresseerd. “Zou
dat een mogelijkheid zijn?”
De bodem van de put is inderdaad in het duister gehuld, maar de muren zijn wel
grotendeels zichtbaar. Ze zijn iets groen uitgeslagen, maar verder is er niets
bijzonders te zien.
---------------------------
Primula komt nieuwsgierig bij de put staan en stelt zich voor als de meestergoudsmid
van Stend. Ze heeft geen idee wat er speelt, maar ze wil graag helpen.
De hertogin kijkt naar de smid.
”Mijn beste, als inwoner van de stad kijk je vast anders aan tegen dit
alles dan ik. Wat denk jij van alles wat er is gebeurd?”
Primula kijkt de hertogin aan. Ze denkt dat er magie in het spel is want een
put kan niet opeens op drogen, maar weet niet echt wat ze niet precies wat ze
moet zeggen. Daarom haalt ze enkel haar schouders op en wacht af wat er gebeurt.
De hertogin ziet de schuchterheid van de smid en glimlacht begripvol. Ooit,
in een ver verleden is zij ook een gewone burger geweest.
”Maak je geen zorgen, zeg maar gewoon wat je denkt.”
Primula kijkt de hertogin aan en antwoordt wat ze als eerste dacht: “Ik
denk dat er magie is, maar ik weet niet wat voor magie er in de put zit.”
Eigenlijk vindt ze het een beetje eng en ze geeft eerlijk toe dat ze het maar
eng vindt.
De hertogin knikt en kijkt naar de vier reizigers.
”Jullie zijn de experts, wat raden jullie aan?”
Elanor doet haar mond even open, en sluit deze dan weer. Experts?
"Letten op andere verschillen misschien?" probeert ze dan.
"Als er hier werkelijk magie in het spel is, wat vrijwel zeker is, lijkt
me, dan zou een magier of wat best wel handig zijn... Helaas heb ik die niet
op zak, dus zullen we iets anders moeten verzinnen om dit op te lossen."
antwoordt Illisér, het woord experts links laten liggend. "Ik vind
dat om tot een oplossing te komen, we eerst moeten weten wat het probleem is
en waar we tegenover staan."
Grosock kijkt de Hertogin aan: "Misschien weet u iets over vreemde voorvallen
die in het verleden in Stend zijn geweest? Voorvallen die hier op lijken? Een
mythe, legende of verhaal misschien?" Grosock kijkt de omgeving rond, zoekend,
maar niet wetend wat hij zoekt. "Misschien heeft u ook een bibliotheek?
Een plaats waar wij kunnen zoeken naar een oplossing?"
”Er is een bescheiden bibliotheek in het kasteel, maar ik weet vrij zeker
dat u daar weinig zult vinden. De bibliotheek herbergt voornamelijk militaire
en strategische werken. Er zijn ook wat romans en toneelstukken, maar...”
De hertogin wordt onderbroken door rumoer vanaf de markt. Mensen schreeuwen
door elkaar en een vrouw gilt.
Als iedereen naar de markt rent, zien ze daar dat mensen een grote kring hebben
gevormd. In het midden van de kring zit een snikkende vrouw op de grond, bij
de liggende gestalte van een man. Hij is overduidelijk dood; zijn lichaam is
bedekt met zwarte bulten en uit zijn oor loopt een dun straaltje bloed.
Wat krijgen we nou? Vlug snelt Sudry toe en knielt naast de dode man
neer. Hij heeft niet lang nodig om vast te stellen dat de man inderdaad niet
meer leeft. Heel fijn. Nu nog voorkomen dat er paniek uitbreekt. Hij
gaat staan en begint de menigte toe te spreken. “Beste burgers van Stend.
Ik heb vele mensen zien sterven. Daarom weet ik dat deze man niet door toverkracht
is omgekomen. Maar door een niet-besmettelijke ziekte. Keert u rustig terug
naar uw huizen. Er is niks ernstigs gebeurd.” Het is niet fijn om
te liegen, want deze man is wel door toverkracht omgebracht maar paniek kunnen
we niet gebruiken.
De vrouw die bij het lichaam zit, kijkt op. Haar ogen staan wanhopig van verdriet.
Dan valt plotseling op dat ook zijn een zwarte bult heeft en vanuit de menigte
komt een stem: “Niet besmettelijk, hè? Wat is dat dan?”
Enkele kinderen beginnen te huilen en de mensen lopen angstig door elkaar. De
hertogin staat als aan de grond genageld.
Illisér kijkt naar de zwarte builen die de man bedekken. Nee! De
Doog! Dit kan toch niet waar zijn? Een van de meest besmettelijke ziekten ooit...
Vele landen zijn uitgedund door deze ziekte.... Gelukkig is de stad hermetisch
afgesloten. Illisér schraapt zijn keel en roept luid naar de menigte:
"Mensen! Blijft u alstublieft kalm! We hebben niets aan massale paniek,
daar redden we niemand mee! Gaat u allen alstublieft naar huis en wast u zich
grondig. Onmiddelijk." Hij draait zich vervolgens om naar de Hertogin en
zegt: "Zou u onmiddelijk willen laten omroepen dat iedereen binnenshuis
moet blijven en zich grondig en geheel moet wassen om besmetting te voorkomen?"
Hij wacht niet op antwoord, maar gaat meteen door: "En zou u misschien
ook een speciale groep ten leven kunnen roepen die de lichamen van de doden
kunnen verzamelen en begraven?" Of moest je de lichamen nou verbranden?
"Laat alle besmetten naar een ruimte brengen. Zorg ervoor dat ze niet meer
mensen kunnen besmetten."
Dan keert de woudloper zich naar Grosock: "Ben je bekend met deze ziekte?
De Doog?"
"Ik heb er wel eens over gehoord," antwoord Grosock. "Maar veel
weet ik er niet van."
De hertogin knikt eenmaal naar Illisér en loopt dan met grote passen
weg, de vijf op het marktplein achterlatend.
Illisér staart nadenkend de hertogin na, als ze verdwenen is, draait
de woudloper zich naar de anderen en zegt: "Hmm... Ik denk dat deze dode
man zijn ziekte en het mysterie dat hier heerst veel met elkaar te maken hebben.
Heeft iemand een idee over hoe we dit probleem op kunnen lossen? We kunnen moeilijk
hier wekenlang blijven staan terwijl er om ons heen doden vallen..."
Geen paniek veroorzaken. Rust proberen te verkrijgen. Proberen het probleem
te vinden, waarna een oplossing gezocht kan worden. De woorden die eens
door een wijze magier zijn uitgesproken zwerven door de gedachten van Illisér.
Prachtige gedachten, maar hoe zouden wij dit probleem kunnen vinden? Als
het echt om magie gaat staan we vrijwel machteloos... Maar het minste wat we
kunnen doen is proberen een oplossing vinden. Zeker gezien hier doden vallen.
Geen vredelievend en nadenkend wezen zou anderen aan hun lot overlaten. Misschien
dat deze Grosock als sjamaan nog verborgen krachten heeft.
Illisér kijkt de groep rond, een gevoel van angst besluipt hem, rillingen
trekken over zijn rug. Deze wezens... Mensen... Zijn blik reikt verder,
starend naar de bewoners van Stend die zich terugtrekken, zijn raad opvolgend.
Heb ik wel een goede keuze gemaakt? Is deze ziekte wel de Doog? Kunnen deze
onschuldige lieden wel redden?
De dood overvalt ze, verblind ze. Radeloos schijnen ze me toe, niet wetend waartoe
deze magie verder nog in staat zal zijn... Dit kwaad... Dit gevoel dat me blijft
achtervolgen. Als ogen die me continu nastaren. Het bekruipt me al sinds ons
groepje hier is gekomen... En wie... wie heeft hier ooit over mij verteld? Bij
het Kasteel van de Zeven Wouden was ik onbekend, erna heb ik mijn naam nimmer
laten vallen, behalve bij de reisgenoten en de graaf... Zou hij misschien...
Maar waarom heeft Graaf Jaric dan alleen over mij verteld? En niet over Rodan,
of over Floortje... Zij hebben zeker niet minder gedaan dan ik. Hoe zou het
eigenlijk met ze gaan? Zou Céline inmiddels al getrouwd zijn? Is Taen
nog steeds bij haar, of leidde haar pad ergens anders naartoe? Is Nerin alweer
terug op het kasteel, of heeft hij een andere weg gevonden? Wat is er gebeurd
met al die leden van onze groep... Wie zijn er nog bij elkaar, behalve Elanor
en ik?
De woudloper staart nadenkend naar de lucht, alsof hij daar de antwoorden op
zijn vragen vinden zal. Waar is toch de tijd gebleven... Waar zijn Tristai
en Fryasi? Zijn ze weer terug of dwalen ze nog rond? Wat zouden zij doen in
mijn plaats? Even blijft Illisér nog in de verte staren. Waarna
hij zich weer naar de problemen van nu keert.
Hij kijkt de smidse aan: "U bent een bewoner van Stend, weet u misschien
waarmee de problemen begonnen..." Even kijkt de woudloper Primula aan.
"Trouwens, mijn naam is Illisér en dit zijn Sudry, Grosock en Elanor.
Uw naam is...?"
Een van de omstanders maakt zich los uit de groep en rent naar de vijf toe.
Zij, een jonge vrouw, lijkt wanhopig en doodsbang.
”Dit is toch geen tijd om kennis te maken?” schreeuwt ze. Haar stem
slaat over. “We gaan allemaal dood! Doe daar liever iets aan!”
Zo gauw ze uitgesproken is, beginnen ook anderen te schreeuwen en nog meer kinderen
beginnen te huilen.
Enkele mensen rennen weg van het plein, maar de meerderheid blijft staan, alsof
ze verwachten dat de reizigers antwoorden voor hen hebben.
Mensen... natuurlijk... Een massa in paniek, dat onbrak er nog aan... Wat
willen ze dat we doen? Een volslagen dubiel en ongetwijfeld nep magisch dansje?
Illisér maakt zich lang en gaat op de rand van de put staan. Hij kijkt
de menigte rond en roept uit: "Wat er ook gebeurd, er is geen tijd noch
goed gegronde reden voor paniek." En dood gaan we toch allemaal, ooit...
"Wat u het beste kunt doen is naar huis gaan, uwzelf grondig wassen en
daar blijven om besmetting en verspreiding te voorkomen." Geluk bij
een ongeluk dat niemand de stad uit kan... Nu blijft de schade beperkt tot Stend,
helaas voor hen, maar goed voor het land.
Na enig aarzelen besluit de woudloper: "Iemand vragen?"
Enkele mensen druipen af, van zins te doen wat de woudloper zegt. Dan bast een
man: “Waarom zouden we thuis gaan wachten tot we sterven? We moeten de
stad uit!”
Dit idee wordt met enige instemming ontvangen, doch niemand maakt echt aanstalten
te vertrekken.
Elanor zwijgt nog steeds. Wie zegt dat ze sowieso dood zullen gaan? Misschien
is dit geen besmettelijke ziekte.. Als het een magische ziekte is kan het toch
gewoon zo zijn dat er een bepaald aantal mensen besmet zijn? Misschien om het
besmettelijk te laten lijken? Een soort afleiding? Ze vindt het zelf erg
vergezocht, dus ze spreekt haar vermoedens maar niet uit.
"Kom op mensen. Dit is niet het moment om op te geven. Iedereen zal ooit
sterven. Maar het moment ligt aan vele factoren. Ook aan de vechtlust die je
toont."
Dan houdt Sudry een korte pauze. Intussen kijkt hij zoveel mogelijk mensen aan.
"Gaat u alstublieft naar huis. Neem de raad aan van deze woudloper"
doelend op Illisér. "Blijf alstublieft kalm, wij gaan meteen kijken
wat hier aan te doen is."
Steeds meer mensen volgen, zij het mopperend en angstig, deze raad op. Niet
veel later is het plein dan ook een stuk leger, op de slachtoffers en enkele
eigenwijzen, na.
De woudloper grinnikt in gedachten. De eigenwijzen... Eens zien of ze ook
onmenselijk zijn... "Als jullie," Illisér kijkt en wijst
naar de eigenwijzen die nog op het plein zijn gebleven, "er nou eens voor
zorgden dat de laatste eer werd bewezen aan de slachtoffers van deze ramp. Zorg
ervoor dat ze volgens de wetten en geloven waarmee jullie zijn opgegroeid en
leven worden geëerd."
Dan keert de woudloper zich weer naar de rest van het groepje reizigers. "Zo...
En wat doen we nu? Iemand een idee? Al is het nog zo slecht, het zou kunnen
helpen om dit probleem op te lossen."
De overgebleven burgers volgens Illisérs opdracht zonder tegenspraak
op.
Elanor denkt even na. "Misschien moeten we eerst zeker weten of die ziekte
wel besmettelijk is, misschien is het maar schijn.."
"Dat is een goede vraag om mee te beginnen. Ik zou graag willen weten of
er soortgelijke dingen spelen in andere steden. Helaas kunnen wij niet met andere
steden communiceren. Dus we zullen moeten roeien met de riemen die we hebben.
Misschien kunnen één of twee van ons toch even een kijkje gaan
nemen in de bibliotheek. En dan vooral in de speciale boeken. In krijgsstrategie
zijn we niet geïnteresseerd. De rest kan dan de stadsmuren gaan bekijken.
Er moeten toch ergens aanwijzingen zijn."
Grosock kijkt de anderen aan en zegt: "Ik ga wel naar de bibliotheek hier...
Misschien zou Primula mij kunnen vergezellen? Ik heb namelijk geen idee waar
de bibliotheek hier is, noch weet ik hoe hoog de boekenplanken zijn."
"Prima" knikt Sudry Grosock toe. "Laten wij drieën de stadsmuren
eens gaan inspecteren." Terwijl hij dat zegt kijkt hij Illisér en
Elanor aan.
Elanor knikt. "Goed."
Ook Illisér stemt in: "Ik vind het best..."
Primula knikt
naar Grosock en gaat met hem op weg naar de bibiotheek.
Wanneer Grosock en Primula bij de bibliotheek zijn, lopen ze meteen verder.
"We zoeken dus naar de geschiedenis van Stend. Of er al eerder iets zoals
dit is voorgekomen. Probeer ook de magieboeken eens, hopelijk staat er iets
in over recente gebeurtenissen. Dan zoek ik naar boeken over wezens die deze
schub zouden kunnen bezitten en naar boeken over de ziekte die op dit moment
Stend teistert."
Primula kijkt onder de indruk naar de vele boeken die daar staan en slaat er
vervolgens op goed geluk maar een open.
Het enige dat Grosock en Primula vinden dat op dit moment van belang kan zijn
is een korte verwijzing over de Doog:
"De Doog is een ziekte die zich op verschillende manieren in de geschiedenis
van Torsan heeft gemanifesteerd. Er zijn echter altijd twee overeenkomsten:
de ziekte is besmettelijk en in 99 van de 100 gevallen dodelijk. Mensen die
de ziekte wél overleven zijn daarna immuun. Men vermoedt dat de oorzaak
van de Doog magisch is, maar daar is geen zekerheid over."
Elanor, Illisér
en Sudry arriveren al snel bij de stadsmuren.
Elanor kijkt onderzoekend naar de muur. Daarna legt ze aarzelend haar hand erop,
vingertoppen eerst, om te voelen of het anders voelt dan een gewone muur.
De muur voelt niet anders aan. De steen is koud en enigszins korrelig, maar
dat is alles.
Elanor trekt haar hand weer weg en kijkt om naar de rest. Even wil ze tegen
de muur aanleunen, maar bedenkt zich toch maar. Als er iets is dat ze geleerd
heeft, is dat je zo"n beetje altijd voorbereid moet zijn.
Als deze in gesprek blijken te zijn richt ze zich weer op de muur. Voorzichtig
legt ze haar oor er tegenaan, niet veel verwachtend, maar ze zou niets anders
weten wat ze zou moeten doen aangezien de rest andere dingen aan het hoofd blijkt
te hebben..
Een wachter loopt over de muur naar Elanor.
"Ik denk niet dat je van hem het doel van het leven te horen zult krijgen,"
grapt hij.
Ze verschiet even van kleur omdat ze hem niet aan had horen komen, maar glimlacht
dan even zwak terug.
"Waar ben je naar op zoek?" vraagt de soldaat.
"We zijn hier met een gezelschap", antwoordt ze, blij dat de soldaat
het tegenovergestelde schijnt de zijn van haar beeld van soldaten in het algemeen,
"er werd ons gevraagd een bende rovers uit de weg te ruimen, maar nu staat
we te onderzoeken waarom mensen die vertrekken uit Stend schijnen te verongelukken."
Even houdt ze stil, niet bepaald wetend of ze nog iets toe zou moeten voegen.
"Heeft u misschien enig idee?" vraagt ze dan uiteindelijk.
"Geen flauw idee," grijnst de soldaat. "Ik weet alleen dat ik
veilig binnen de muren blijf."
Elanor kan het niet nalaten te grinniken. "Klinkt niet slecht." Voorlopig
althans…
"Als je hulp nodig hebt, vraag maar." De soldaat lacht nog een keer
naar Elanor en gaat dan verder met zijn wacht.
Ze knikt hem vriendelijk toe en richt haar aandacht dan wederom op de twee mensen
naast haar.
Ondanks hun pogingen
lukt het de avonturiers niet iets vreemds te ontdekken bij de muur, noch in
de bibliotheek. Als het tijd is voor het diner worden ze op het kasteel uitgenodigd,
waar de stemming bedrukt is. De hertogin zegt maar weinig.
Elanor kijkt wat starend voor zich uit terwijl ze eet. Ze voelt zich al niet
op haar plaats, niet gewend zijnde aan grote diners, maar nu de stemming ook
al niet op haar best is, weet ze zich geen houding te geven en vervalt in dagdromen.
Plots vraagt de hertogin zacht: "Wat was het precies dat jullie in de bibliotheek
over de Doog vonden?"
Grosock reciteert het stukje tekst voor haar:
"De Doog is een ziekte die zich op verschillende manieren in de geschiedenis
van Torsan heeft gemanifesteerd. Er zijn echter altijd twee overeenkomsten:
de ziekte is besmettelijk en in 99 van de 100 gevallen dodelijk. Mensen die
de ziekte wél overleven zijn daarna immuun. Men vermoedt dat de oorzaak
van de Doog magisch is, maar daar is geen zekerheid over."
De hertogin is bleek geworden en mompelt: "Mijn arme stad!"
Elanor heeft medelijden met de hertogin, maar weet verder ook niet goed wat
ze zou moeten zeggen. Haar eetlust is haar compleet vergaan.
Ook de hertogin schuift haar bord weg.
"Ik heb voldoende gehad."
Ze kijkt even schuchter opzij. Is het de bedoeling dat ze opstaan? Waar wordt
er overnacht? En wat kunnen ze hier nog meer doen? Maar ze durft het niet te
vragen en besluit de rest maar te volgen.
De hertogin glimlacht zwak naar Elanor.
"Jullie mogen wel naar je kamers gaan, als je dat wilt."
Elanor bloost. Ze kijkt naar beneden en krabt op haar achterhoofd, hoewel ze
geen jeuk had. "Kunt u me misschien vertellen waar die zijn?" vraagt
ze daarna schuchter.
De hertogin roept een bediende.
"Wijs deze mensen naar de gastenverblijven," sommeert ze de man. Deze
knikt en wendt zich dan tot Elanor.
"Volgt u mij maar vrouwe."
Elanor bijt op haar lip bij het woord "vrouwe", maar volgt de man
zwijgend.
Een paar gangen verder, volgens Primula vlak boven de bibliotheek, zijn de gastenverblijven.
Het zijn allemaal eenpersoonskamers, simpel ingericht, maar comfortabel en voldoende.
De man blijft aan het eind van de gang staan en wijst iedereen een kamer toe,
waarbij hij vijf sleutels uitdeelt.
"Zolang jullie hier zijn, mogen jullie van deze kamers gebruik maken. De
sleutels gaarne voor vertrek," hij slikt even, "eh... teruggeven.
Het ontbijt staat morgen klaar in de eetzaal. Als jullie nog vragen hebben kunnen
jullie de bel in jullie kamer gebruiken of iemand van het personeel opzoeken.
Goede nacht."
De man verdwijnt in de gang, terwijl de avonturiers hun kamers opzoeken.
Ze kijkt de man even na en loopt dan naar de kamer waar haar sleutel op past.
Eenmaal binnengekomen gooit ze haar tas met spullen in een hoek, daar kijkt
ze later wel naar. Zelf ploft ze op bed neer. Even blijft ze zo zitten om al
de indrukken van die dag te verwerken en de vragen die in haar opkomen te onderdrukken.
Na een tijdje besluit Elanor dat het haar toch niet zal lukken om nog iets te
overdenken, zoals ze dat gepland had. Ze kleed zich om en stapt in bed.
In Stend is het onrustig. De sfeer is er die dag niet beter op geworden en de
benauwende atmosfeer in de stad werkt niet bevorderlijk voor de slaap van de
reizigers.
Elanor draait een paar uur in een halfwakkere stand, niet in staat enige vorm
van diepe slaap te bereiken. De gebeurtenissen van die dag borrelen steeds weer
in haar op, maar uiteindelijk valt ze alsnog uitgeput in slaap.
---------------------------
Ondertussen rijden enkele ruiters Stend binnen, voor iemand ze heeft kunnen
waarschuwen dit níet te doen.
Sanquin kijkt een beetje nerveus naar de grimmige omgeving, iets verteld hem
dat het toch niet zo"n goed idee was om hier te komen. De stad lijkt nogal
dood en de geur van ziekte is overal ruikbaar. "Vind jij ook niet dat het
een beetje, apart, hier ruikt?", vraagt hij schuw aan Sam in de hoop dat
dit alleen maar verbeelding is. "We kunnen beter naar een goede herberg
zoeken, overnachten. De volgende ochtend zoeken naar het boek en meteen terugrijden,
iets aan deze stad geeft mij... rillingen."
"Goed," knikt Sam. Zelfs hij lijkt zich niet helemaal op zijn gemak
te voelen. Er hangt inderdaad ook een doodse sfeer in de stad. De herberg aan
het marktplein, de eerste die Sanquin en zijn bende vinden, ziet er gesloten
en verlaten uit.
"We gaan hier naar binnen, dit lijkt me wel een goed plekje. Als de deur
dicht is dan maken we hem wel open!", praat Sanquin geïrriteerd door
de vuile geur in de lucht. Hij slaat fiers op de deur in de hoop dat wie er
binnen is de deur openmaakt zodat ze naar binnen kunnen gaan en kunnen gaan
rusten. "Open de deuren! Wij willen hier overnachten.", schreeuwt
hij door de deur heen, niet eens kijkend of de deur open is.
"We zijn gesloten, geen gasten," is het korte, maar duidelijke antwoord.
Boos pakt Sanquin zijn morgenster stevig vast, hij maant de anderen om naar
achter te gaan staan. Hij draait de morgenster een paar keer rond en laat hem
dan tegen de deur aanslaan. Hij slaat express niet hard tegen de deur omdat
hij hem nog niet wil inbreken. Boos schreeuwt hij dan door de deur heen. "Maak
nu deze deur open of wij breken hem open en dan hebben we geen genade meer!",
maar in zijn stem is ook angst te merken en niet alleen woede. De woede komt
meer uit angst en frustratie van wat er speelt op de straten van Stend, dan
dat hij persé naar binnen wilt.
"Ga je gang," komt de droge reactie.
Opeens wordt Sanquin angstig, iets klopt er niet. Niemand die zou willen dat
je herberg open wordt gebroken en hij leeg wordt geplunderd.
"Zeg mij eens," vraagt Sanquin. "wat is hier aan de hand? De
reuk van dood dringt zich in mijn neusgaten en overal zie ik niets behalve huizen.
Spreek nu, man! Als u ons geen veilig haven kunt geven, wie dan wel?",
Sanquin spreekt nu beleefd alsof zijn leven op het spel is en zich afvragend
of ze verdoemd zijn.
"In deze stad? Niemand!"
"Weet u het zeker, is er dan werkelijk niemand die geeft om een vermoeide
en angstige groep reizigers?", klinkt hij verdrietig hoewel zijn gezicht
meer frustratie uitbeeld. Hij went zich dan naar Sam. "Weet jij soms waar
we naartoe kunnen gaan? We kunnen moeilijk buiten gaan slapen...", praat
hij langzamerhand ongerust.
"Trap de deur alsnog in," schokschoudert Sam.
"Ik weet niet of dat een goed idee is Sam, misschien is er wel iets mis
in die herberg. Ik denk niet dat jij of ik nu al wil sterven, want dat deze
herberg niet open wilt gaan voorspelt onheil. Maar aan de andere kant, ik wil
graag overnachten hier en als deze herbergier ziek is..., ik denk dat we hem
wel uit zijn lijden kunnen verlossen..", hij maant de anderen en gaat zo
dichtbij de deur staan zodat hij hem hard kan raken. Hij zwaait hem eerst een
aantal keer rond en slaat hem dan zo hard als hij kan tegen de deur. Dit doet
hij een aantal keer om er zeker van te zijn dat de deur open zal gaan.
Met een harde knal vliegt de deur uit zijn scharnieren, de herberg in.
Sanquin kijkt naar de mannen om zich heen en knikt naar hun. "We moeten
oppassen, je weet maar nooit wat we binnen kunnen vinden. Geen genade, als deze
mensen zijn geïnfecteerd dan zullen wij hun "lijden" beëindigen.",
dan kijkt hij zelf naarbinnen en zoekt hij met zijn ogen naar de herberg waarmee
hij net gesproken heeft. Hij houdt zijn schild onhandig voor zich om een eventuele
aanval te kunnen afweren.
Een vloekende en tierende herbergier, gekleed in een soort nachtjapon, komt
op hen af.
"Zijn jullie helemaal gek geworden?! Waar gaat het heen met de wereld!
Jullie brengen die ziekte toch niet mee?"
Als hij de volledig bewapende Sanquin en de rest van de bende ziet, valt hij
stil.
"Hoe durf je zo over ons te spreken, wij weten niets van deze ziekte maar
jij gaat ons goed inlichten. Wat is hier aan de hand?!", schreeuwt Sanquin
woedend naar de hulpeloze herbergier. Daarna wordt hij wat rustiger. "Wat
ik bedoel is, wij willen hier graag overnachten en aangezien meesten van ons
nu nogal gepikeerd zijn zal ik het wijs voor u vinden om niet om geld te vragen.",
hij kijkt naar de anderen die er eruitzien alsof ze net uit een riool zijn gekropen
en nog steeds geïrriteerd door de geur zijn. "Dus beste herbergier,
zou u het erg vinden om ons goed in te lichten wat hier aan de hand is?"
De herbergier is zich rot geschrokken en brabbelt onverstaanbaar wat. Hij is
behoorlijk bleek geworden.
Het duurt enkele minuten voor hij wat samenhangend weet uit te spreken.
"Overnachten... bedden... Ja, boven zijn kamers."
Veel meer kan hij Sanquin niet vertellen.
"Jullie hebben het gehoord, ga maar slapen. Morgen gaan we beginnen aan
onze zoektocht.", de zeven mannen gaan de trappen op naar willekeurige
kamers, Sanquin alleen latend met de herbergier.
"Mijn excuses voor de binnenval beste herbergier," verontschuldigd
Sanquin zich voor hem en zijn andere bendeleden. "ziet u. We hebben een
lange weg afgelegd en we zijn nogal bek af. Ook de geur van deze stad heeft
ons niet goed gedaan, dus nu we hier alleen zijn. Zal ik het erg op prijs stellen
als wij even konden praten over wat hier aan de hand is. Ik begrijp het als
u even op adem wilt komen en even moet rusten. Dat is zeker niet erg,"
het lijkt erop alsof Sanquin een aangenamer persoon is zonder de troep mannen
om zich heen en er is zelfs een vriendelijke glimlach op zijn gezicht te bekennen.
Hoewel er net eerder een serieuze en gevaarlijke blik te vinden was. Sanquin
kijkt dan naar de deur en loopt ernaar toe. "sorry van de deur. Misschien
kan ik hem weer terug in de schanieren zetten of iets anders doen om te zorgen
dat het niet meer zo tocht...", hij legt zijn morgenster en schild op de
grond. Hij grijpt de deur vast en tilt hem met moeite op. Hij loopt naar waar
de deur eerst hing en kijkt of er iets te doen valt om hem weer terug te zetten.
De beste oplossing lijkt nog wel de deur gewoon zo goed en zo kwaad mogelijk
tégen de deurpost te plaatsen en er dan een tafel of iets dergelijks
tegenaan te schuiven als barricade én om te zorgen dat de deur niet weer
naar binnen valt.
Terwijl Sanquin bezig is, loopt Sam al naar de slaapkamers, gevolgd door enkele
van de mannen.
De herbergier heeft zich op een bankje laten zakken en staart nog steeds in
staat van schok voor zich uit.
"De beste oplossing lijkt mij om de deur tegen de deurpost te plaatsen
en dan een groot voorwerp ervoor te plaatsen om te zorgen dat de deur niet naarbinnen
valt. Maar misschien is er ook nog een ander mogelijkheid, we kunnen de deur
ook tijdelijk dichtnagelen, maar dan hebben we een hamer en genoeg nagels nodig.",
een aardige glimlach staat er op zijn gezicht. Hij plaats te deur tegen de deurpost
en laat de deur voor het moment wat het is, hij pakt zijn schild en morgenster
op en leggen deze op een tafel.
"Hoeveel krijgt u van mij?", vraagt hij goed bedoeld en aardig. "Dan
bedoel ik voor de overnachting, hopelijk ook ontbijt en schade. Ik hoop dat
dit niet al te slecht heeft aangeslagen, nogmaals mijn excuses voor deze onrust."
De vrouw van de herbergier komt met een deegroller in de aanslag aangelopen.
"Laat mijn man nu eindelijk eens met rust! Hij vertelt jullie morgen de
kosten wel! Zie je niet dat hij in schok is? Wegwezen! Naar bed!" schreeuwt
ze.
Meteen springt Sanquin achteruit en blijft wankel op zijn benen staan.
"Mijn excuses mevrouw, ik heb geen onrust gewild. Het enige wat ik wil
hebben is wat verheldering, want wat is hier aan de hand?", spreekt hij
vergeefs. Dan schud hij zijn hoofd en pakt zijn morgenster en schild vast.
"Sorry dat we u tot zorgen zijn, we zullen verder geen herrie schoppen."
Sanquin loopt naar zijn kamer, legt zijn bewapening op een tafeltje en legt
zijn kleren en maliënkolder over de stoel. Een grote gaap ontsnapt zijn
mond en kruipt onder de dekens, hij valt vrijwel meteen in slaap.
---------------------------
Romalde loopt richting de poorten van Stend. Ze komt net uit Lith, en heeft
de meest belachelijke dingen meegemaakt onderweg. Ze weet niet wat ze in Stend
te zoeken heeft, maar haar onderbewustzijn heeft haar er naartoe getrokken,
vanwege de juwelen die er gemaakt worden. Ze heeft altijd al een voorkeur gehad
voor glimmende dingen.
Een wachter komt bij de poort staan en roept naar Romalde.
"Keer om! Hier heerst de dood!"
Zijn gezicht staat angstig. De poort blijft gesloten.
Zo trekt de nacht voorbij in Stend. In de stad slaapt men onrustig, angstig.
Vlak buiten de stad, waar Romalde noodgedwongen overnacht, is het koud, maar
de sfeer is redelijk ontspannen. Niets stoort Romalde in haar nachtrust. Bijna
gelijktijdig worden allen wakker, door het tegelijkertijd kraaien van alle hanen
in Stend.
---------------------------
Met een grote
gaap en een lange strek wordt Sanquin wakker, hij blijft nog eventjes liggen
maar is al snel uit zijn bed. Hij trekt zijn leggings en shirt aan met daarover
zijn maliënkolder, daarna doet hij zijn broek aan en zijn vest. Hij doet
ook snel nog zijn riem op met buideltjes en zijn mantel. "Ik ben klaar
voor een nieuwe dag.", zegt hij tegen zichzelf als hij zichzelf nog eventjes
uistrekt en naar beneden loopt.
"Goedemorgen...", is het enige wat hij zegt als hij gaat zitten.
Vanuit de aanliggende kamer klinkt gestommel. Sam en de anderen, die een soort
slaapzaal hebben gekregen, zijn blijkbaar ook wakker.
Vooruit starend lijkt Sanquin te wachten op zijn eten, slaapdronken kijkt hij
voor zich uit en wrijft even door zijn ogen. Dan kijkt hij om zich heen of hij
de herbergier of zijn vrouw ziet, in de hoop dat hij wat verheldering kan krijgen
van wat er allemaal in Stend aan de hand is.
De herbergier zit op dezelfde plaats als Sanquin hem gisteren heeft achtergelaten.
Het is onduidelijk of hij daar de hele dag is blijven zitten.
Sanquin kijkt even, hij twijfelt of hij de herbergier gaat aanspreken. Na een
tijdje kijken besluit hij dat het beste ding wat hij kan doen is de herbergier
met rust te laten. Hij laat langzaam zijn hoofd op zijn armen vallen en sluit
zijn ogen om zijn roes uit te slapen.
Sam komt binnen en gaat zwijgend aan dezelfde tafel als Sanquin zitten. Twee
andere groepsleden volgen hem.
"Morgen," is het enige wat uit de mond van Sanquin komt wanneer Sam
en twee anderen gaan zitten. "hebben jullie goed geslapen?", Sanquin
is nu helemaal wakker en wilt hier zo snel mogelijk weg zijn.
Sam haalt zijn shcouders op, de andere twee knikken.
"Ja hoor." "Best."
In de herbergier is ondertussen wat leven te ontwaren.
"Laten we zo snel mogelijk hier weggaan, want de stank doet mij weinig
goeds."
Sanquin staat op en loopt naar de herbergier toe.
"Morgen Herbergier, zou u ons misschien vandaag te woord kunnen zijn?",
vraagt Sanquin beleefd en glimlacht goedschiks naar de man.
De herbergier slikt angstig als Sanquin dichterbij komt, maar knikt, zij het
wat halfhartig.
"U moet weten, dat geen één van ons u kwaad wilt doen en
wij zijn meer dan willend om te betalen.", stelt Sanquin de herbergier
gerust.
"Toch, zijn er zaken hier in Stend dat ons nogal bezighoud. Want wat is
hier nu precies aan de hand? Dit is toch niet hoe hier altijd op reizigers wordt
gereageerd?"
Dan pas lijkt de herbergier te ontwaken.
"Nee," hij klinkt verontwaardigd, "maar de tijden veranderen.
Vroeger was Stend gastvrij, maar sinds de plagen..."
Sanquin zijn ogen schieten wijd open bij het vallen van het woord: Plagen...
"Heb ik het goed gehoord dat er in Stend plagen zijn?" slikt Sanquin
en een angstige blik is er in zijn ogen te vinden. Hij slikt even goed door
en praat verder.
"Wordt er op het moment iets tegen gedaan, tegen die plagen bedoel ik?
Is het wel veilig..." Sanquin maakt zijn zin niet af.
"Veilig?" De herbergier begint enigszins hysterisch te lachen. "Volgens
mij is dat níet het woord dat de situatie in de stad op dit moment beschrijft.
Overal vallen mensen dood neer. Dat noem ik niet veilig!"
"Als ik niet beter zou weten, dan zou ik denken dat u ook verdoemd bent.
Net zoals de rest, alleen wij komen niet voor deze plaag hier. Wij komen hier
voor een boek, in de bibliotheek. Kunt u ons misschien vertellen waar de bibliotheek
is en wat te eten zou ook wel fijn zijn.", Sanquin wimpelt het hysterisch
gelach weg alsof het niets uitmaakt. Dan wendt hij zich tot Sam. "Als we
gegeten hebben, dan gaan we weg uit deze herberg en gaan we op zoek naar het
boek. Ik ben hier het liefste zo snel mogelijk weg..."
Sam knikt grijzend. "Dit keer, geëerde leider, geef ik je volkomen
gelijk."
De herbergier bekomt ondertussen van zijn lachbui en kijkt weer somber. Dan
herinnert hij zich de woorden van Sanquin. "Vijf goudstukken voor onderdak,
eten en de weg naar de bibliotheek."
"Vijf goudstukken?", klinkt Sanquin verontwaardigd. "U zou van
geluk moeten spreken als ik u drie goudstukken zou geven. Dus het zijn drie
goudstukken of wij betalen helemaal niet en als het eten niet snel hier is,
dan wordt de prijs alsmaar lager.", bijt hij de herbergier toe.
Hij wendt zich naar Sam. "Ik ben blij dat we ergens over eens zijn..."
De herbergier haalt zijn schouders op.
"Laat ook maar zitten, we zijn allemaal verdoemd. Eten staat wel in de
keuken. Geniet er maar van, zolang jullie nog kunnen."
Hij staart somber in het vuur van de haard.
Sam fronst.
Sanquin schudt zijn hoofd en gaat met zijn hand in zijn buidel en haalt er vier
goudstukken uit. Hij pakt met zijn andere hand de hand van de herbergier vast
en drukt met zijn hand met goudstukken, de goudstukken in de hand van de herbergier.
"Als het zo erg is, als u het zegt. Dan kunt u het beste een tijdje Stend
verlaten, zeg maar totdat het weer goed is...", is het antwoord van Sanquin
als hij naar de keuken loopt om wat voedsel op te gaan scheppen.
Elanor schrikt,
maar is hierdoor wel meteen klaarwakker. Even is ze gedesoriënteerd door
de vreemde kamer waardoor ze pas na een tijdje haar bed uitkomt. Ze rilt, het
is koud in de kamer, ze trekt in een snel tempo wat kleren aan. Nog steeds rillend
loopt ze naar het lampetstel en gooit wat ijskoud water in haar gezicht om het
kleine beetje resterende slaap te verdrijven. Hierna loopt ze de kamer uit,
op zoek naar een ontbijt.
De geur van een warm ontbijt komt Elanor al tegemoet. Zonder al te veel moeite
vindt ze de eetzaal waar het eten al op tafel staat. Het is een kleinere zaal
dan die waar ze de vorige avond hebben gedineerd. De hertogin is er niet te
zien, maar wel zitten de bedienden her en der verspreid te eten.
Tussen de bedienden voelt ze zich al heel wat beter op haar gemak dan de vorige
avond. Ze schuift ergens aan en neemt een stuk brood van tafel.
Een bediende in de buurt kijkt op en glimlacht naar Elanor.
Elanor slikt een hap door en glimlacht terug, zij het verlegen.
De bediende aarzelt even, maar spreekt dan toch. In zijn stem klinkt angst door
als hij vraagt:
"U gaat de ziekte bestrijden toch?"
Elanor probeert te glimlachen. Het gaat moeizaam en ze weet niet of het uiteindelijk
gelukt is. "We gaan het in ieder geval proberen," zegt ze dan, hopelijk
niet al te zwaarmoedig.
De bediende slikt en schuift dan zijn stoel naar achteren. Vervolgens rent hij
de eetzaal uit.
Elanor kijkt de bediende verbaasd na en fronst even.
Enkele andere bedienden werpen achterdochtige blikken op Elanor.
Elanor bloost en kijkt weg. Ze realiseert zich dat dit er wel schuldbewust uitziet,
natuurlijk, maar het lijkt een soort reflex te zijn. En nu ze erover nadenkt,
weet ze ook niet wat ze anders zou kunnen, of moeten, doen.
De bedienden in de buurt van Elanor schuiven wat ongemakkelijk met hun stoelen.
Enkelen staan op en lopen achter de eerste aan, de eetzaal uit.
Elanor krijgt een dieprode kleur en raakt een beetje in paniek. Wat moet ze
nu dóen? Haar gevoel zegt dat ze op moet staan en ook maar moet vertrekken,
maar de kent omgeving noch kasteel. Even kijkt ze wat zenuwachtig heen en weer,
hopend dat mensen ophouden te vertrekken. Maar uiteindelijk staat ze op en loopt
de gang in, ze heeft geen idee waar ze heen zou kunnen gaan. Maar dat maakt
het op dit moment niet bijster veel uit.
De gang is kaal en amper verlicht. In de verte klinkt een zacht gesnik.
Elanor loopt behoedzaam verder, wat angstig om te struikelen. Aan de ene kant
is ze erg benieuwd, als dat het juiste woord is, naar degene die ergens binnen
gehoorafstand huilt. Maar aan de andere kant is ze bang haar neus in andermans
zaken te steken, ze is het voorval van zojuist allerminst vergeten.
Het gesnik gaat nog even door, dan stopt het plotseling.
Elanor loopt maar gewoon door, waarom zou ze immers niet? Ze heeft niet echt
een idee waar ze heen zou moeten gaan.
Er zijn geen deuren meer in de hal, er hangen enkel versleten wandkleden. Het
licht is slechts schaars; er brandt een enkele kaars.
Het geluid van vluchtende voetstappen weerkaatst tegen de muren.
De herbergier
blijft naar de munten in zijn hand staren zonder iets te zeggen.
Sam volgt Sanquin en mompelt, met een steelse blik op de herbergier en op de
mannen: "Ik denk dat we hier zo snel mogelijk weg moeten."
"Bedoel je alleen jij en ik of wij allemaal?", mompelt Sanquin terug
terwijl hij een grote schep "voedsel" op zijn bord doet.
"Ik heb altijd andere verhalen over deze stad gehoord, vooral mijn tijden
na het klooster...", praat Sanquin de verte in terugdenkend aan het verleden
en ook terugdenkend aan zijn missie om mankrachten te vinden tegen het koningrijk.
"Wat is eigenlijk jou mening over het koningshuis?"
"Wij allemaal natuurlijk," antwoordt Sam enigszins verontwaardigd.
"Ik was niet van plan iemand in de steek te laten, wel?"
Hij gaat niet in op de andere opmerkingen van Sanquin.
"Dus jou mening over het koningshuis is...?", vraagt Sanquin zonder
aandacht te schenken aan al de andere dingen die Sam gezegd heeft.
"Het is er, dat is mijn mening," reageert Sam met een schouderophalen.
"Het moet weg, het slokt alleen maar geld op en regeren kunnen ze niet...",
zegt Sanquin en geeft er een spugend gebaar bij. Hij loopt terug naar tafel,
gaat zitten en schept wat eten in zijn mond.
"Ik kan me er niet druk over maken," antwoordt Sam, maar in zijn ogen
is een vonk van interesse verschenen.
Sanquin kijkt even in Sam zijn ogen en glimlacht.
"Eigenlijk zou ik mij er misschien ook niet over moeten maken, toch doe
ik het. Misschien komt het door het verleden of misschien door...", Sanquin
schudt met zijn hoofd en neemt twee scheppen eten tot zich en kijkt schuin naar
Sam.
"Wat is eigenlijk jou relatie met de gemantelde?"
"Hij betaalt en ik stel geen vragen," antwoordt Sam droog, terwijl
hij snel een ontbijt naar binnen werkt. Ondertussen zijn de anderen ook de keuken
binnengrkomen en ze zijn begonnen aan het ontbijt. De sfeer is gespannen, alsof
de mannen zich niet op hun gemak voelen in de stad. Zo nu en dan werpen ze onrustige
blikken op de deur, alsof ze verwachten dat er ieder moment een nieuwe ramp
binnen kan komen.
Het lijkt net alsof Sanquin één van de weinige is die rustig eet
en gemakkelijk overkomt, maar eigenlijk is Sanquin erg gespannen en zal bij
het geringste van geluid of beweging opspringen om aan te vallen of te verdedigen.
Wanneer Sanquin klaar is met eten staat hij op.
"Ik pak even mijn spullen, wij gaan. Zorg ervoor dat de mannen klaar zijn
tegen de tijd dat ik terugkom.", spreekt hij Sam aan. Dan buigt hij voorover
en fluistert in Sam zijn oor. "Als je wilt, kan ik voor jou en je mannen
betere omstandigheden creëeren. Zelf ben ik troepen aan het werven voor
een groep "rebellen" waar ik bij zijn, als je geïntreseert bent...
Laat het mij weten.", Sanquin komt weer overeind en loopt de trap op naar
zijn kamer.
Als Sanquin terugkomt staat de hele groep klaar om te vertrekken. De herbergier
is nergens te bekennen, zijn vrouw staat achter de bar, opnieuw bewapend met
een deegroller.
Sanquin laat een flinke zucht uit zijn longen. Waarom moet dat mens - elke keer
als ik haar zie, die deegroller bij zich hebben. Het is toch niet alsof ik zo
bedreigend ben? Sanquin loopt naar de mannen toe en geeft hen een korte knikje.
"Kom, we gaan!", hij maakt aanstalten om naar buiten te lopen en om
op zijn paard te stappen. Opeens herinnert hij zich dat hij van de herbergier
nog geen aanwijzingen gekregen heeft over hoe hij naar de Bibliotheek moet gaan.
"Vrouw van de Herbegier, hoe komt men bij de Bibliotheek van Stend?"
vraagt hij aan de vrouw.
"De burcht van de hertog," is het enige dat de vrouw zegt. Het is
duidelijk dat ze hen het liefst zo snel mogelijk ziet verdwijnen.
Sanquin zucht hevig en herhaalt de woorden die de vrouw. "De burcht van
de hertog," stilte omringt hem en hoofdschuddend loopt hij naar Lucas toe.
"maar hoe komen we de burcht binnen. Ik denk niet dat ze ons zomaar binnenlaten
en met geweld naarbinnen gaan is ook geen piekfijn idee.", Sanquin wendt
zich naar Sam als hij op Lucas stapt. "Heb jij misschien een idee hoe we
in de burcht kunnen komen, het lijkt mij niet dat de Hertog smakkend is om een
bende in zijn burcht te hebben...", ondertussen is Lucas al begonnen met
het rijden richting de burcht.
Sam haalt zijn schouders enkel op.
Al snel komt de burcht in zicht en Sanquin vraagt zich nogsteeds af hoe hij
binnen kan komen. Misschien laten ze wel alleen hem en Sam binnen, dat zou wel
redelijk zijn. Of misschien moeten ze wel geweld gebruiken en om eerlijk te
zijn heeft Sanquin daar geen zin in.
"Halt, wie gaat daar," roept een wachter bij de poort.
Sanquin wendt zich kort Sam en fluistert naar hem. "Laat mij maar praten,
we moeten proberen binnen te komen. Als we vermoeid van een lange reis overkomen,
dan komen we vast wel binnen.", Sanquin rijdt voorop en stopt een afstandje
van de wachter af.
"Vermoeide reizigers, wij zijn op zoek naar een plaats om te slapen en
alle herbergen zijn dicht.", behalve eentje dan, die hebben we gisteravond
opengebroken. Een vermoeide blik uit Sanquin zijn ogen kijkt naar de wachter
en hij denkt dat de wachter een zacht hart heeft en hen wel binnen zal laten.
"Het spijt me, maar daar heb ik niets mee te maken. Als u geen zaken heeft
in de burcht, komt u niet binnen," reageert de wachter kort.
Voorzichtig loopt
Elanor verder. Als ze al aandacht besteed aan de voetstappen, is het zeer weinig.
Wel kijkt ze even om zich heen, en ze beseft dat ze geen idee heeft waar ze
is, noch waar ze naartoe gaat. Toch lijkt het deel van de gang voor haar haar
meer te trekken dan die achter haar, want ze loopt na een korte aarzeling toch
door.
De voetstappen, als ze op gelijke hoogte van Elanor zijn, stoppen plotseling.
Nog steeds is er niets bijzonders te zien.
Elanor blijft even verschrikt staan en kijkt om zich heen. Als ze niets ziet,
laat ze haar vastgehouden adem weer ontsnappen en loopt langzaam door. Het geluid
komt immers vast van de verdieping boven haar. Toch begint nu toch de gedachte
terug te gaan steeds vaker in haar opkomen en even blijft ze staan en kijkt
om.
Héél zacht is een angstige ademhaling te horen in de gang.
Ze schudt haar hoofd. Nee, ze zal zichzelf wel horen. Ze beeld zich gewoon dingen
in. Toch blijft ze nog staan. Het begint nu eigenlijk pas goed tot haar door
te dringen dat ze niet weet waar ze heengaat en dat deze gang helemaal niet
op de rest van het gebouw lijkt.
Eén aarzelende stap weerklinkt. Het is niet veel meer dan een geschuifel.
"Hallo?" ze kijkt aarzelend de gang in en gaat tegen een muur staan.
"Is daar soms iemand?" Het tweede klinkt al zekerder, maar nog niet
zeker genoeg om het ook zeker te noemen.
Iemand ademt geschrokken in en dan is het stil.
Elanor fronst, haalt haar schouders op en loopt verder.
Een enkele voetstap weerklinkt opnieuw in de hal.
Elanor knijpt haar ogen even stijf dicht en vervloekt stilletjes haar verbeelding.
Haar tred wordt ietwat sneller.
Snel gaan de voetstappen de andere kant op.
Elanor blijft gestaag doorlopen, terwijl ze zichzelf voor blijft houden dat
het de verdieping boven haar moet zijn en anders haar verbeelding wel.
Nog twee, drie voetstappen weerklinken, gevolgd door een opgeluchte zucht en
dan is het helemaal stil in de gang.
Waarom wás ze hier ook alweer? Waarom moest ze nu net de deur naar déze
gang nemen? Verslagen blijft Elanor staan en kijkt naar haar voeten, die ze
maar amper kan zien.
Doorlopen of teruggaan? De gedachte aan teruggaan trekt haar nog het minst,
maar ze weet ook niet wat ze aan het eind van de gang zal vinden. Waarom kan
zíj nu nooit iets slims bedenken in dit soort situaties? In het gevecht
tegen de magiër was ze nu ook niet bepaald nuttig, wel? De besluiteloosheid
is frustrerend en als ze óók nog verdwaald zou zijn, zou ze misschien
wel in huilen uitgebarsten zijn.
Maar op dit moment weet ze wel waar ze is, toch? Als ze terugloopt, is ze terug
in de eetzaal. Het ontbijt zal wel afgelopen zijn, maar ze zou ook alleen zijn.
Niemand in de buurt die haar kent of die haar de goede kant in zou kunnen sturen..
En wat zou ze kunnen doen? Ze heeft tegen de bediende gezegd dat ze haar best
zou doen tegen die ziekte.
Ze besluit op safe te spelen. Misschien kan ze nog eens in de bibliotheek zoeken?
Er zou wat over het hoofd gezien kunnen zijn, niet waar? Bovendien weet ze niet
wat ze anders zou moeten, kunnen, doen.
In het begin aarzelend, maar later met grotere, fermere stappen, loopt Elanor
terug naar de eetzaal.
"Dat is correct,
u zou ons niet binnen mogen laten als wij niets in de burcht te zoeken hadden.",
Sanquin moest snel op zijn voeten denken; wat zou hun de burcht in kunnen krijgen.
Als bliksem sloeg het bij hem in, in de bibliotheek is vast wel iets tegen die
ziekte te vinden. "Wij komen hier om de ziekte die de straten van Stend
vervloeken onderzoeken, wij moeten zoeken naar boeken in de bibliotheek van
het burcht. Als U ons binnen zou kunen laten, dan zouden wij dat erg op prijs
stellen.", met een vriendelijke glimlach kijkt Sanquin naar de wachter
en hoopt dat de wachter het over zijn hart kan strijken om hen binnen te laten.
"Wacht hier," zegt de wachter, als hij Sanquin heeft aangehoord.
Hij loopt de burcht in, richting eetzaal.
Daar komt Elanor net binnenlopen en ook Primula zit er te eten. Zij is even
geleden wakker geworden en geniet nu van een vers broodje.
De wachter loopt op Elanor af. Hij kijkt even vreemd op als hij ziet uit welke
richting ze kwam, maar maakt hier geen woorden aan vuil.
"Vrouwe, aan de poort staat enkele mannen die beweren de ziekte die onze
stad teistert te onderzoeken. Horen ze wellicht bij uw groep? Ik weet dat ze
niet in opdracht van de hertogin werken, anders zou ik ze wel herkennen."
Ze was in gedachten verzonken terwijl ze liep, waardoor zijn blik niet opmerkt
en schrikt als de man haar aanspreekt. "Mannen aan de poort? Eh.. niet
dat ik weet," hakkelt ze terwijl haar gezicht een hoogrode kleur krijgt.
"Maar alle hulp is meegenomen, denkt u niet?" voegt ze er mompelend
aan toe.
De wachter aarzelt. "Tja, als u het zegt... Misschien loopt u anders beter
eerst maar even mee."
Elanor knikt en volgt de man.
Primula gaapt nog een beetje en neem nog een grote hap van haar broodje, ze
is nog wat slaperig en staat een beetje voor haar uit.
Vlak voordat hij de eetzaal uitloopt, draait de wachter zich om naar Elanor
en knikt richting Primula.
"Misschien kunt u beiden meekomen?"
Elanor knikt en kijkt afwachtend naar Primula.
Primula eet haar brood op en staat dan, enigszins schuchter, op om Elanor en
de wacht te volgen, tot ze bij de groep aan de poort komen.
"Dit zijn ze," zegt de wachter tegen Elanor, terwijl hij naar Sanquin
en de mannen gebaart. Ze ziet er niet meer zo onverzorgd uit als eerder het
geval was, maar ze komen ook zeker niet over als een groep rondreizende geleerden.
"Jongens,
we moeten er wel een beetje goed uitzien. Ze moeten ons niet aanzien als een
stelletje tuig, dus een beetje je wapens opbergen. Als we ons best doen, kunnen
we misschien nog zelfs eruit zien als tempelridders haha, die idioten..",
lacht Sanquin als hij nadenkt over de tempelriddders. Onderbewust hoopt hij
ook de mannen een beetje te ontspannen, hij wil hier het liefst zo snel mogelijk
weg en hij weet dat de mannen dat ook willen.
Sam staat er sowieso al ontspannen bij, maar hij grijnst wat minachtend bij
de woorden van Sanquin. De andere mannen schuifelen wat, fatsoeneren hun kapsel
of wrijven een keer over hun tanden om het ergste vuil weg te halen.
Wetend dat de mannen er niet uitzien alsof ze de geleerden zijn van de nieuwe
wereldorde, moet Sanquin snel op zijn voeten denken. Hij moet zich goed voor
laten komen; misschien als hij slimme opmerkingen maakt komt hij wel goed over
en hopend dat Sam ook wel wat slims kan zeggen.
"Goedemorgen, maar kunt u wel goedemorgen zeggen wanneer de ochtend niet
goed is. Moet u dan niet een andere groet geven, of wordt goedemorgen gezegd
omdat men niets anders kan bedenken?", Sanquin wendt zich naar Elanor,
Primula en de wachter. Hij stapt van zijn paard en maakt een sierlijke buiging,
dan pakt hij de hand van Elanor vast. "Het is een eer om met u kennis te
maken vrouwe.", hij kust teder op Elanor haar hand en glimlacht naar haar.
"Mijn oprechte excuses voor onze uitstraling, weet u. Wij hebben een zware
en moeilijke weg ondervonden, mij en mijn compagnon.", Sanquin wijst Sam
aan. "Dus moesten wij bescherming krijgen, en deze groep mannen is onze
escort.", hij wijst de rest van de bende aan en denkt dat ze er wel intrappen.
"Oh, wat slecht van mij om mij niet voor te stellen. Professor Exsanguinatio
van Oors en mijn compagnon heet Samuel van de kerken. Zou ik misschien mogen
weten hoe uw beiden genoemd worden?"
Elanor is behoorlijk overdonderd door de indrukken die ineens op haar afkomen
en knippert even verward met haar ogen. "Oh.. Eh.. Elanor," hakkelt
ze. "En dit is Primula," voegt ze er wat zachter aan toe terwijl ze
de palm van haar zojuist gekuste hand bestudeert.
"Prettig met uw beiden kennis te maken," Sanquin maakt weer een diepe
buiging en vanbinnen grijnst hij vals. Het lijkt erop dat mijn plan perfect
aan het werken is, als ik zo doorga eet ze gewoon uit mijn hand. De kunst van
iemands vertrouwen winnen is door vleierij en goede spraak. Zolang je in iemands
goede wil zit, kun je niets fout doen..., maar dit meisje intrigeert mij. Er
is iets aan haar wat ik niet zo goed kan ondervinden. Misschien blijven we hier
toch langer dan gepland... Even kijkt Sanquin bedenkelijk naar Elanor en glimlacht
vriendelijk naar haar. "Wij hadden gehoopt om in de bibliotheek van Stend
iets te kunnen vinden over deze ziekte, plaag of misschien beter gezegd deze
pest.", gelovend dat ze zometeen binnen worden gelaten pakt hij de teugels
van zijn paard vast. Sanquin probeert om zo betoverend en vriendelijk in de
ogen van Elanor te kijken, om ervoor te zorgen dat hij zo snel mogelijk binnenkomt.
Voor Primula heeft hij weinig oog, dit komt vooral omdat hij doorheeft dat zij
weinig te zeggen heeft.
Elanor denkt na. Hulp is altijd meegenomen, maar aan de andere kant is ze nooit
erg goed geweest in het nemen van dit soort beslissingen. Ze voelt zich niet
zo op haar gemak met deze nieuwe "verantwoordelijkheid". Ze zou zich
het liefst naar de wacht draaien om te vragen wat hij ervan vindt, maar bedenkt
zich en zucht inwendig. Op hoop van zegen dan maar..? "Eh.. Ik denk dat
hulp altijd meegenomen is, niet?" Bijna vragend kijkt ze rond, naar niemand
in het bijzonder.
De wacht haalt zijn schouders op.
"Goed vrouwe, als u het zegt."
Hij stapt opzij en laat Sanquin en Sam de poort binnengaan. De anderen houdt
hij echter tegen, onder het mompelen van een of andere vage huisregel over een
maximum aantal gasten. Hij kan het niet laten daarbij enigszins wantrouwende
blikken richting de groep te werpen.
Dat Sam en hij van de groep worden gescheiden lijkt Sanquin het allerminste
te ergeren, in tegenstelling tot ergernis is Sanquin breed glimlachend wanneer
hij samen met zijn paard Lucas en Sam de burcht binnengaan. "Mijn compagnon
en ik zouden graag in de bibliotheek willen kijken voor referentie, boeken en
het dergelijke snapt u?", Sanquin maakt een buiginkje. "Zou mischien
iemand mijn paard naar de stallen kunnen brengen, hij is misschien wat moe van
de reis.."
Op dat moment komt er al een staljongen aangerend om de paarden van Sam en Sanquin
over te nemen.
"Dank u wel, dat is erg aardig van u.", dan wendt Sanquin zich naar
Elanor. "Ik vroeg mij af of u misschien mij naar de bibliotheek zou kunnen
begeleiden, want ik denk persoonlijk niet dat noch ik noch mijn compagnon de
weg naar de Bibliotheek zullen herkennen noch vinden.", vraagt Sanquin
met de vriendelijkste glimlach die hij zichzelf kan opzetten en wetend dat hij
zo Elanor zal kunnen makkelijk kan aanzetten om hem de bibliotheek te laten
zien.
"Eh, ja "tuulijk," hakkelt Elanor, "ik ben er zelf ook nog
niet geweest, maar hij zal wel niet zo moeilijk te vinden zijn." Onbedoeld
geeft ze haar woorden een te vragende toon. Om eerlijk te zijn is ze helemaal
niet zeker waar de bibliotheek zou kunnen zijn, maar anders zou ze het altijd
aan een bediende kunnen vragen.
"Ach, maar ik geloof dat u wel uw weg door deze burcht kent. Zal dat niet
het geval zijn, u weet de weg beter dan ik of mijn compagnon.", Sanquin
lacht om de spanning uit de situatie weg te krijgen. "Wij zijn gelijken,
dus ik hoop niet dat u zich geïntimideerd voelt door onze status..., vrouwe
Elanor."
Ze zucht inwendig en knikt, dat maakt het in ieder geval al een stuk gemakkelijker.
"Zullen we dan maar?" probeert ze voorzichtig, slechts een vaag idee
hebbend over het feit waar de ruimte waar ze heen gaan zich zou kunnen bevinden.
Sanquin knikt kort en laat zijn hand over het handvast van zijn morgenster glijden,
gewoon om te voelen of hij er nog was. Hij had zijn schild nog vast, hij deed
zijn handen achter zijn rug en hield zo zijn schild vast. "Maar natuurlijk,
als u ons de weg zou kunnen wijzen.", glimlacht hij naar Elanor.
"Ik kan het in ieder geval proberen," een nerveus glimlachje ontsiert
haar gezicht voor een kort moment. Oké, zo moeilijk kan het niet zijn.
Ben ik er niet al eens langsgekomen? Ze loopt maar richting de gang die haar
het meest logisch lijkt, maar kijkt ondertussen ook maar vast rond of er een
bediende of andere persoon in de buurt is die haar de weg zou kunnen wijzen.
"U heeft een mooie glimlach," merkt Sanquin op en hij zet zelf een
grote glimlach op, eentje die je aan het lachen zal maken. "maar ik vraag
mij toch af. Weet u eigenlijk wel waar we heen moeten.", vraagt hij wanneer
ze al een tijdje hebben gelopen en nog niet bij de bibliotheek zijn aangekomen.
Hij kijkt even naar Sam, die zich al een lange tijd stil heeft gehouden.
"Zoals ik net al zei: ik ben hier zelf nog maar pas en ben nog nooit in
de bibliotheek geweest," zegt ze, "ik ben eigenlijk meer op zoek naar
iemand die me zou kunnen vertellen waar het is." Ze merkt Sanguins glimlach
niet echt op, omdat ze te druk heeft met het onderdrukken van het gevoel heeft
dat er een steen op haar maag ligt. Dat moet net mij weer overkomen.. Is er
dan helemaal niemand in de buurt hier? Even denkt ze diep na. Zei Primula niet
dat onze verblijven een verdieping scheelden met onze kamers? Dan zou op de
verdieping beneden onze kamers de bibliotheek moeten zijn..
Aan de andere kant van de gang loopt een jong dienstertje met een blad, eten,
blijkbaar is ze afkomstig van de eetzaal en loopt ze nu richting een van de
vleugels.
Elanors hart maakt een sprongetje en ze loopt met snelle tred naar het meisje
toe. "Pardon, juffrouw? We zijn op zoek naar de bibliotheek, kun je ons
misschien vertellen waar dat is?" In haar gedachte kruist ze haar vingers
en ze kijkt het meisje vragend aan.
Als Elanor haar voor het eerst aanspreekt, schrikt het dienstmeisje. Als ze
vervolgens de vraag hoort, herstelt ze zich snel.
"Precies onder de gastenverblijven, vrouwe."
"Dank je," Elanor glimlacht. Dus ik had het toch goed onthouden. Ze
loopt terug naar Sam en Sanguin. "Ik heb het zojuist gevraagd en ik denk
dat ik het wel weet, ik moet alleen even een trap vinden." Dat moet toch
niet zo moeilijk zijn?
De trap is inderdaad snel gevonden en tot haar opluchting ziet Elanor vanaf
daar ook de vleugel met de gastenverblijven, zodat ze nu weet waar ze zich bevindt.
Ze probeert haar opluchting te onderdrukken. "Hierzo," ze loopt verder
naar de bibliotheek.
Sanquin ziet de opluchting in de ogen van Elanor en geeft haar een vriendelijke
glimlach. "Het lijkt erop dat u de bibliotheek heeft gevonden, we kunnen
het beste meteen gaan zoeken naar een boek dat misschien wat antwoorden kan
geven.", Sanquin gaat meteen op zoek het boek Zwart en zegt zachtjes tegen
Sam. "Des te eerder we dat boek hebben gevonden, des te beter."
Elanor loopt langs de boekenkasten en laat haar handen over de kaften glijden
om ervoor te zorgen dat ze geen boek zal missen. "Heeft u misschien een
boek in gedachten?" tussen de planken door zoekt ze Sanguins gestalte om
te zien of hij haar gehoord heeft.
Sanquin wacht even met reageren en bedenkt even wat hij het beste kunt zeggen.
"Ik zoek naar een boek dat duisternis, dood en verderf voorspelt...",
hopelijk heeft hij zo laten merken dat hij nog steeds met de pest bezig is en
niet met het zoeken naar een boek voor de gemantelde. Ondertussen pakt hij enkele
boeken uit de boekenkasten. Naar de naam kijkend en er doorheen bladerend.
"Ah," Elanor loopt een eindje verder. "Enig idee hoe het zou
kunnen heten?"
"Als u wilt dat ik eerlijk ben, dan moet ik zeggen dat ik niet echt een
idee heb over de naam van het boek. Maar als u een boek vind diens kaft en naam
onheil voorspelt, dan zal dat waarschijnlijk veel licht geven aan de zaken aan
hand.", reageert Sanquin terwijl hij door blijft zoeken.
Elanor knikt. "Oké." Waarvan de kaft en naam onheil voorspeld..
Even blijft ze staan en denkt na, maar uiteindelijk zoekt ze verder. Als een
boek onheil voorspelt, zal dat In de eerste kasten lijken echt geen boeken te
staan waarvan de kaft duister en onheil voorspelt. In tegendeel, er schijnen
evenveel verschillende kleuren als kaften te zijn.
Hier is het dus in ieder geval niet, ik kan beter bij de volgende kasten gaan
kijken, want hier lijkt hij niet bij te zitten. Sanquin loopt naar de kasten
verderop en gaat meteen verder met zoeken, hij wilt eigenlijk zo min mogelijk
tijd verdoen met het zoeken naar het boek. Hij wilt het boek gewoon pakken en
brengen naar de gemantelde, dan kan hij tenminste van die rotklusjes afzijn
van hem.
Sam blijft enigszins ongemakkelijk bij de eerste kasten staan.
Elanor blijft ondertussen gewoon doorzoeken en gaat van plank naar plank en
van kast naar kast.
Ze ziet voldoende interessante boeken staan. Van Creatief met maanspreuken tot
Ik werd verliefd op een pixie en Niet morgen, maar eergisteren; zelfhulpboek
voor de doden.
De boeken die Sanquin nu tegenkomt zijn geschreven in Oudtorsaans. Zo Oud dat
de meeste titels nog maar amper leesbaar zijn.
Elanor grinnikt bij sommige titels, maar weerhoudt zich ervan de boeken te pakken
en open te slaan en zoekt verder.
"Bladeek"..., Sanquin probeert het woord zo goed mogelijk uit te spreken
en hij kan het niet helpen om een lachje toe te laten en zijn rechterwenkbrauw
omhoog te brengen. Hij schudt zijn hoofd en vraagt zich af hoeveel kasten er
staan.
"U bent duidelijk
ergens naar op zoek...."
Een luide stem doet Sanquin, Sam en Elanor uit hun zoektocht opkijken, zoekend
naar de man die de stem bezit. In de deuropening vinden ze de persoon, gehuld
in een groene mantel. "Mijn excuses... Waar zijn mijn manieren," zegt
de man in de richting van Sam en Sanquin. "Laat ik me eerst eens voorstellen...
Ik ben Illisér, woudloper... En tevens geliefde van de beeldschone vrouwe
die uwedelen hier vergezeld." Illisér richt zich vervolgens op Elanor:
"Sorry dat mijn afwezigheid enige tijd in beslag heeft genomen... Grosock
en ik werden opgehouden. Waar is die schavuit eigenlijk?"
Ze houdt op met zoeken, want de stem is snel genoeg herkend. Elanor kijkt, glimlachend,
naar de grond en bloost licht bij het woord "beeldschoon". "Nee,
ik weet niet waar hij is. Ik heb nog niemand gezien vandaag, behalve Primula."
Sam heeft nog steeds geen boek gepakt en hij kijkt nu nieuwsgierig en enigszins
achterdochtig van de een naar de ander.
Sanquin geeft geen aandacht aan de nieuwkomer, niet meer dan een afkeurend geluidje
van het schoonmaken van zijn keel, hij gaat meteen verder met zoeken. "Hoeveel
kasten zijn hier wel niet?", vraagt hij zichzelf zachtjes af en kijkt in
het rond.
"Heren! Heren! Waar zijn uw manieren? Ik heb mij voorgesteld, maar ik heb
geen flauw idee wie u bent, noch wat u hier doet en waarom u hier in het gezelschap
bent van Elanor!" zegt de woudloper, met nadruk leggend op enkele woorden.
"Nogmaals... Mijn naam is Illisér "i Thorondor" Chaman,
woudloper van beroep en doorgaans aangesproken met Illi of Illisér. En
nu hoort u, volgens de sociale ongeschreven wetten van Torsan, ten minste te
vertellen wie u bent en wat u doet, alstublieft."
Sanquin kijkt op naar de woudloper en bekijkt hem van top tot teen, wat is zijn
probleem nu weer. Ik heb geen tijd voor imbecielen zoals hem, ik moet zoeken
naar het boek Zwart, niet mij voorstellen aan die woudloper. Sanquin kijkt hem
even in zijn ogen aan, die dromerige ogen van hem en voelt opeens de nodigheid
om te gaan kotsen. Snel kijkt hij weer weg, op zoek naar Sam. "Heer Illisér
"i Thorondor" Chaman, fijn dat u zo gesteld bent op de normen en waarden
van Torsan en dat u gelooft dat het werkelijk nodig is om u voor te stellen.
Maar ik en mijn compagnon zijn op dit moment nogal verdiept in deze boeken hier
en uw luide stem brengt ons niets ten goede. Dus wilt u als u eraan gelooft,
uzelf terzijde houden en mij en mijn compagnon een tijd van rust geven.",
Sanquin draait zijn rug weer naar de woudloper toe en gaat verder met zoeken
naar het boek Zwart.
Elanor fronst. Waarom stelde hij zich niet gewoon voor? Ze kijkt van de een
naar de ander. Dat had hij bij haar toch wél gewoon gedaan?
Sam knikt een maal naar de woudloper, pakt een boek uit te kast en begint er
lusteloos in te bladeren.
Sanquin schudt eenmaal met zijn hoofd als hij hoort dat de woudloper in zijn
tong is geslikt. Hij pakt een boek vast en probeert de titel te lezen, het enige
wat hij ervan kan maken is: Thdfsa. Hij legt het boek weer weg en gaat verder
met zoeken.
"Mijn... heer... Ik sta op het punt mijn geduld te verliezen. In deze tijd
van gevaar en angst kan iedereen de vijand zijn. Deze vreselijke ziekte moet
toch door iemand verspreid zijn, vind u niet? Maar wat maakt een naam ook uit.
Met een naam weet ik nog niets, naamloze. En zou uw beroep professioneel huurmoordenaar
geweest, dan zou u daar toch over gelogen hebben. Nee, uw wezen schijnt zo weinig
van belang te zijn dat uw naam, en die van uw spraakzame compagnon, niet gezegd
behoeven te worden." Met die woorden stapt de woudloper op Elanor of, kust
haar en fluistert de vrouwe enkele lieve woorden in het oor. Vervolgens pakt
hij een willekeurig boek uit de kast en begint er in te bladeren, de twee "heren"
negerend, zijn blik af en toe over de rand van het boek naar Elanor glurend.
Elanor glimlacht, bloost en geniet van de tinteling die haar doorspringt, ondanks
het feit dat het zwijgen van Sanguin haar verontrust. Als Illisér naar
de kast loopt en een boek pakt, besluit zij dat het ook beter is om verder te
zoeken en verdiept zich weer in de titels waar zij langsloopt.
Sanquin luistert met een knikkende beweging naar de woorden van de woudloper
en glimlacht breed achter het boek dat hij vasthoudt. In zijn hoofd verzamelt
hij alle informatie die de woudloper hem net gegeven heeft, de woudloper denkt
veel te weten maar hij maakt te veel fouten. Die fouten zal hij berouwen als
hij weet wie hij echt is, een huurling, een verkochte mankracht. Hij is een
bruut, een bruut met een intellect, hij is een eenling. Hij is een verbannene,
nee als de woudloper zou weten wie hij was, dan zou hij wel oppassen wat hij
zei.
"Au contraire beste heer Woudloper, wat doet u denken dat deze ziekte door
een Iemand is verspreid, vindt u zelf ook nou niet dat wat u nu aanneemt een
te gemakkelijke assumptie is? Misschien is het net zoals vele andere ziektes,
dat het met iets kleins op de rug van een ziektedrager zoals; een rat, muis
of andere kleine dieren die veel in ongure plekken rondhangen. Als zo"n
ziektedrager een mens besmet, of als we aannemen dat er meerdere van deze ziektedragers
er zijn en ze dus ook op verschillende plaatsen mensen besmetten." Sanquin
loopt naar de Woudloper toe met een boek in zijn hand; een boek die hij herkende
van zijn dienst onder de gemantelde."Als u nu dit boek bestudeerd, zult
u misschien iets vinden die de symptomen draagt die deze ziekte met zich meedraagt.
En voor mij naam en beroep, dat is voor dit moment niet relevant. Als uw huis
afbrandt en iemand komt met water aangerend, stopt u dan ook dat persoon en
vraagt u hem wie hij is en wat hij doet? Ik neem toch aan van niet, in een tijd
van crisis neemt men alle hulp met beide handen aan en ik hoop toch dat ik en
mijn compagnon u wel helpen."
Sanquin zijn ernstige blik laat de woudloper goed merken dat hij meent wat hij
zegt. Wanneer hij het boek in de handen van de woudloper heeft gedrukt, draait
hij zich om en loopt hij weer weg. Als hij zeker weet dat niemand hem kan zien,
laat hij een brede glimlach op zijn gezicht vallen. Met grote trots en zelfvoldaanheid
pakt hij nu nog wat boeken vast, dan loopt hij naar Elanor toe en fluistert
haar zachtjes in het oor: "Ik heb een idee over een boek over deze ziekte,
er moet Zwart op staan. Zou U mij misschien kunnen helpen met zoeken?"
"Zwart," herhaalt Elanor zacht voor zichzelf en ze knikt Sanguin toe.
Dan gaat ze op zoek naar het boek, maar tegelijkertijd probeert ze ook op andere
titels te letten die relevant zouden kunnen zijn.
Er is niets dat lijkt op "Zwart". Zelfs "Bruin" of "Rood"
of "Grijs" komt niet voor.
Elanor gaat naast Sansguin staan. "Weet je zeker dat het hier zou moeten
zijn?" Ongemakkelijk wringt ze haar handen.
"Verdoemenis!!!", roept Sanquin boos en wendt zich dan naar Sam. "Het
boek Zwart is hier niet!", schreeuwt hij in zijn woede naar hem. Dan duwt
hij tegen een boekenkast aan, zo hard als hij kan om zijn agressie kwijt te
raken. Dan komt hij weer tot bezinnen en zucht diep. "We waren verteld
dat de oplossing, het boek Zwart, hier te vinden zou zijn." Met zijn hoofd
naar de grond tikt hij een onzichtbare steentje weg met zijn voet.
Elanor doet even verschrikt een paar stappen achteruit. Maar waarom zei hij
dat niet meteen? Ze fronst. "Maar wie zei het dan? En waarom klopt het
niet wat diegene zei?" Op het moment dat ze de vragen echter stelt, realiseert
ze zich dat ze zich daar niet mee zou moeten bemoeien en krijgt een hoogrode
kleur.
"Degene die ons hierheen gestuurd heeft..., hem." Mompelt Sanquin
bijna onverstaanbaar. "We kunnen beter gaan heer Sam, ik neem aan dat wij
het antwoord niet zullen vinden. Het boek is hier niet, hij heeft ons voor niets
op pad gestuurd. We zullen dit moeten rapporteren aan hem." Sanquin maakt
meteen aanstalten om naar buiten te lopen, om naar de stallen te gaan voor zijn
paard.
Primula loopt op een rustig tempo naar de bibliotheek toe, daar aan gekomen
gaat zo op zoek naar de rest.
Elanor blijft stomverbaasd staan. Als ze ziet dat Sanguin van plan is te vertrekken,
kijkt ze even onzeker om zich heen, alvorens zich naar een andere kast te begeven.
Ze weet eigenlijk niet goed wat ze op zo"n moment zou moeten doen, maar
verder zoeken is iets wat haar het meest logisch lijkt.
Sam aarzelt. "Dan is het jouw verantwoording." Het idee de gemantelde
zonder het boek onder ogen te komen staat hem duidelijk tegen.
Als hij vervolgens toch enkele stappen naar de deur doet, botst hij bijna tegen
Primula op.
Tot overmaat van ramp komt er ook een jonge bibliothecaresse aangelopen.
---------------------------
De jonge bibliothecaresse loopt naar het stel toe, in haar ogen staat een vragende
blik. "Ik heet Archara, kan ik jullie misschien helpen?" vraagt ze
en ze vraagt zich af wat het voor vreemde spanning is die ze voelt bij deze
lieden.
Elanor draait zich naar Archara toe. "Kent u deze bibliotheek?" Zonder
echt een antwoord af te wachten, vraagt ze verder. "Is er hier een boek
wat "Zwart" heet?"
"Ik ben hier nog maar net, maar als het niet in de kasten staat, misschien
dat het achter ligt." antwoord Archara dan, "Ik zal even kijken."
En dan voegt ze de daad bij het woord.
Sanquin houdt Sam tegen en glimlacht naar hem. "Misschien kunnen we hem
toch vinden, als ze hem vindt. Dan moeten we hem meteen pakken en een smoes
bedenken zoals: We moeten hem gaan onderzoeken." Fluistert Sanquin naar
Sam terwijl zijn hand op zijn schouder rust. "Als u het boek vindt, zou
u het dan naar ons willen brengen. Wij danken u."
Archara draait zich om, "Dat spreekt vanzelf heer," beantwoord ze
de vraag van Sanquin, "maar u zult gedult moeten hebben, ik ken het hier
nog niet zo goed en het kan dus even duren voordat ik terugkom." en dan
loopt ze weer verder in de richting van een deur die kleiner lijkt dan de meeste
deuren in de burcht.
Archara blijft een paar minuten weg, maar dan gaat al snel het kleine deurtje
weer open.
"Het spijt me," zegt Archara als ze weer bij het stel staat, "het
boek is er wel, maar de officiele bibliothecaris heeft een briefje erbij geschreven
dat ik het niet mag uitlenen, en ik wil eerst met hem overleggen of ik het wel
aan u mag uitlenen." Ze kijkt iedereen één voor één
aan en zucht eens, "jammer genoeg heb ik geen idee waar hij zou kunnen
zijn, dus u zult geduld moeten hebben tot hij weer terug is."
Elanor knikt. "Het is in ieder geval al iets, toch?"
Sam trekt zijn wenkbrauwen op bij het horen van het bericht en kijkt Sanquin
dan vragend aan.
Sanquin knikt overeenstemmend met Sam en herhaalt wat Elanor net gezegd heeft.
"Ja, dat is inderdaad in ieder geval iets..." Dan loopt hij naar Sam
toe en fluistert in zijn oor. "We hebben twee keuzes; of we pakken nu zelf
het boek en gaan ervandoor, waarbij we ook moeten meetellen dat we veel vragende
gezichten en de burcht"s wacht achter ons aankrijgen. Onze andere optie
is wachten op de officiële bibliothecaris en dan vragen of wij het boek
mogen meenemen voor onderzoek. Wat denkt jij dat we moeten doen?"
"O nee, geëerde leider, die keuze schuif je mij niet in de schoenen,"
antwoordt Sam beslist.
"Ik wil ook niet dat jij de keuze hierover neemt, ik wil alleen jouw mening
hierover horen. Dat is alles wat ik wil, maar ja, als dat nu te veel gevraagd
is. Dan zal ik er zelf wel de keuzes nemen en houdt ik jou verantwoordelijk
als er iets gebeurt Want jij was het die mij niet wilde helpen en ik dus alleen
keuzes moest maken." Sanquin pakt een boek uit de kast, om ervoor te zorgen
dat het lijkt dat hij gewoon aan het zoeken is. Wanneer hij het boek opendoet
vindt hij er drie goudstukken in en stopt die in zijn geldbuidel.
Archara kijkt nogal ongelukkig en zegt, "Sorry dat ik niet kan helpen met
het boek "zwart", kan ik u misschien nog ergens anders mee helpen?"
Het is overduidelijk dat ze zelf ook niet al te gelukkig is met de situatie.
"Weet u misschien waar de bibliothecaris is?" vraagt Elanor voorzichtig.
"Het is nogal jammerlijk dat u ons er niet mee kunt helpen maar als we
nu eens wachten totdat de bibliothecaris terug is of als u informatie hebt over
waar wij hem kunnen vinden dan zal ik beiden met open armen in ontvangst nemen."
Sanquin glimlacht hartelijk naar Archara en probeert hoop op te houden dat ze
dadelijk met het boek weg kunnen walsen.
Sam kijkt twijfelachtig. Dat lukt nooit.
"Sorry, maar ik weet het echt niet. Hij zei dat hij wat dingen moest regelen
en dat ik voor de bibliotheek moest zorgen, hij heeft niet gezegd wat hij ging
doen of waar." zegt Archara naar waarheid.
Sanquin knikt naar Archara en wrijft met zijn hand over zijn kin. "Ik ben
blij dat u zo eerlijk tegen ons, mij bent. Ik denk dat ik en mijn compagnion
maar opzoek moeten gaan naar de bibliothecaris." Hij wenkt naar Sam en
maakt aanstalten om maar het kasteel te doorzoeken. Als Sam naast hem staat
fluistert hij: "We zullen zelf het boek maar halen, we moeten naar de het
kamertje lopen waar dat mens was heengegaan."
Sam knikt en loopt langs Archara in de richting van het kamertje.
Sanquin volgt Sam op de voet en stopt even voor de deur van het kamertje, dan
knikt hij naar Sam en probeert dan de deur zachtjes open te maken.
Elanor wilde een moment ook opstaan, maar om nu met zijn drieën het kamertje
te doorzoeken leek haar enigszins overdreven. Vandaar dat ze maar bleef zitten
en afwachtte of er iets gevonden zou worden. Het lijkt soms wel alsof alles
tegenwerkt..
Archara kijkt naar Sanquin en Sam als zij naar het kantoortje stappen totdat
ze nadenkt over de woorden die gezegd zijn. "Sorry, maar als u op zoek
gaat naar de bibliothecaris hoeft u daar niet te zoeken. Dat is maar een klein
kamertje waar u alleen via hier naar toe kunt dus we hadden hem moeten zien
als hij daar nu is." zegt ze, niet echt wantrouwend maar blindelings vertrouwen
doet ze nu ook niet meer.
Het kamertje is inderdaad klein en er is niemand. Wel liggen er stapels boeken,
de meeste enigszins beschadigd en daarom tijdelijk uit de bibliotheek gehaald.
Op sommige stapels boeken liggen briefjes.
Sanguin draait zich even om naar Archara en glimlacht vriendelijk. "Wij
kijken of hier een boek is dat ons meer kunt vertellen over de vreselijke ongevallen
die dit stadje heeft getroffen." Dan wendt hij zich naar Sam en fluistert:
"Doorzoek de boeken hier, Zwart moet hier tussen zitten, wees voorzichtig
en maak niet te veel lawaai. Als je het boek gevonden hebt verstop hem dan ergens
onder je kleren en dan zeggen we dat we maar op zoek gaan naar de bibliothecaris."
«
---------------------------
---------------------------
---------------------------
---------------------------
---------------------------
»
Illisér ligt in coma in de ziekenboeg, sinds Elanor en Primula zijn verdwenen,
is zijn situatie niet veranderd.
Sinds de groep van Sanguin is vertrokken, zijn er geen vreemde sterfgevallen
meer geweest in Stend. Het lijkt wel alsof ze de vloek met zich meegenomen hebben...
Eleanor is een van de eerste reizigers die weer in Stend worden binnengelaten.
Eleanor loopt door de poorten van Stend, als een van de eerste. De wachters
hadden haar weer doorgelaten, sinds de rare sterfgevallen.
Ze kijkt naar de mensen die weer rustig door Stend lopen.
"Waar zou ik heen gaan?" denkt Eleanor hardop, en blijft even staan.
In Stend is het door alle gebeurtenissen nog niet erg druk op straat en in de
betrekkelijke stilte is het één ding dat Eleanor duidelijk hoort:
het zachte gesnik van een kind.
Waar kwam dat vandaan? Eleanor kijkt om zich heen. Ze kan nergens een kind ontdekken,
dus loopt ze maar door.
Dan hoort ze het weer, niet veel harder dan eerst.
Als ze het geluid volgt, komt ze bij de poorten van de burcht terecht.
Het geluid komt/kwam hier vandaan, denkt ze, Waarom zie ik dan niets? Ze wilde
door haar nieuwsgierigheid weten wat er was met het kind, dus ging ze door met
zoeken.
Het geluid lijkt uit de burcht te komen.
Ze loopt de burcht in. Mag dit wel? vraagt ze zich af, dit is de eerste keer
dat ze in Stend komt. Ze kijkt rond. Mooi is het hier.
Voor ze goed en wel binnen is, wordt ze echter door een van de wachters tegengehouden.
"Waar gaat dat heen?"
"Ik eh," Eleanor krijgt een rood hoofd. Zou ze kunnen vertellen dat
ze gesnik hoorde? Nee, dat is geen goed idee, hij zou haar toch niet geloven.
Maar binnenblijven wilde ze wel...
"Ik ga naar, eh," snel, iets verzinnen! "naar mijn oom! Hij is
wacht hier, en ik kwam hem ophalen. We zouden samen eh, iets gaan doen!"
flapt ze eruit.
De wachter trekt zijn wenkbrauwen op, blijkbaar niet erg onder de indruk van
Eleanors verhaal. "En wie is je oom dan wel?"
Oh nee, daar had Eleanor niet aan gedacht. Wie moet ze voordoen als haar oom?
Ze kent niemand hier, laat staan een wachter van de burcht.
Ze kon natuurlijk gokken op een naam, en hopen dat er inderdaad iemand was die
hier zo heette.
"Peter," zei Moonkiss, "Hij heet Peter."
"Je bent het nichtje van Peter?" Even lijkt de wachter Eleanors verhaal
niet te geloven, maar dan stapt hij op zei. "Hij is waarschijnlijk wel
in de eetzaal. Hier rechtdoor lopen en dan die deur door, daar naast de keukens."
Stomverbaasd staat Eleanor naast de wachter. Er bestaat een Peter? Nou ja, ze
moest eigenlijk helemaal niet naar hém toe, maar naar dat zachte gesnik.
"Oh, ja, ik - bedankt," zegt ze en snel loopt ze naar de gang toe
waar de wachter het over had, en hoopte dat het kind zich hier ook ergens bevond.
Het gesnik klinkt iets luider, maar is nog steeds niet te plaatsen. Wel merkt
Eleanor dat het druk is in de gangen en dat ze moet opletten om tegen niemand
aan te lopen.
Dan weet Eleanor het niet meer, ze houd een van de mensen tegen die in de gang
loopt, en vraagt aan heer: "Weet u waar de eetzalen zijn? Ik moet namelijk
naar mijn oom Peter, en de wachter zei dat ik heb daar kon vinden."
De aangesproken bediende wijst. "Die deur door."
"Bedankt," antwoord Eleanor beleeft, en opent de deur die de bediende
aanwees.
De eetzaal is groot, groter dan Eleanor had verwacht en aan de tafels zitten
verscheidene mensen te eten, voornamelijk soldaten.
Nu nog Peter zoeken, denkt ze, maar eigenlijk weet ze zelf ook wel dat dat gekkenwerk
is. Ze zou, als nichtje van Peter toch wel moeten weten wie hij was. Als ze
nu ging roepen wie Peter was, kwam die wachter het vast te weten, en zou ze
gepakt worden.
"Oom Peter?" zegt ze hard, niet al te hard, "Waar zit u?"
Er reageert niemand.
Balen, maar misschien hebben ze haar niet gehoord. Nee, opnieuw roepen heeft
geen zin, en trouwens, ze kan nu beter verder gaan met het zoeken naar het huilende
kind. Ze spits haar oren weer en hoort niets. In de eetzaal is het waarschijnlijk
te rumoerig.
Ze loopt de gang in, een gedeelte waat niemand loopt of lawaai maakt, en begint
heel goed te luisteren. Ze wil het kind vinden, hoe dan ook.
Op de gang hoort ze inderdaad het gesnik weer, het lijkt van ergens boven haar
te komen.
Hup, naar boven, denkt Eleanor en ze gaat op zoek naar de trappen. Inderdaad
vind ze ze even later en klimt ze op de grote treden. Boven blijft ze even staan.
Op de eerste verdieping is het rustiger, maar Eleanor merkt ook dat de mensen
die er lopen haar enigszins vreemd aankijken, alsof ze zich afvragen wie ze
is, wat ze hier doet.
Het gesnik is opgehouden, wel hoort Eleanor nu duidelijk voetstappen, die niet
gelijk lopen met de mensen die op de eerste verdieping zijn. Dat is nog niet
het vreemdste, bedenkt Eleanor, eigenlijk zou ze de voetstappen helemaal niet
kúnnen horen als ze niet afkomstig waren van de mensen bij haar in de
buurt.
Dus, bedenkt ze, moet het van nog een boven komen, of hebben ze dat niet?
Ze loopt naar een van de mensen, en vraagt: "Is er nog een trap naar boven,
ik moet namelijk iets zoeken van de burchtheer."
De aangesprokene, een goed geklede man, kijkt Eleanor aan alsof ze een vervelende
vlieg is, schudt zijn hoofd ongelovig en loopt weg. Eleanor hoort hem nog net
mompelen: "De brutaliteit."
"Wat een sul!" zegt ze zacht, zodat niemand haar kan horen.
Ze loopt verder door de gangen.
Plotseling wordt ze door een dame tegengehouden.
"Wat ga jij doen meisje?"
"Ik zoek iets voor de burchtheer, of hoe u hem ook noemt," zegt Eleanor
snel en wil verder lopen. Wat zeuren ze toch allemaal!
"Dan ben je rijkelijk laat." De vrouw pakt Eleanor bij haar arm en
houdt haar tegen. "De graaf is drie jaar geleden overleden."
Oeps, dat was niet zo slim om te zeggen! denkt Eleanor. Wist zij veel dat hij
dood was!
Ze wordt meegesleurd door de vrouw, ze knijpt hard.
De vrouw zet haar echter alleen maar aan de kant van de gang, tegen de muur
en vraagt opnieuw: "Wat doe je hier, meisje?"
Dan besluit Eleanor het maar te zeggen, wat is er mis mee?
"Ik hoorde het gesnik van een kind, en ging erachteraan. Toen kwam ik hier."
zegt ze brutaal en kijkt de vrouw recht in haar ogen.
"Het gesnik van een kind?" vraagt de vrouw verbaasd. "Maar er
zijn hier helemaal geen kinderen, behalve die van de bedienden dan en die wonen
op de begane grond."
"Oow, dat heb ik het fout gehoord, dag!" zegt Eleanor en ze rukt zich
los van de vrouw. "Pardon dan!" zegt ze en wil de trap snel weer aflopen.
"Wacht even." De stem van de vrouw houdt haar tegen. "Zo gemakkelijk
kom je er niet af." Ze komt achter Eleanor aan. "Vertel me wat je
precies hoorde."
Dat vindt Eleanor raar, waarom moet de vrouw dat nu weten? Wat kan haar het
gesnik van een kind nou schelen?
"Ik hoorde..." zegt ze extra langzaam, "...een kind, snap je?"
zegt ze dan brutaal, omdat ze niet wist wat ze precies hoorde, ze hoorde gewoon
gehuil.
"Dat zei je al," antwoordt de vrouwe. "Ik wil weten wat je precíés
hoorde."
"Dat weet ik toch ook niet, ik vertel alleen wat ik hoorde, dus kan ik
moeilijk zeggen wat ik dan precíés hoorde." zei Eleanor,
ze snapte de vrouw niet.
"Klonk het gesnik verdrietig? Angstig?" vraagt de vrouw door.
"Volgens mij allebei, maar ik kan het u niet precies vertellen," maar
het kwam van boven, zouden we niet even kunnen kijken?" vraag Eleanor dan.
"Er is hier geen verdieping boven," zegt de vrouw stug.
"O, wat raar dan..." zegt Eleanor bedenkelijk. Ze hipt op haar ene
been, naar haar andere. Ze bekijkt de vrouw eens goed. Ze lijkt haar wel aardig,
ookal is ze wel verdacht veel geïnteresseerd in het huilende kind...
"Dan heb ik het misschien fout gehoord."
De vrouw knikt langzaam. "Dat zal dan wel, nietwaar?"
"Ja, maar wat gaat u nu met me doen?" vraagt ze dan. Het gesprek was
afgopen, en opeens wilde ze snel van haar weg, om weer naar het kind te zoeken.
De vrouw twijfelt even en glimlacht dan kort. "Ik geef je toestemming om
door te zoeken. Als iemand je tegenhoudt, zeg dan maar dat de gravin gezegd
heeft dat het mag."
Zonder te wachten op een antwoord, draait de vrouw zich om en loopt weg.
Was dat de gravin? Eleanor blijft even verbijsterd staan. Ze kijtk de gravin
na, en bedenkt zich opeens dat ze wel heel brutaal was.
Maarja, ze had toestemming om verder te zoeken. Maar ze wist niet meer waar
het vandaan kwam...
Ze staat in een gang waaraan enkele kamers liggen, maar alle deuren zijn dicht.
Aan het begin van de gang is een trap naar beneden. Het eind van de gang is
niet te zien.
Ze liep eerst naar de trap om naar beneden te gaan, maar dacht toen aan het
kind. Zou er aan het einde van de gang een trap zijn, of moest ze eerst een
van de deuren proberen?
Naar het einde van de gang, en ze begon te lopen.
Naarmate ze verder van de trap geraakt, wordt het stiller in de gang. Zou Eleanor
in de privévleugel van het kasteel zijn?
Ze kijkt even om zich een, en loopt dan door, als ze aan het eind van de gang
geen trap ziet, dan gaat ze wel een van de deuren porberen.
Aan het einde van de gang is inderdaad geen trap; de gang loopt dood. Wel zijn
er aan weerszijden van de gang kamers, maar het lijkt erop dat de deuren op
slot zitten.
Daar moest ze dus inkomen, in die kamers. Maarja, het kon maar eenmaal niet,
dus probeerde een van de deuren ernaast.
Pas halverwege de gang krijgt Eleanor een van de deuren open. Ze komt in een
slaapkamer terecht. Voor het raam zit een oudere vrouw die niet opkijkt als
Eleanor de deur opent. "Ja?"
"De-eh" stamelt Eleanor als ze de vrouw ja, hoort zeggen.
"Ikke-eh," oh, wat staat ze hier nou dom te doen, die vrouw zal wel
denken!"
De vrouw draait zich iets om. "Wat kom je doen, meisje?"
"Eh, weet ik niet, ik eh, ik ging de verkeerde kamer binnen denk ik,"
zegt Eleanor zenuwachtig, wat is ze ook een watje.
"Wie zoek je dan?" vraagt de vrouw, niet onvriendelijk.
"Een kind, en ik mag het van de Gravin," zei Eleanor om lange gesprekken
te voorkomen. Ze maakt aanstalten om weg te gaan, dit was alleen maar tijd verspilling,
zoals ze het kon noemen.
"Een kind en je mag het van de gravin," herhaalt de vrouw. "Wat
bijzonder."
"Bijzonder? Wonen er hier geen kinderen soms?" vraagt Eleanor verbaast.
Ze vergeet wat ze dacht zonet, en kijkt de vrouw aan.
"Of is er iets anders? De gravin vond het ook al raar."
"Hier wonen inderdaad geen kinderen..." antwoordt de vrouw. "Alleen
bij de bedienden zijn een paar kinderen..."
"Ow, naja, ik ga maar weer eens! Dag mevrouw!" zegt Eleanor als ze
vebaast de kamer verlaat. Ze vind het raar dat ze toch een kind hoorde maar
toch blijft ze verder zoeken.
"Wacht even meisje," roept de vrouw achter haar. "Kom eens terug?"
"He? Wat?" zegt Eleanor als ze de vrouw hoort. Ze kijkt om de hoek
van de deur naar de vrouw. "Pardon, maar wat is er?"
"Niet zo snel, vertel eens wat je precies hebt gehoord. En wat de gravin
zei."
" 'Ik geef je toestemming om door te zoeken. Als iemand je tegenhoudt,
zeg dan maar dat de gravin gezegd heeft dat het mag.' Dat zei de Gravin, en
wat ik precies hoorde vroeg de gravin ook al en dat weet ik niet precies!"
riep Eleanor boos uit. Ze liep de kamer uit en stapte gang in. De deur sloot
ze, niet al te hard want ze wilde ook geen onbeschofte indruk maken.
Iedereen die zo irritant vroeg wat ze hier deed, wat ze hier nou priecies hoorde.
Oh! Ze werd er gek van!
Als Miara de gang
op loopt ziet ze een vrouw die net de gang op loopt. Zo te zien is ze niet veel
jonger dan ik. Ze stapt op haar af om kennis te maken. "Hallo, ik ben Miara.
Wie ben jij? Volgens mij heb ik je nog nooit eerder hier gezien."
"Hoi," zegt Eleanor als ze de vrouw ziet. Ze lijkt haar aardig, en
geeft daarom snel antwoord op haar vraag.
"Ik ben Eleanor, Aangenaam kennis te maken! Maar, wie bij jij eigelijk
nog meer?" vroeg Eleanor, en ze keek Miara aan.
Miara lacht vriendelijk. "Eigenlijk ben ik niet zo veel hoor, ik zwerf
een beetje rond en verdien geld door te dansen. Ik ben nu een paar dagen op
bezoek bij mijn oudtante, je hebt haar zojuist ontmoet." Ze wijst op de
deur waar Eleanor net uit is gekomen. "Wat deed je eigenlijk bij haar?
Ken je haar?" Het klinkt niet achterdochtig of beschuldigend, maar gewoon
belangstellend.
Eleanor krijgt een kleur, ze was net niet zo aardig tegen de vrouw geweest,
en ze had geen zin om haar nog eens onder ogen te komen. Daar schaamde ze zich
te veel voor.
"Ik, eh, ik nam de verkeerde deur. Toen kwam ik bij je oudtante, maar ik
ken haar niet hoor."
" Heb je hier ook iets interressants te doen, of wou je gewoon weten hoe
de burcht er van binnen uitziet?" Ze denkt even na. "Wil je misschien
iets eten of drinken?" Voegt ze toe.
Eleanor antwoordt expres niet op de eerste vraag van Miara, en zegt dus snel
dat ze wel wat te eten of drinken wil.
Miara loopt weer terug naar de deur waar ze uit kwam. "Ik heb nog wat in
mijn kamer staan." Ze duwt de deur open, stapt naar binnen en houd de deur
open voor Eleanor.
Eleanor loopt ook de kamer van Miara in en doet de deur zachtjes achter zich
dicht.
"Ga zitten." Ze wijst op een paar stoelen bij het raam. Tussen de
stoelen staat een tafeltje met een pot thee en een schaal cake. Miara gaat zitten
en schenkt thee in twee kopjes. "En je hebt nog geen antwoord gegeven op
mijn vraag."
Eleanor gaat zitten en zegt: "Ik zoek eigelijk iemand, ook al weet ik niet
hoe die eruit ziet." zegt ze en ze pakt zonder te vragen een plakje cake
van de schaal en eet die op.
"Hoe wil je diegene dan vinden?" Vraagt ze verbaasd. Ze pakt ook een
stuk cake en kijkt Eleanor geïntreseerd aan.
"Tsja, goede vraag. Ik had gehuil van een baby op straat gehoord. Het kwam
van deze kant af, dus toen ben ik het kasteel ingelopen. Het leek steeds van
boven te komen, dus eigenlijk ben ik nogsteeds niet op de goede plek,"
zei Eleanor, en pakte ook een kopje thee, ze had vreselijke dorst.
Miara denkt even na. "Voor zover ik weet zijn er geen baby's boven, maar
zeker weet ik dat ook niet." Ze zet haar lege kopje thee neer. "Als
je het niet erg vind wil ik wel meehelpen zoeken."
"Erg? Lijkt me juist fijn! Vier ogen zien meer dan twee!" zegt Eleanor
bij.
"Maar ik denk eigenlijk ook niet dat de baby hier met toestemming is, snap
je. Hij is hier waarschijnlijk in het geheim ofzo. Ik hoorde namelijk echt gehuil
van een baby, maar niemand zegt dat hij weet dat er baby's in het kasteel zijn!"
zegt Eleanor, en ze kijkt nadenkend rond
"Ik denk dat, als jij het buiten gehoord hebt, ze het hier ook wel gehoord
zullen hebben. Misschien weten ze er wel van, maar mogen ze er niks van zeggen?"
Miara raakt opgewonden. Geheime dingen zijn altijd leuk om te onderzoeken.
Een harde schreeuw weerklinkt, het lijkt hetzelfde kind te zijn. Eleanor en
Miara horen het allebei.
Eleanor springt op.
"Kom, snel! Misschien is er wel iets aan de hand!" roept ze tegen
Miara.
Ze wacht niet tot Miara haar hoort, en loopt snel de kamer uit de gang op.
Ze weet opeens niet meer waar de kreet nu vandaan kwam...
Miara staat op en loopt snel achter Eleanor aan. Daar staat ze stil naast Eleanor,
en probeert te bedenken waar de kreet vandaan kwam. Miara staat op en loopt
snel achter Eleanor aan. Daar staat ze stil naast Eleanor, en probeert te bedenken
waar de kreet vandaan kwam.
"Het komt weer van boven... Maar naar iedereen verteld, is er geen verdieping
boven... Het dak! Misschien is het kind op het dak!"
Opeens schiet Eleanor het binnen. Er is geen boven verdieping, dus móét
het wel op het dak zijn...
"Miara, hoe kom je op het dak?" vraagt Eleanor aan Miara en hoopt
vurig dat ze dat weet.
Miara kijkt richting het plafond. "Ik heb geen idee. Maar laten we gaan
zoeken naar een trap."
"Tsja, daar heb ik ook al naar gezocht, maar niet gevonden. Maar we kunnen
natuurlijk nog wel even verder zoeken!" zegt Eleanor, maar veel overtuiging
zit niet in haar stem.
Ze wachtte tot Miara een kant op ging. Zelf wist ze namelijk niet waar ze heen
zou moeten...
Miara aarzelt even en slaat dan linksaf de gang in.
Eleanor volgt haar, blij dat ze niet zelf weer ergens geen moet zoeken.
"Oke, en nu?" vraagt Eleanor.
"We kunnen beginnen met achter elke deur te kijken. Misschien is er zelfs
wel ergens een geheime deur, of is het een luik in het plafond."
"Dat word een moeilijk opdracht, alle deuren!" ze loopt gelijk naar
een deur en opent hem. «