AOLARPG: De grote weg
Van Nobles naar Stend loopt een lange weg, dwars door mijlen heuvels en grasland.
---------------------------
»
Mariëtte is op weg naar Nobles als ze merkt dat het al gaat schemeren.
"Doorlopen dan maar," gromt ze in zichzelf. Ze begint sneller te lopen,
in de hoop dat ze nog voor de nacht een schuilplaats vind.
"He, wacht even," hoort ze plots achter zich.
Mariëtte draait zich om en kijkt rond. Eerst ziet ze niets, maar als ze
beter kijkt ziet ze ver weg een vage schim. Twijfelend blijft ze staan.
"Wie bent u?" vraagt ze.
Een zuchtje wind blaast Mariëttes haren in de war. De schim, althans de
contouren, want meer was het niet, is alweer verdwenen. Dan hoort ze weer de
stem.
"Mijn naam is Xinthia, wie ben jij?"
"Wel eh... ik ben Mariëtte," antwoordt Mariëtte aarzelend.
Met haar hand boven haar ogen probeert ze de schim weer te vinden. Nu wordt
ze toch wel een beetje bang. Achter haar hoort ze geritsel. Meteen draait ze
zich om. "Wat wil je van me?!"
"Niet bang zijn!" Xinthia klinkt geschrokken. "Ik wil gewoon
met je praten! Het is zo lang geleden dat ik met iemand kon praten!"
Mariëtte aarzelt nog even. "Oké dan," zegt ze uiteindelijk.
"Maar dan wil ik je wel kunnen zien"
Het is een hele tijd stil. Dan zegt Xinthia bedrukt: "Ik weet niet of dat
kan..."
"Waarom niet?" Mariëtte kijkt rond. "Kom maar."
"Misschien lukt het als je je ogen dicht doet." Xinthia klinkt twijfelend.
Mariëtte doet haar ogen dicht. Ze vertrouwt het niet helemaal. Straks gebeurt
er iets vreemds. Ze hoort dat de wind harder gaat waaien. Bladeren ritselen.
Langzaam opent Mariëtte haar ogen weer.
"Nee, hou je ogen dicht!" zegt Xinthia geschrokken.
Snel doet Mariëtte haar ogen weer dicht. "Waarom eigenlijk?"
Ze vind het maar raar dat ze haar niet mag zien.
In haar gedachten doemt dan het gezicht van een meisje, ongeveer veertien, op.
Ze heeft donkergroene ogen en donkerbruine haren. Een ondeugende glimlach speelt
om haar mond.
"Je ziet me nu, niet waar?" vraagt Xinthia.
"Ja, ik zie je," antwoordt Mariëtte. "Je bent zo jong. Ik
had je veel ouder verwacht."
Even twijfelt Mariëtte, maar dan vraagt ze het toch: "Wat doe je hier
eigenlijk?"
"Ik dool hier maar wat rond," antwoordt Xinthia. Als Mariëtte
haar ogen weer opent, merkt ze dat ze het meisje niet ziet.
"Waarom kan ik je niet zien als ik mijn ogen open doe?" Mariëtte
loopt langzaam achteruit. Plotseling struikelt ze ergens over. Het wordt zwart
voor haar ogen.
"Voorzichtig!" is het eerste dat Mariëtte hoort als ze weer bijkomt.
"Let je nog wel op de weg?"
Dan is het een tijdje stil, tot Xinthia toch antwoord geeft op de eerder gestelde
vraag. "Je kunt me niet zien omdat ik een schim ben, een spook zo je wilt."
"Een spook! Vertel!" Meteen gaat Mariëtte op de grond zitten.
"Ik heb alle tijd."
"Ik ook," lacht Xinthia. "Wat wil je weten?"
"Begin maar bij het begin. Hoe ben je een spook geworden? Wie was je daarvoor?"
"Ik ben niet echt een spook," antwoordt Xinthia, "althans niet
iemand die na de dood 'half' blijft voortleven, als je dat ermee bedoelt. Ik
ben een schim en ik ben altijd zo geweest, al zo lang ik me kan herinneren."
Xinthia praat de verdere weg door met Marije, tot de avond valt. Op advies van
de schim, zet Marije een soort kampementje op langs de weg.
"Ga gerust slapen, ik houd de wacht wel," drukt Xinthia haar op het
hart. Marije vertrouwt haar en slaap een verkwikkende slaap, tot ze door de
eerste stralen van de zon gewekt wordt. «
---------------------------
Ergens halverwege, mijlen ten oosten van Nobles, komt een groep ruiters de weg
op rijden. Sam houdt als eerste halt. "Naar het oosten, lijkt me?"
"Als het Oosten is waar Stend ligt, dan is het oosten waar wij naartoe
gaan!" lacht Sanguin maar zijn gezicht en stem geven een sombere sfeer
aan de omgeving. Sanguin kijkt boven naar de hemel en probeert te ontcijferen
hoe laat het ongeveer zal zijn. De zon is al bijna onder en de maan staat alweer
half hoog. "We rijden totdat we bij een herberg komen, tenzij men liever
buiten kampeert waar men de 'andere' dieven moeten bevechten."
Na een tijdje rijden spreekt Sanguin weer. "Ik vraag mij toch af wat de
gemantelde van een boek wilt dat "Zwart" heet..., iets aan de naam
geeft mij al een onheilspellende gedachtegang."
"Geen vragen stellen, dat is het beste." Sam klinkt licht afkeurend.
Hij lijkt zich te ergeren aan Sanquin, maar het is niet duidelijk waarom precies.
Ondertussen dendert de groep voort. Het wordt al later, de zon is bijna onder
en de schemering overheerst. Op een gegeven moment galopperen de acht langs
een woonwagen die iets van de weg af staat, maar ze houden geen halt.
Nog enkele mijlen verder doemt een oude herberg op. Het uithangbord is versleten,
de ramen zijn vuil en de muren vertonen scheuren. Sam houdt in.
"Wil je hier stoppen?" vraagt hij tussen opeengeklemde kaken door.
"Als we doorrijden zijn we voor middernacht in Stend."
"We stoppen hier, Sam," antwoordt hij kort terwijl hij Sam onderzoekt.
Hij wilt wat zeggen, maar hij wilt de groep en Sam niet tegen zich keren. In
plaats van meteen te praten aait hij eerst door de manen van Lukas om rustig
te blijven terwijl hij zich probeert in te beelden wat Sam lastig valt.
Lukas begint al langzamer te rijden en Sanquin kijkt naar de herberg, hij probeert
de naam op het uithangbord te lezen. De ramen en muren tonen ouderdom en geweld,
er is zeker iets aan de herberg wat niet goed is. Hij stijgt af en bekijkt de
herberg van dichtbij.
"Sam..." begint hij op zijn hoede en kalm. "Is er iets aan mij
wat jou stoort?" Langzaam probeert hij met zijn mensenkennis Sam te doorgronden.
Sam wendt zich af en begint zijn paard af te zadelen. "Niets, geëerde
leider," de laatste woorden komen er sarcastisch uit. Hij werpt een minachtende
blik op de herberg en kijkt dan even naar het oosten. Hij geeft er duidelijk
de voorkeur aan door te rijden, maar wat er verder aan de hand is, kan Sanquin
niet achterhalen.
" Weet je wat Sam, je hebt gelijk. Ik hoor niet te leiden, vanaf dit moment
mag jij zeggen wat we gaan doen. Fijn, goed? Mooi zo!" zegt Sanquin ligt
gepikeerd en stapt weer op het zadel van Lukas. "We rijden door, totdat
we in Stend aankomen. Heer Sam!" spreekt hij sarcastisch en alleen rijdt
hij voorop op de groep met een boze blik in zijn ogen en knarsende tanden.
Een spottende lach speelt om Sams mond, maar als hij achter Sanquin en de andere
aan rijdt, is er duidelijk een triomfantelijke glittering in zijn ogen te herkennen.
Eigenlijk wou Sanquin er geen acht aan geven, maar iets vertelde hem dat hij
waarschijnlijk eens tegenover Sam zal staan en dan zal hij niet twijfelen om
hem te doden. Met een simpele blik keek hij naar hem en spuugde op de grond.
Maar een duivelse lach is getekent op zijn gezicht wanneer hij recht voor zich
uit kijkt, hij laat Sam denken dat hij alles bij hem kan maken en dat hij naar
hem zal luisteren. Het omgekeerde is waar, hij hoeft maar één
verkeerde beweging te maken en hij zal rondhuppelen met een been minder of een
stuk uit zijn borst.
De tijd rijdt voorbij als een ruiter met een onvermoeide paard en lichtjes uit
Stend dwarrelen voor hen, een vluchtige kijk naar Sam wiens ogen nogsteeds glitteren
van valse triomf. Een valse mondhoek steekt naar buiten als Sanquin vaart verminderd
en naast Sam gaat rijden. "Wat doen we nu?" spreekt hij nederig en
rustig.
"Een herberg zoeken?" stelt Sam voor. Uit zijn stem zijn zijn gevoelens
niet op te maken.
"Ja, ik denk dat een herberg zoeken wel een goed idee zal zijn inderdaad,"
spreekt hij afwezig en uitermate kalm. Hij bekijkt Sam goed, nee hij is het
niet waard om door hem vermoord te worden. Waarschijnlijk is hij ook geen echte
leider maar vindt hij het echter wel fijn om eens te leiden als een echte leider.
Hij zal hem in zijn waas laten, voorlopig dan.
De nacht valt en ze rijden Stend binnen, meteen gaat hij op zoek naar een goede
herberg om hen schuil te geven.
--------------------------- (Stend)
---------------------------
» Mahina is in gedachte verzonken. De weg naar
Stend is nog lang. Ik hoop dat ik daar eindelijk wat geld kan bij verdienen.
De laatste keer liep het bijna verkeerd af.
Haar paard blijft even staan en draait zijn oren. Ze kan niks zien, omdat
de woonwagen zo breed is, maar in de verte hoort ze iets. "Volgens mij
komt er een groep ruiters aan. Laten we maar een beetje verdekt opstellen. ik
vertrouw het niet." Ze stuurt het paard een stukje van de weg af en blijft
gespannen luisteren.
Mahina heeft de groep langs zien komen en is opgelucht dat ze niet zijn gestopt.
Zelf is ze, doordat haar tempo aanzienlijk lager is dan dat van de mannen te
paard, nog een klein uur verwijderd van de oude herberg.
Het begint donker te worden. Mahina ziet in de verte een lichtje branden.
"Daar moet een herberg liggen." Zoals altijd praat ze tegen haar paard
die haar enigste gezelschap is. "We moeten voorzichtig zijn."
Het idee dat ze weer een fatsoenlijk maaltijd kan eten is zeer verleidelijk.
Langzaam komt de herberg dichterbij en ziet het er naar uit dat het er rustig
is. Ze ziet geen paarden staan, blijkbaar zijn de soldaten doorgereden. Ze loopt
met een gerust hart naar de deur.
De deur kraakt als Mahina die openduwt. Binnen is het, op een enkel flakkerend
kaarsje na, donker, stil en stoffig.
Mahina vertrouwt het niet. Haar hand glijdt naar de dolk die ze onder rok bewaard.
Ze loopt de herberg binnen. "Hallo, is daar iemand? Hallo. Klanten."
Ze blijft stil staan en luistert ze hoort alleen de wind die door de kieren
waait. Er komt geen antwoord. Ze ziet een open haard waar nog hout ligt na te
smullen. Er liggen nog houtblokken naast de haard. Mahina pakt een blok hout
en gooit het er op. "Dan kan ik me in ieder geval nog opwarmen. Ik vraag
me af wat er hier gebeurd is. Er is helemaal niemand en toch was er nog vuur
in de haard." Ze warmt haar handen aan het vuur en denkt zwijgend na.
De nacht trekt voorbij voor Mahina. Het vuur heeft haar loom gemaakt en met
het verstreken van de uren is ze langzaam door slaap overmant.
Ze wordt weer wakker door de geur van versgebakken brood.
"O wat heerlijk die lucht." Mahina sneuft de geur van het verse brood
nog diep naar binnen. Ze kijkt om zich heen. De zonlicht kan goed de herberg
in komen. Er is niemand te zien, wel is er duidelijk iemand geweest. Er ligt
niet alleen brood, maar ook kaas en zijn er nieuwe houtblokken bij de haard
gelegd. Mahina loopt naar de stal waar ze haar paard heeft neer gezet. Het paard
heeft vers water en voer gekregen. "Ik vraag me af wie dit allemaal doet.
Hij verdient in ieder geval een beloning voor zijn goede zorgen."
Er is echter niemand te zien die Mahina kan bedanken.
Mahina zucht nog eens diep. Ze gaat rustig bij het vuur zitten. Ze heeft in
de stal gezocht en een deel van de herberg, maar geen leven te bekennen. De
herberg is duidelijk al heel lang verlaten. Ze heeft wel een boek onder het
stof gevonden. Het boek is door een troubadour geschreven en ging over zijn
zwerftochten. Al gauw is ze diep verzonken in het verhaal.
Tegen lunchtijd komt er plotseling gerammel uit de keuken. Iemand, of iets,
lijkt de verroeste potten en pannen te willen gebruiken.
Mahina schrikt van het geluid. Haar hand gaat naar haar rok en klemt zich stevig
om haar dolk. Langzaam sluipt ze richting de keuken. Er valt een schaduw de
zaal van de herberg binnen. Ze stopt naast de deur van de keuken en houdt haar
adem in.
Er komt echter niemand de keuken uit.
Ze draait met een ruk naar de keuken. Het dolk houdt ze geheven in haar hand.
Ze ziet dat er pannen op het vuur staan en de heerlijk geur maakt dat ze bijna
wankelt.
Toch is er nog steeds niemand te zien. De inhoud van één van de
pannen borrelt. Als Mahina gaat kijken, ziet ze dat er een soort pap in zit.
In tegenstelling echter tot de normale goedkope brij die veel herbergen serveren,
ruikt deze heerlijk gekruid.
Mahina pakt een houten kom van de plank en schept de pap er in. Wie het ook
allemaal doet ze is degene dankbaar. Ze blaast nog een keer over de lepel en
neemt daarna een hap van de pap. "Mmm, dat smaakt naar meer. Wie het ook
is, hij weet goed hij alles moet doen." Ze denkt nog eens goed na, volgende
keer zou ze wat actie ondernemen.
Een windvlaag doet Mahina opschrikken. In de gelagkamer klappert de deur.
Mahina voelt haar hart bonken in haar keel. Ze neemt haar dolk in de handen
en springt de gelagkamer binnen. Nog altijd niks te zien. "Wie is daar?
Laat je zien. Ik wil weten wie je bent."Langzaam loopt ze naar het midden
van de kamer. Ze dacht dat ze iets had gezien. "Ik weet dat je er bent."
Een hele tijd gebeurt er niets. Dan hoort Mahina in de keuken het gesop en geplons
van water. Als ze genoeg moed heeft verzameld om naar binnen te gaan, ziet ze
dat haar nap en lepel, hoewel nog nat, schoon op het keukenblok liggen.
Ze pakt de lepel en staart er naar. Voorzichtig legt ze hem weer terug. Ze ziet
een teil waar een sop in staat er naast ligt een handdoek. Ze raakt de handdoek
aan, die nog nat is. Mahina gaat tegen een kast staan. Ik blijf hier staan.
Op een gegeven moment moet hij zich weer hier laten zien.
Een kwartier verstrijkt. Een kwartier waarin niets gebeurt en niemand verschijnt.
Mahina begint verveeld aan haar rok te plukken. Ze moet zichzelf in bedwang
houden om niet heel het huis te door zoeken. Ze pakt een houten beker van de
plank en schenkt wat water in. "Waarom laat hij zich niet zien?" Ze
zucht diep.
Buiten beginnen de vogels te fluiten en ondanks dat ze zich wat verveeld, merkt
Mahina plotseling dat ze zich op haar gemak voelt in de herberg. Ze voelt zich
zelfs bijna thuis.
Ze besluit een kijkje te nemen bij haar paard. Deze staat rustig in de stal.
Zijn voederbak en drinkwater is weer bijgevuld. Ze aait hem over zijn snuit.
"Jammer dat je niks kunt zeggen, anders wist ik nu wel wie het is die goed
voor ons zorgd." Ze kijkt in het rond. De zon valt door de deur. Mahina
denkt even iets van vroeger terug te zien, maar schudt het weer van zich af.
Een muis schiet voor Mahina's voeten langs het hooi in. Even piept het beestje
nog vrolijk, dan is het verdwenen.
Ze draait zich om een loopt de stal uit. Ze besluit om een tijdje in de herberg
te blijven. Uit haar zadeltas heeft ze wat slaapspullen gehaald.
"Ze hebben hier vast ook goede bedden om op te slapen." Ze loopt de
herberg weer binnen om naar boven te gaan.
Boven zijn zes van de zeven kamers leeg. In de zevende vindt Mahina een keurig
opgemaakt bed met frisse, witte lakens.
Ze loopt de kamer binnen en gaat op het bed liggen. Ze voelt hoe ze langzaam
in een diepe slaap valt.
Als Mariëtte
wakker wordt, is het eerste wat ze hoort Xynthia's opgewekte "goedemorgen!".
Ze staat op en wrijft haar ogen uit. "Goedemorgen," glimlacht ze.
"Wat een heerlijke dag!"
Dan voelt ze haar maag knorren en ze trekt een scheef gezicht. "O, ik heb
geen brood meer!"
Xynthia lacht en een briesje beroert Mariëttes gezicht. "Daar kan
ik wel wat aan doen! Kom mee, ik weet hier vlakbij een herberg waar vast wel
brood te vinden is."
Zonder nog iets te zeggen, leidt ze Mariëtte naar het, enigszins vervallen,
gebouw. "Kom binnen, er is hier niemand!"
"Maar wel brood?" vraagt Mariëtte verbaasd.
"Wacht maar af," grinnikt Xinthia.
En inderdaad, het eerste wat Mariëtte ziet als ze binnen is, is een net
schoongemaakte tafel met één stoel, waar op een bord een brood
ligt te dampen.
"Eet smakelijk!" lacht Xinthia.
"Maar, hoe..." begint Mariëtte, terwijl Xinthia haar onderbreekt.
"Later, eet nu maar eerst."
Achter Mariëtte ploft de deur dicht.
Boven wordt Mahina wakker van het geluid en beneden begint Mariëtte genietend
te eten.«
---------------------------
---------------------------
---------------------------
(Nobles)
--------------------------- (Nobles)
--------------------------- (Nobles)
---------------------------
(Nobles)
---------------------------
(Nobles)
»
Als ze de poort van Nobles uit zijn, gaat de groep in een rustig tempo op weg
richting Stend. De weg die zich voor hen uitstrekt is lang en ze schieten er
niets mee op hun paarden te vermoeien door ze maar vooruit te drijven. Daarnaast
gaat reizen in een groep nu eenmaal altijd langzamer. Ondanks dat kijkt Mordar
behoorlijk chagrijnig. Zelfs Nynaeve, die zichzelf als doel heeft gesteld uit
te vinden wat er in de geheimzinnige man omgaat, geeft het na enkele pogingen
maar op.
Arsennon en Amy ondertussen rijden zwijgzaam naast elkaar, terwijl Luan en Lucas
een eindje voor de groep rijden.
Ze zijn nog geen twintig mijl van Nobles verwijdert als een nieuwe onderbreking
zich opwerpt. Schijnbaar vanuit het niets komt plotseling een klein, verwilderd
joch de weg op rennen. Luan kan nog net op tijd haar paard inhouden en Lucas
rijdt met een grote boog om de jongen heen, zo bijna in de bosjes terecht komend.
"Wat...?" begint Mordar, maar hij doet er het zwijgen toe als hij
de jongen ziet. "Niet weer..."
Arsennon kijkt bedenkelijk. Voor hij iets kan zeggen echter, is Luan al afgestegen
en biedt de jongen wat van haar brood aan. Als een uitgehongerde wolf schrokt
het kind het eten op en stelt zich daarna met een enkel woord voor: "Daefr."
Hij kijkt schuchter van de een naar de ander en houdt vervolgens vragend zijn
handen op voor Luan. "Eten?" Amy is ook afgestegen en kijkt vertederd
naar het jochie.
"We kunnen hier niet blijven wachten, we moeten verder," begint Arsennon.
Hij wordt onderbroken door de smeekbeden van Amy en Luan, die de jongen allebei
mee willen nemen. "Kijk eens hoe hij eruit ziet!" "Hij is helemaal
alleen!" "We kunnen hem zo toch niet achter laten?"
"Anders blijf ik wel hier," zegt Amy plotseling.
Lucas is ondertussen rond gereden en zegt: "Er is hier inderdaad verder
niemand." Het uiterlijk van Daeft, vuil, onder de modder en de takjes,
lijkt er ook op te duiden dat het kind inderdaad zonder verzorgers of medereizigers
ronddwaalt.
Arsennon kijkt nog steeds geschokt naar Amy als Mordar zegt: "Neem dat
joch maar mee. Hoe meer zielen, hoe meer vreugd." Dat laatst komt er cynisch
uit. "Daarnaast geloof ik dat dat uw táák is, nietwaar tempelier?"
Hij wacht niet op antwoord, maar zegt enkel: "Laten we nu maar verder gaan."
Arsennon neemt Daefr afwezig bij zich op het paard, terwijl hij naar Amy blijft
kijken.
Ook de rest van de groep stijgt weer op en al snel zijn ze weer op weg.
Arsennon gaat opnieuw naast Amy rijden. Kon ik maar even alleen met haar
zijn.
Het volgende wat hij weet is dat Daefr zich van zijn paard laat glijden
en soepel op de grond terecht komt, ondanks dat het paard in een vlotte draf
reed.
---------------------------
---------------------------
---------------------------
---------------------------
---------------------------
Sanguin en Sam
en de rest van de groep hebben Elanor en Primula nog steeds gegijzeld. Ze zijn
vanaf Stend enkele tientallen mijlen zuidelijk gereden en staan nu op het punt
van de weg af te buigen.
Dan ziet Elanor plotseling een andere groep ruiters in de verte.
Daefr rijdt nog steeds bij Amy op het paard, terwijl Luan en Lucas nu naast
elkaar rijden. Nynaeve en heer Mordar rijden daarachter, terwijl Arsennon een
eindje voor de groep uit rijdt. Hem valt als eerste de andere groep ruiters,
een stukje noordelijker op de weg, op.
Luan werpt af en toe een speelse blik richting Lucas, maar durft hem nog steeds
niet recht aan te kijken. Daefr heeft haar aandacht tijdelijk van de jongen
afgeleid, maar nu kan ze niet anders dan een gesprek beginnen (zo vindt ze dat).
"Wat denk jij van Daefr?" vraagt ze, met nog een schuine blik richting
Lucas. "Hij is toch wel een beetje vreemd, vind je niet?"
'Op zijn zachtst gezegd, ja....'
Lucas blijft onopvallend naar het jongetje kijken.
'En erg apart. Hij heeft ook bijna niets gezegd.'
Dan kijkt hij weer opzij naar Luan, die ondanks haar bezwaren tegen zelf paardrijden
het nu best onder de knie heeft.
'Zo. Paardrijden is makkelijker dan je dacht, he?'
Hij lacht naar haar, en hij geeft haar een knipoogje, waarna hij zijn paard
naar voren drijft en even naast Arsennon gaat rijden.
'Waar gaan we nu ook al weer heen?'
Amy kijkt naar het jongetje dat bij haar op het paard zit. Een byzonder jongetje
denkt ze. Een jongetje met waarschijnlijk bijzondere gaven. Ze staart even vooruit
naar Arsennon. Waarom is het lot ongustig, waarom hebben we elkaar nog niet
alleen kunnen spreken sinds we uit nobles weg zijn gegaan? Het is waarschijnlijk
zo bedoeld, ik moet hem maar vergeten. Vergeten, waarom er is toch niets tussen
ons? Hij intrigeert mij alleen. Zo in gedachten verzonken rijdt ze verder.
Nynaeve hobbelt ongemakkelijk heen en weer achter op Mordars paard. Ze begint
steeds meer en meer een enorme hekel te krijgen aan de zwijgzame man, gezien
al haar pogingen tot een gesprek tot nu toe mislukt waren.
Met tegenzin slaat ze haar armen om Mordar heen, om het hobbelen wat te verminderen.
Door het lange reizen en de stilte tussen haar en Mordar zijn samen met haar
goede humeur ook al haar behoeften om mensen te koppelen verdwenen.
"En erg apart. Hij heeft ook bijna niets gezegd." zegt Lucas. Luan
knikt, de woorden die ze van de jongen had gehoord kon ze op een enkele hand
tellen. Ze staart bedachtzaam naar Amy's rug, wetend dat Daefr bij haar voorop
het paard zit. Ergens was ze een beetje jaloers, ze wil Daefr ook wel voorop
haar paard hebben, zodat ze hem misschien aan het praten kan krijgen. Door Lucas
woorden schrikt ze weer uit haar gedachten op, ze slaakt een korte zucht en
kijkt nog eens naar beneden. "Zolang we maar niet gaan rennen," geeft
ze eerlijk toe. Ze vindt het eigenlijk wel leuk, hoewel ze in het begin moeite
had met zichzelf te ontspannen. Na een kwartiertje kwam ze erachter dat het
veel gemakkelijker gaat als je jezelf ontspant, vandaar dat ze nu rustig op
het paardje zit. Tot haar teleurstelling ziet ze dat Lucas naar Arsennon rijdt:
vindt hij haar saai? Ze werpt een blik richting de rug van de jongen, en gaat
dan -gewaagd naast heer Mordar en Nynaeve rijden, net op het moment dat Nynaeve
haar armen om de heer heen slaat. Luan staart verschrikt naar de twee: nog een
opbloeiende romance? Ze slikt, en besluit dan maar veilig naast Amy -en Daefr-
te gaan rijden. Daar aangekomen vraagt ze: "En, heeft hij nog honger?"
Nynaeve kijkt opzij naar een verbaasde Luan. Oh, erwtensoep! Nu denkt iedereen
ook nog dat hier wat aan de hand is!
Snel trekt ze haar armen terug, ongemakkelijk hobbelen verkiezend boven roddels.
Daefr wijst naar Arsennon, blijkbaar wil hij dat Amy naast hem gaat rijden.
Amy kijkt op als Luan naast haar komt rijden. "Ik weet niet of hij honger
heeft" Zegt ze tegen haar. Dan wijst Daefr naar Arsennon. "Zou hij
willen dat we naast Arsennon gaan rijden?" vraagt Amy aan Luan. Eigenlijk
vind ze dat best rot tegenover Luan, daarom wacht ze eerst haar reactie af.
"Kom op,
Sam." zegt Sanguin voor zich uitkijkend. "We moeten snel terug, anders
zal hij niet blij met ons zijn..." Dan kijkt hij naar de vrouwe voor hem.
"Mijn excuses dat we u moeten meenemen, echter was er geen andere keus."
fluistert hij in haar oor. "Ik zal ervoor zorgen dat er niets met je gebeuren
zal, en dat je goed verzorgt wordt." dan kust hij haar zachtjes in haar
nek. Echter onbedoeld en impulsief, iets wat niet bij hem thuishoort.
Elanor trekt als reactie plots haar schouders op en haar wangen beginnen te
gloeien. Desondanks, weet ze een 'dankje' te mompelen.
Dan kijkt ze ineens op en fronst. Was dat Floortje? Ze schudt haar hoofd. Onzin..
dat kan niet..
Elanor? Dit is Floortje. Hoor je me? Alsjeblieft, antwoordt.
Weer fronst ze. Word ik gek? Hoe kan dit?
Elanor. Ik ben het, echt. Met de hulp van magie. Alsjeblieft, zeg wat.
Wat zou ik moeten zeggen? Hoe moet ik iets terugzeggen dan?
Oh, El. Ik ben zo blij je horen. Ik hoor je gedachte. Denk aan mij, en antwoordt.
Even onwennig kijkt Elanor om zich heen, ze is gewend mensen aan te kijken wanneer
ze praat en nu weet ze eigenlijk niet waar ze haar blik op moet richten. Hoe
gaat het met je? vraagt ze uiteindelijk, een beetje haperend.
Daarvoor stoor ik je nu. Sorry daarvoor. Ik heb je hulp nodig.
Hulp? Wat is er mis dan? Elanor fronst. Ik weet eigenlijk niet of ik iets kan
doen.. Maar als je het me zegt..
Ik zit een soort van gevangen...
Oh.. Ik eigenlijk.. ook, bekent Elanor, terwijl ze even omkijkt naar Sanguin,
Sam en Primula.
Dus we zitten in het zelfde schuitje. Er klonk een zuchtend geluid.
Wat is er met je gebeurd?
In het kort begint Elanor het hele verhaal te vertellen vanaf hun aankomst in
Stend tot nu, ze fronst als ze terugdenkt aan Illisér en vraagt zich
af hoe het met hem gaat. Ik hoop niet dat.. Ze maakt de zin niet af, haast bang
voor hoe het af zou kunnen lopen.
"Is er iets met je?" vraagt Sanguin bezorgd aan Elanor. "Je ziet
er afwezig uit, alsof je ergens aan het nadenken bent." Sanguin denkt er
niet te veel over na en vraag het ook onbedoeld. Hij staart weer voor zich uit
en ziet langzaam een groep met ruiters verschijnen. "Sam, zorg dat het
er niet er naar uit ziet dat we deze dames onder dwang op onze paarden hebben
en mannen sta klaar om ons in galop te gaan. We kunnen geen tijd verliezen!"
roept hij naar Sam en zijn mannen.
Elanor is nog in gedachten verzonken en schokschoudert een beetje afwezig.
Zachtjes tikt hij op haar schouder, in de hoop dat ze dan wel zal reageren.
De aanraking lijkt
haar inderdaad wakker te schudden en ze kijkt op. "Ik.. oh niets.."
Ze besluit dat ze misschien maar beter niets kan zeggen, nog niet in ieder geval,
aangezien ze betwijfelt of Sanguin enige positieve inbreng zal hebben.
"Hmm, oh ok.. dat is fijn."
Sanguin voelt zich nog apart om het maar zo te zeggen over het ontvoeren van
deze jongedame.
"Nog mijn ehm... excuses voor het abrupte meenemen van u uit Stend. Ik
zal er persoonlijk voor zorgen dat u niets zal gebeuren. Niets." probeert
hij haar geruststellend toe te spreken.
Elanor doet een poging tot een glimlach and slaagt er redelijk in - hoewel ze
natuurlijk haar twijfels heeft over zijn echte intenties. Hij heeft immers in
Stend al laten zien hoe goed hij is in zich anders voordoen dan hij is.
Terwijl Sam de eerste paarden aanspoort, merkt Elanor dat het contact helemaal
verbroken is. Toch kan ze het gevoel niet van zich afzetten dat Floortje heel
dichtbij was.
Mordar rijdt in
gedachten verzonken, met Nynaeve achterop. Hij lijkt het meisje amper op te
merken. Dan gebaart Daefr plotseling naar de horizon en zegt: "Paarden!"
Nynaeve kijkt op als ze Daefr hoort roepen. Ze probeert in alle mogelijke houdingen
om Mordar heen te kijken, zonder succes. Voorzichtig gaat ze op haar knieën
zitten, hopend dat ze er niet af valt of het paard pijn doet. Dan ziet ze de
ruiters.
Juist. Is het nou nooit eens genoeg? Nynaeve is er van overtuigd dat de ruiters
slechts in de zin hebben, gezien het feit dat ze met een Tempelridder en een
Heerschap rijdt.
Arsennon ziet in de verte een groep ruiters naderen. Om nog geen paniek te zaaien
kijkt hij eerst goed of hij kan uitmaken hoeveel het er zijn. Als Lucas naast
hem komt rijden en hem iets vraagd maant hij hem tot stilte. "Ssst, er
naderen ruiters."
Net als hij de groep wil laten halthouden roept Deafr "Paarden".
Hij draait om, gebaart Lucas dat hij door moet rijden of er niets aan de hand
is, en loopt terug naar Heer Mordar. Dan roept hij: "Blijf allen doorrijden
in deze formatie. Verminder wat vaart!"
hij kijkt even snel naar Amy om te zien hoe zij zich houdt. Dan gaat Arsennon
snel overleggen met Mordar.
Nog voordat Luan kan reageren Roept Daefr "Paarden" Amy kijkt in de
verte en ziet inderdaad enkele rookwolken van stof voor haar. Ze ziet Arsennon
omdraaien en naar Mordar rijden. "Wat zou er aan de hand zijn?" Vraagt
ze Luan. Ze voelt zich een beetje onzeker, maar deze keer is dit haar niet aan
te zien.
Als Arsennon bij Mordar komt, ziet hij dat deze bijna in een soort trance lijkt
te zijn. Het ziet er niet bedreigend uit, maar evenmin lijkt het erop dat de
man snel 'wakker' wordt. Arsennon zal het dus zonder zijn bevelen moeten doen.
Sanguin ziet dat
de groep ruiters vaart verminderen. Hij trekt een beetje aan zijn teugels zodat
Lukas ook langzamer gaat rijden. "Verminder de vaart maar Sam, het lijkt
erop dat deze ruiters angst hebben voor iets. We zullen ze vriendelijk begroeten,
maar als ze ons niet aanstaan of iets dergelijks, zullen we hen met onze wapens
begroeten." Hij probeert de groep ruiters te tellen en telt ongeveer zes
tot zeven personen.
"Als het een gevecht wordt, dan zijn we ongeveer met evengrote aantallen,
hoewel wij waarschijnlijk beter uitgerust zijn." in zijn achterhoofd echter
wilt hij het liefst de confrontatie vermijden, maar hij moet de rol van een
sterke leider op zich nemen en zich niet zwak lijken.
'Ja, Arsennon.'
Lucas vermindert iets vaart, en blijft gewoon rechtdoor rijden. Hij kan het
alleen niet laten om achterom te kijken naar wat Arsennon aan het bespreken
is met Mordar, en wat de rest aan het doen is.
Daarna kijkt hij weer naar voren, en let op wat de hun tegemoet komende ruiters
van plan zijn.
Arsennon ziet Mordar in een trance en besluit geen poging te ondernemen er iets
aan te doen. Ik zal vertrouwen op Mordar's gave. Hij is of aan het proberen
meer informatie over hen te krijgen, of iets beschermends aan het doen voor
ons. Ik zal mijn taak vervullen en hem beschermen!
"We gaan allen aan een kant rijden," zegt hij dan. "Als we langsrijden
groeten we vriendelijk, bij aanspraak doe ik het woord." Hij kijkt even
rond hoe zijn woorden ontvangen worden. "Er zijn veel gewapende mannen
in die groep, Ik rijd zelf voor Heer Mordar, Lucas rijdt voorop, achteraan Amy
en Luan." Dan kijkt hij naar de twee, maar in het bijzonder naar Amy. "Als
het uit de hand loopt, draaien jullie twee om en vluchten jullie tot onze laatste
overnachtingsplaats," voegt hij er aan toe.
Amy knikt en spoort haar paard aan om naar achteren te rijden. Ze voelt een
onrust in haar hart, een angst voor wat er zou gebeuren met Arsennon en lucas,
de man en jongen welke ze beiden in haar hart heeft gesloten. Ze slaat haar
vrije hand beschermend om Daefr heen, alsof dat hem en hen zou behoeden voor
gevaar.
Juist! En ik? Ik zit bij Mordar achterop! Nynaeve gromt. "Als het uit de
hand loopt vluchten jullie weg..." Mompelt ze zachtjes met een piepstemmetje,
Arsennon imiterend. Dat gaat niet!!!
"Nee, het maakt niet uit," wilde Luan net zeggen, maar opeens slaakt
Daefr een uitroep: paarden! Het blonde meisje fronst, en wendt haar blik van
de jongen op Amy's paard af en kijkt naar voren. Was het normaal dat die in
een rotgang over de weg hobbelden? Ze wil het vragen, maar op datzelfde moment
vertelt Arsennon haar en Amy om achteraan de groep te blijven, en te vluchten
als het uit de hand loopt. Vluchten?! denkt Luan, lichtelijk beledigd. Alsof
ik niet kan vechten! Haar hand gaat als automatisch naar de koker op haar rug.
Met pijl en boog kon ze wel omgaan, maar zwaarden waren een heel ander verhaal.
Dan denkt ze plots aan Daefr, en ziet dat Amy haar hand beschermend om de jongen
heeft gelegd. Arsennon heeft toch gelijk, iemand moet de jongen beschermen.
denkt Luan, en haalt haar hand weer van haar pijlenkoker af. Als het nodig zou
zijn, zou zij helpen! Zonder een woord te zeggen, draait ze haar paard onhandig,
en volgt die van Amy naar de achterkant van het gezelschap. Daarna richt ze
haar blik weer op de horizon; de ruiters zijn inmiddels al een stuk dichterbij.
Wat zal er gebeuren?
De twee groepen komen steeds dichterbij elkaar, totdat ze zo dichtbij zijn dat
ze zelfs elkaars gezichten goed kunnen zien. Daefr zwaait vrolijk naar Elanor,
maar verder lijkt er nog niets bijzonders te gebeuren.
Elanor glimlacht zwakjes naar het kind, maar doet verder niets.
Tenzij één van de anderen iets bijzonders doet, zullen de groepen dan ook gewoon langs elkaar rijden. Het valt alleen Ralmuski op dat de andere groep vrij zwaar bewapend is en sommige ruiters wat gespannen lijken, maar verder is er niets bijzonders te zien.
Sanguin ziet de andere groep nu goed en merkt op dat één van de ruiters een Tempelridder is. Ah bah, een tempelridder..., ik zal maar de mannen laten stoppen en kijken wat ik uit deze "nobele" ridder kan krijgen. denkt hij terwijl hij rustig aan de teugels trekt en Lukas langzaam tot stilstand komt. Hij gebaard de anderen om ook te stoppen en hij doet zijn hand omhoog om zowel de tempelridder te groeten als hem te gebaren om vaart te minderen en te stoppen.
De frustratie
van Nynaeve ontgaat Arsennon. Hij zit strak, recht op zijn paard en blijft tussen
Heer mordar en de passerende ruiters inlopen. Eigenaardige groep, veel te zwaar
bewapend voor een escorte. En te nerveus voor een georganiseerd huurleger. Hij
geeft een stijve knik als antwoord op de groet van de leider van de andere groep
die hen tot stoppen gebaard. De lederen grip waarmee zijn bijl aan het paard
hangt is al losgemaakt.
"Lucas, houdt maar even in."
Tegen de ruiters zegt hij, "Gegroet reizigers. Excuseert u ons. Wij hebben
geen tijd voor conversatie. Onze metgezel is getroffen door een acute aanval
van waanzin." Hij wijst op Mordar die nog in trance zit. "We hebben
wat haast om hem naar de dichtstbijzijnde tempel van de God te brengen om te
bidden voor zijn ziel." Hij werpt even een vragende blik op Elanor. Wat
moet een meisje als zij nou met deze groep uitschot? Om vervolgens snel terug
te kijken naar Sanguin en er aan toe te voegen, "het is wellicht besmettelijk,
dus hoe eerder we hem in een tempel hebben hoe beter." Hij moet innerlijk
een glimlach onderdrukken, maar hij kijkt er even strak bij als een tempelridder
die zijn geloften aflegt.
Elanor merkt de blik van Arsennon op en kijkt onwillekeurig weg, alsof ze zich
schaamt.
"Besmettelijk zegt u..." Sanguin kijkt naar de tempelridder en lacht
even.
"Mijn excuses." Sanguin laat even wat langer wat gelach horen en weet
dan zijn keel te schorten, hij kijkt weer serieus naar de tempelridder.
"Ik denk niet dat een god u kunt helpen, dus als u naar een tempel gaat
is dat ook af te raden." hij kijkt om naar de rest van zijn groep en vraagt
zich dan af of hij verder moet gaan of zich in moet houden.
"Waar gaat u eigenlijk heen, Oh edele tempelridder?" vraagt Sanguin,
nog net niet sarcastisch.
Wat een idioten, ze denken dat bidden naar een god helpt, hahaha. "Ik zal
als ik u was niet richting Stend gaan, ik heb gehoord dat daar een epidemie
uitgebroken is. Het wordt sterk afgeraden om zelfs in de omtrek ervan te komen."
Dan pas bekijkt hij de andere groep goed, ze lijken overweldigd door de zijne
en zijn wapens.
Ik ga nog niet aanvallen, sommigen van hen hebben een goede uitrusting, vooral
die tempelridder.
Amy kijkt het in het begin allemaal maar even aan. Als ze de zwaarbewapende
mannen ziet wordt ze een beetje bezorgt, eigenlijk zelfs bang. Het bevreemd
haar dat ze eigenlijk niet eens bang is voor zichzelf, ze beseft dat ze zich
daar het mist zorgen over maakt, maar de angst voelt ze voor de andere leden
van de groep, voor Nynaeve, Lucas, Daefr, Luan en Arsennon.
Ze volgt het een beetje op afstand wat er allemaal gebeurd en ziet het ene meisje
uit de andere groep beschaamd wegkijken. Het lijkt Amy helemaal geen meisje
wat zich zomaar bij zo'n groep zou aansluiten, maar dan bedenkt ze wat haar
vader had gewild met haar en bedenkt dat misschien ouderlijke machten het meisje
er ook toe gedwongen hebben.
Amy hoort Arsennon vertellen wat ze van plan zijn en moet inwendig lachen, maar
als ze merkt hoe de ruiter met hem probeert te sollen groeit er van binnen verontwaardiging
wat uiteindelijk uitgroeit tot diepe woede. Haar ogen lijken vuur te schieten
als ze naar de ruiter kijkt en als blikken konden doden was Sanguin nu een hoopje
as geworden.
Haar hart gaat tekeer en ze zou het liefst die kerel een flinke mep geven, maar
omdat ze beseft dat dit de groep geen goed zou doen houdt ze zich in. Een ieder
die nu haar ogen zou zien zou opmerken hoe ze van kleur verschoten zijn in zeegroen,
maar nog nooit waren ze zo donker van kleur
Arsennon blijft de man strak aankijken, zonder van uitdrukking te veranderen
als deze begint te lachen.
"U schijnt de ernst van de zaak niet juist in te schatten. U verlaat Stend
vanwege een epidemie en toch is niemand in uw groep nerveus als een vreemdeling
met een mysterieuze ziekte bij u in de buurt komt? Wij gaan als gezegd naar
de tempel van de God, wiens genade u zeer binnenkort wel eens nodig kon hebben."
Hij bekijkt de overige ruiters om te zien of er al een paar bijgelovig genoeg
zijn en bang om de ziekte op te pikken.
"Dus, als u niets dringends toe te voegen heeft, wij willen graag snel
verder. Maakt u zich niet ongerust, de tempel ligt buiten de muren van Stend."
"Wat doet u zeggen dat ik uit Stend kom, dat is een intepretatie die u
maakt op grond van welke argumenten of redenen? Geen, geen zeg ik u oh waardige
Tempelridder. Wij zijn echter goed geïnformeerd over deze ziekte en we
hebben al een waarschijnlijk antwoord daarop." dan herinnert hij zich het
toneelstuk dat hij in Stend opgevoerd heeft en schort zijn keel.
"Mijn excuses dat ik eerder zo geïrriteerd overkwam. Ik en mijn compagnon."
Sanguin wijst naar Sam. "Wij zijn, onderzoekers, gespecialiseerd in ziektes.
Mijn naam is trouwens Exsanguinatio van Oors." hij steekt zijn hand uit
om de tempelridder de hand te schudden. "En dat is mijn compagnon Samuel
van de Kerken." en hij wijst met zijn andere hand naar Sam.
Elanor slikt; alweer dezelfde leugen. Even heeft ze de neiging te roepen tegen
de ridder dat hij Sanguin niet moet geloven, dat hij een toneelspeler is. Maar
ze doet het niet en kijkt slechts omlaag. Ze is niet in een positie om zoiets
te doen en zal het waarschijnlijk met haar leven moeten bekopen. De held uithangen
is ook voor echte helden.
Arsennon steekt stoïcijns zijn hand uit en schudt Sanguin de hand kort
en stevig. Onderzoekers? Met zoveel gewapende ruiters? Als dat zo is dan is
dan zijn konijnen celibatair...
"Arsennon, tempelridder van de orde van Dulvia. Mijn grond van intepretatie?
U komt uit de richting van Stend en begint over een uitbraak van ziekte aldaar.
Dus of u daar nu wel of niet binnen bent geweest u rijdt er nu op de weg die
uit Stend komt. Maar het doet niet ter zake. Ik wens u veel succes met uw onderzoek
Als u een ziekte kunt genezen is dat voor heel Torsan een zegen. Maar nu, excuseert
u ons dan kunnen wij onze reis vervolgen." Arsennon geeft een knik naar
Lucas, ten teken dat hij mag vertrekken.
Nynaeve bekijkt
het allemaal van een afstandje, vooral geïnteresseerd in de vrouw in het
gezelschap. Ze lijkt wat te willen zeggen, ze lijkt sterk en dapper genoeg om
dat te doen, maar ze houdt zich nederig.
Nynaeve gaat een beetje anders zitten zodat haar hoofd achter Mordars massieve
rug vandaan komt.
"U heeft de vrouwe in uw gezelschap nog niet voorgesteld. Wie is zij?"
Vraagt ze beleefd op een formele toon.
Oh nee. Ik zei toch, 'laat mij het woord doen'. Verpruts het nou niet, er is
een plan.
Arsennon onderbreekt een mogelijke nieuwe conversatie. "Dat doet niet ter
zake Nynaeve, we gaan." Hij geeft nogmaals het sein aan Lucas en kijkt
Nynaeve even veelbetekenend aan. Niet doen.
Nynaeve werpt een allesverwoestende blik op Arsennon, maar houdt zich koest.
Ze schikt zich weer achter Mordar.
Zwijgend luistert Luan naar de woorden die worden uitgewisseld. Als de situatie
niet zo ernstig was, zou ze gelachen om de leugen die Arsennon had verzonnen,
maar daar is ze nu te gespannen voor. Het valt haar -net zoals de anderen- op
dat er bij het zwaar bewapende gezelschap twee vrouwen zijn. Net zo bont als
ons groepje, alleen wij hebben minder mannen dan vrouwen. En minder wapens...
Ze slikt; de mannen zien eruit alsof ze weten hoe ze die wapens moeten gebruiken,
en Luan wil dat liever niet meemaken. Een epidemie? vangt het meisje dan op.
Daaraan zijn ook haar ouders dood gegaan, dezelfde epidemie? Ze moet zich sterk
inhouden om niet naar voren te rijden en ernaar te vragen. Het lukt haar blijkbaar
beter dan Nynaeve, maar Nynaeve is dan ook veel nieuwsgieriger dan Luan. Luan
kijkt naar Lucas, zou hij doorrijden? Zou haar kans om meer informatie te verzamelen
voorbij gaan?
Sanguin glimlacht
hartelijk naar de tempelridder. Hij denkt zeker dat ik dom ben... "Fijn
fijn,... dan krijgt u het ook niet te horen nee." hij lacht even en seint
de anderen van zijn groep. "Eigenlijk zou u gestraft moeten worden voor
uw vreselijk gedrag!" dan heft hij zijn kin en draait weg van de tempelridder.
"Uw god zal u niet helpen als onze paden weer kruisen, u moet uzelf gelukkig
prijzen dat ik vandaag niet zin heb om te vechten met een onnozele tempelridder."
Sanguin knikt dan naar Sam. "Rijd uit!"
Amy is blij als de groep van Sanguin wegrijdt. Ze kijkt naar de rug van Arsennon
en geeft deze een dikke glimlach, een glimlach waar heel wat meer in te zien
valt dan alleen maar opluchting of genegenheid.
Elanor kijkt heel even achterom naar de andere groep wanneer ze wegrijden, maar
draait zich dan weer om naar voren, hoofd gebogen.
Knorrig kijkt Nynaeve naar de wegrijdende groep. Ze vraagt zich af wie die vrouwen
nou waren. Nou ja, het deed er eigenlijk ook niet toe, zo lang ze maar veilig
aankomen op hun plaats van bestemming.
Met die laatste gedachte bedoelde ze zowel de groep die ze zojuist tegen waren
gekomen, als hun eigen groep.
Lucas zucht van opluchting. Hij weet niet wat hij erger vond, de bezorgde, enigzins
kwade blik van Arsennon, de aanblik van de groep gewapende ruiters of de tweestrijd
waarin hijzelf verkeerde, doorrijden zoals Arsennon hem had gezegd of blijven
staan om te luisteren naar de nieuwtjes uit Stend.
Hij hoopt maar dat Arsennon niet boos op hem is.
"Arsennon, heeft u enig idee wat die ruiters kwamen doen?"
Arsennon reageert niet meer op de loze dreigementen van Sanguin. Ze rijden door.
Hij kijkt even snel naar Amy. Gelukkig is het rustig gebleven, nu is ze nog
bij mij. Hij voelt zijn hart kloppen in zijn keel bij die gedachte.
Als de groep buiten bereik komt en Lucas stelt hem een vraag legt hij pas iets
uit. "Wat zij van plan zijn en wie ze echt waren weet ik niet," zegt
Arsennon, net zoveel tegen Lucas als tegen Nynaeve. "Maar we waren toch
met te weinig om er iets aan te doen. Vlak bij Stend is een Tempelridderspost.
Zodra we daar zijn breng ik rapport uit en ik verwacht dat er een patrouille
achteraan gestuurd wordt. Dat scheldend stuk heiden is geen wetenschapper en
die vrouwen waren daar niet vrijwillig. Maar wij hebben onze eigen missie, Heer
Mordar moet ten koste van alles veilig aankomen." Hij hoopt de situatie
een beetje duidelijk gemaakt te hebben aan vooral Nynaeve. "Als we te nieuwsgierig
waren geweest had de zaak uit de hand kunnen lopen, ook voor die vrouwen. Zij
zijn nog veilig, voorlopig."
De groep van Sanguin
rijdt verder en ziet in de verte, iets van de weg af, een herberg liggen. Ze
kunnen kiezen meteen door te rijden naar de grotten van de Gemantelde, die nog
ongeveer een dagreis van de weg af liggen, of te overnachten in de herberg,
en de reis de volgende dag te maken.
"Arsennon." De tempelridder schrikt enigszins als hij plotseling wordt
aangesproken door Mordar. Mordars stem klinkt zwak en het lijkt alsof hij ziek
is. Hij zegt schor: "Gevangenen." En gebaart met enige moeite naar
het noorden.
Wat hij ook gedaan heeft tijdens onze ontmoeting, het heeft een hoop energie
gekost zeg. Hij richt zich enigsinds bezorgd naar Mordar.
"Er zijn gevangenen in het noorden? Kunnen wij daar wat aan doen of rijden
we door naar de tempel voor versterking?"
Hij kijkt de groep nog eens rond en vraagt zich stil af of het misschien beter
is hun medereizigers te bewapenen met het een of ander. Het wordt gevaarlijker...
Nynaeve luistert aandachtig naar Arsennons verhaal, begrijpend maar niet toegevend
dat ze verkeerd zat door te vragen wie die vrouwen waren, en schrikt dan ook
hevig als Mordar plotseling ontwaakt uit zijn 'trance'. Gevangenen? Wát
voor gevangenen? En hóe weet Mordar dat? Wát hebben wij te maken
met die gevangenen? Plotseling schijnt het Nynaeve toe dat ze ondanks alles
maar heel weinig weet over de man bij wie ze op het paard zit.
Mordar schudt langzaam zijn hoofd na Arsennons suggestie. "Dat is te laat."
"Daar was ik al bang voor. Dan stel ik voor zo snel mogelijk door te rijden
naar de tempel en verslag uit te brengen. U, Heer Mordar, kan dan wat rusten.
Wellicht kan ik nu al wat voor u doen."
Arsennon legt zijn hand op de schouder van Heer Mordar en bidt.
Nynaeve kijkt geboeid naar Arsennon als hij naast haar en Mordar komt rijden.
Als hij zijn hand op de Heer legt, laat ze Mordar los. Wie weet wat Arsennon
aan het doen was; Nynaeve was niet van plan zich ook maar door íéts
'Goddelijks' aan te laten raken.
Arsennon voelt een wonderbaarlijke sterke weerstand en even heeft hij het gevoel
dat hij zijn hand aan Mordar heeft gebrand. Er is echter geen brandwond te zien,
dus waarschijnlijk heeft hij het zich verbeeld.
"Nee, helpen," zegt Mordar zacht.
"Nee helpen, als in ik kan u niet helpen?" vraagt Arsennon, nog nawrijvend
over zijn hand, want dat had hij inmiddels begrepen, "of nee helpen als
in nee we gaan niet naar de tempel we gaan toch proberen die gevangenen te helpen?"
Wat een onwaarschijnlijke kracht als het de hand van God kan weren. Wat kan
het geweest zijn...
"Niet naar de tempel." Mordars stem is nu niet meer dan een gefluister
en hij is erg bleek.
Amy is vlak achter de anderen gaan rijden, toch wel iets bezorgt om Mordar.
Ze verstaat er niet veel van wat er wordt gezegd. "Het zou fijn zijn als
we hem meteen zouden begrijpen" Fluistert ze tegen niemand in het bijzonder,
"Het zou hem dan ook veel minder energie kosten."
Sanguin ziet de
herberg, hoewel hij een beetje de moeheid voelt van de reis wendt hij zich naar
zijn medereizigers. "Zullen we doorreizen en dit verdomde boek bij de Gemantelde
afgeven of zullen we hier overnachten. Iedereen die door wilt reizen doe je
handen omhoog."
Sam haalt zijn schouders op. "Maakt mij niet uit."
We zijn toch te
laat, maar we gaan wel helpen en we kunnen niet eerst naar de tempel... juist
ja. Wat heb ik bij me. Drie vrouwen, een verzwakte magiër en een leerling.
En daarmee wil hij achteer die gewapende mannen aan, en wie weet hoeveel er
nog zijn bij die gevangenen.
"Nynaeve, let op Heer Mordar. Als hij verslechterd wil ik het direct weten."
Ik moet een boodschap versturen of iets achterlaten voor de orde. Hij kijkt
om zich heen.
"Nynaeve,
let op heer Mordar." Zegt Nynaeve in een hoog stemmetje. Ze reikt om Mordar
heen naar de teugels in de hoop dat ze het dier in bedwang kan houden; ze heeft
nog nooit paard gereden. Hoe dan ook, met haar aan de teugels hadden ze waarschijnlijk
meer kans dan met Mordar aan de teugels.
De verzwakte Mordar hangt een beetje in Nynaeves armen. Dit bewijst maar eens
dat mannen nergens goed voor zijn. Eén goddelijke boodschap en ze kunnen
niets meer.
Luan staart voor zich uit, tegen Mordars rug aan. Ze ziet aan zijn hoofdbewegingen
dat hij tegen Arsennon praat, maar hem verstaan doet de jonge zwerver niet.
Het zal ook vast niet iets zijn dat zij zou begrijpen; iets waarvan die mysterieuze
heer wilde dat zij het niet zouden weten. Ze begint lichtelijk geirriteerd te
raken door al die geheimzinnigheid. Als Lucas er niet was geweest was ze waarschijnlijk
al vertrokken, met de westenwind mee. Maar hij is er nog steeds, en schijnt
aan Arsennon vast te plakken. Amy plakt ook aan Arsennon vast - en wederzijds.
Arsennon plakt aan Mordar vast, en Luan meende dat ook Nynaeve geinteresseerd
was in de heer. En zo is het hele gezelschap aan elkaar geplakt, beëindigt
Luan haar gedachten.
Lucas vangt op wat Amy zegt.
"Grote God, ja. Hij mag wel íets duidelijker zijn.", zegt hij
met een knipoog achterom.
Hij ziet niet direct veel mogelijkheden. Dan herinnert hij zich vaag dat ze
langs een herberg of iets dergelijks zijn gekomen. Daar kan ik een bericht achterlaten
of verzenden! Maar toch zit dit niet goed, hoe ziet Mordar dit 'helpen' voor
zich. Hij kijkt even naar Amy voor 'morale support'. Bij het zien van haar gezicht
wordt zijn humeur gelijk een stuk beter. Hij draait als eerste zijn paard half
om.
"De God heeft plannen met ons zo lijkt het. We gaan terug zoals Heer Mordar
het wil. Lucas, jij rijdt voorop. Hou alles goed in de gaten. We mogen niet
te dicht op de andere groep komen. Amy..." Hij valt even stil. "Blijf
dichtbij mij rijden," vervolgt hij dan, wat zachter dan zijn normale commando's.
'Oke.'
Lucas salueert naar Arsennon, keert rustig zijn paard en rijd, nog langzamer
dan normaal, terug de weg af richting de herberg.
Dan kijkt hij om om te zien of iedereen hem volgt.
"Wat nou 'God'," mompelt Luan zacht tegen zichzelf. "God bestaat
niet eens." Ook zij wendt haar paard en sukkelt achter Lucas aan. Het zal
goed zijn als we die andere groep niet weer tegenkomen, liegt Luan in stilte
tegen zichzelf. Stiekem hoopt ze dat die andere groep ook bij de herberg is;
ze is nieuwsgierig naar de twee vrouwen daar. Maar die aanvoerder... Een huivering
loopt over haar rug, en ze concentreert zich snel weer op het paardrijden.
Nynaeve zucht van binnen en voelt voor het eerst sinds lange tijd weer de behoefte
om haar dolk te voorschijn te halen en hevig aan haar haar te snijden. Het valt
haar op dat, nu ze niet meer zo'n zenuwlijder is, haar haar snel groeit.
Ze geeft een zachte trek aan de teugels en laat het paard met moeite omdraaien,
waarna ze het de sporen geeft en in stap achter Lucas aangaat.
De herberg komt niet veel later in zicht en Lucas ziet als eerste de andere
groep vóór de herberg staan.
Mordar maakt een schokkende beweging, voor hij volledig bewusteloos in elkaar
zakt. Het leek erop dat hij naar het noorden gebaarde, maar dat is niet met
zekerheid te zeggen.
Lucas spot de groep en kijkt hulpzoekend achterom naar Arsennon.
Nynaeve gilt als Mordar plotseling in haar armen ineen zakt. Zo goed en zo kwaad
als het gaat probeert ze de man in het zadel te houden.
"Help!" Roept ze naar Arsennon en Lucas.
Arsennon gebaart meteen iedereen halt te houden als Lucas de voorliggende groep
spot. "We wachten wel even Lucas, hou ze in de gaten." Dan schrikt
hij van de gil van Nynaeve. Hij snelt naar haar toe en grijpt Mordar met een
arm vast om Nynaeve te ondersteunen.
en Mordar overeind te houden. "Wat gebeurde er?" vraagt hij Nynaeve.
"Zei hij nog iets?" Verdorie, dit moeten we er niet bij hebben.
Elanor kijkt fronsend op; even dacht ze dat iemand haar naam riep. 'El' of iets wat erop leek.
"Het- het
leek, alsof hij... daarheen gebaarde." Nynaeve wijst richting het noorden.
Haar gezicht trekt langzaam wit weg.
Arsennon kijkt in de richting waar Nyneave naar wijst. Hij speurt naar iets
opvallends. "Kom, we gaan van het pad af, misschien heeft iemand Nynaeve
gehoord en dan mogen we niet opvallen." Hij gaat voor naar een plek wat
meer uit het zicht van de herberg en de andere groep. "Kijk of jullie iets
voor Heer Mordar kunnen doen," zegt Arsennon tegen Amy en Luan. Tegen Nynaeve,
"Gaat het? Je ziet wat bleekjes. Hier, drink wat." Hij geeft haar
wat water.
Er is niets opvallends te zien. In tegendeel, evenals langs andere gedeelten
van de weg is het graslandschap licht glooiend en leeg.
Dankbaar neemt Nynaeve het water aan. Met grote slokken drinkt ze een deel -
niet alles, want zelfs Nynaeve weet dat water soms kostbaar is - van het water
op. Flauwvallen was nooit iets waar ze goed tegen kon.
Hij wacht even tot Nynaeve klaar is met drinken. Ze lijkt er van op te knappen.
"We wachten even tot die andere groep weg is, dan gaan we even de herberg
in voor wat extra voorbereidingen en dan reizen we van de weg af in de richting
waar Mordar wees. Misschien komen we dan ergens uit waar we hem kunnen helpen."
Hij zoekt met zijn ogen naar Amy. Een gevoel van trots en blijdschap komt op.
Nooit zal ik de dag vergeten dat de Enige God onze paden liet kruisen. Misschien
dat we nu we moeten wachten op die andere groep eindelijk even alleen kunnen
zijn?
Terwijl Arsennon Nynaeve het water geeft stapt Amy van haar paard. "Even
blijven zitten hoor!"zegt ze zachtjes tegen Daefr. Ze pakt een andere waterzak
en een stuk linnen. Ze maakt de doek nat en dept het gezicht van Mordar af.
Tegelijkertijd kijkt ze of zijn gezicht non-verbale tekenen geeft, zodat ze
merkt of hij reageerd. Ze druppelt ook enkele druppels water in zijn mond, maar
niet teveel zodat hij zich niet kan verslikken. Het is eigenlijk net genoeg
om zijn mond te bevochtigen. Als ze dat gedaan heeft hoort Ze Arsennon zeggen
dat ze even zullen wachten. Ze kijkt schuin naar hem op, in de hoop zijn blik
op te vangen.
Als Amy Mordar komt helpen en voorzichtig zijn hoofd begint te deppen, zou Nynaeve
haar wel wat kunnen doen. Hij zat toch bij háár op het paard?
Hij lag toch in háár handen? Zij had toch óók een
zak met water?
Wijselijk houdt ze zich stil, maar haar lippen vormen een dunne lijn, en haar
ogen lijken wel vuur te spuwen.
Arsennon ziet dat Nynaeve blijkbaar al weer hersteld is. En beledigd. Alweer.
Waarom voelt ze zich toch zo snel achtergesteld? Maar het bied kansen. "Nynaeve,
neem jij de zorg van Mordar over van Amy? Lucas en Luan, blijven jullie bij
Daefr? Let goed op hem. Amy?" Hij wenkt haar en gaat een stukje van de
groep staan.
Terwijl Amy naar
Arsennon kijkt valt haar blik op het gezicht van Nynaeve. Ze schrikt, waarom
kijkt ze zo hatelijk? vraagt ze zich af.
Arsennon vroeg toch of zij en Lucas naar Mordar wilde kijken? Als Arsennon haar
dan ook nog bij zich roept zinkt de moed haar in de schoenen. Ik had misschien
toch beter in Nobles kunnen blijven. Schiet het door haar heen.
Ze slaat haar ogen neer en loopt gekwetst richting Arsennon, maar eerst geeft
ze het water en de doek aan Nynaeve.
Bij Arsennon aangekomen verwacht ze een standje te krijgen. Deze gedachten maken
haar onzeker en bang. Ze houd van die man, maar ze beseft dat hij haar nooit
zal zien staan. Een kleine traan welt op in haar oog als ze daaraan denkt.
"Amy? Wat is er?" vraagt Arsennon ongerust als hij haar verdrietig
ziet aankomen. "Ik wilde je alleen even alleen spreken. Zonder bemoeienis
van de rest. Om te zeggen dat ik blij ben dat je bent meegegaan." Hij strijkt
haar door het haar en veegt de traan van haar gezicht.
De reactie van Arsennon verrast Amy totaal. Ze kijkt hem aan en tovert een glimlach
op haar gezicht. Ze krijgt een brok in haar keel en is niet in staat om nog
maar iets te zeggen. Een tweede traan volgt de andere, maar deze is van verbazing
en geluk. Haar ogen staan helder en lijken te fonkelen als een heldere ster,
of komt dat door de tranen? Onbewust doet ze een stapje dichter naar Arsennon
toe. Ze voelt zijn adem die haar hele wezen van binnen verwarmt. Het liefst
zou ze zich in zijn armen werpen, maar ze durft het niet.
Arsennon ziet Amy opfleuren na zijn woorden. Niets ernstigs dus. Gelukkig maar.
Hij staart een tijdje in haar glinsterende ogen. Er verschijnt nog een traan
op haar gezicht en net zo zacht als de eerste veegt hij deze weg. Als ze wat
dichterbij lijkt te komen slaat hij instinctief zijn armen om haar heen. Zonder
iets te zeggen houdt hij haar vast dicht tegen zijn borst.
Amy nestelt zich dieper tegen Arsennon aan. Haar hart gaat als een wilde tekeer
als ze haar hoofd tegen zijn borst aan legt. Het liefst wilt ze zich knijpen
om te kijken of ze niet droomt. De wereld om haar heen bestaat niet meer. Alleen
de man van haar dromen is voor haar nu belangrijk. Dan heft ze haar hoofd op
en kijkt hem in de ogen. Een gelukkige glimlach siert haar lippen.
Arsennon schrikt heel even als hij de blik in Amy's ogen ziet. Zo had nog nooit
iemand naar hem gekeken. Snel herstelt hij zich al en glimlacht terug. Zo staart
hij nog een tijdje in haar ogen, zijn gedachten gaan te snel voor hem om te
volgen en dat geeft hij dan ook maar op. Het is een eigenaardig moment in zijn
leven... "Blijf bij me," fluistert hij dan in haar oor.
Amy trekt even haar wenkbrauw op als ze Arsennon ziet schrikken, maar als hij
terugglimlacht is ze het alweer vergeten. "Als jij dat wilt." antwoord
ze op zijn vraag.
"Echt?" vraagt hij. Dan geeft hij haar een zoen op haar wang. Een
gevoel van blijdschap overweldigd hem.
Amy kleurt een beetje rood als de lippen van Arsennon haar wang raken. Een lichte
huivering gaat door haar heen. Warme verspreid zich in haar binnenste en vindt
een uitweg via haar ogen en een lichte zucht die over haar lippen vloeit.
Gelukkig kijkt ze hem aan.
Arsennon heeft geen idee hoe lang ze daar al staan, maar alle besef van tijd
vloeit uit zijn geest als Amy hem gelukzalig aankijkt. Verliefd staart hij terug
in die vreemde, ondefinieerbaar mooie ogen.
Amy haalt haar hand door het haar van Arsennon en streelt daarna zijn wang.
Als ze in de buurt van zijn lippen komt, lijkt ze te schrikken. Haar ogen worden
onzeker en ze fronst haar wenkbrauwen. Stel dat dit allemaal fake is? Sel dat
hij in Nobles mijn vader tegen gekomen is. Misschien meent hij er niets van
en wilt hij me terug brengen naar mijn vader... In gedachten ziet ze al voor
zich hoe dat zal gaan, blind van liefde zal ze Arsennon volgen, Terug in Nobles
of waar dan ook zal hij haar bij haar vader afleveren en misschien wel een beloning
ontvangen. Haar vader zal haar grondig straffen en aan wat er daarna zal gebeuren
wilt ze niet denken.
Ze trekt haar hand terug en wilt zich uit de greep van Arsennon wurmen.
Arsennon wordt wakker uit zijn trance en kijkt Amy vragend aan. "Wa-wat
is er? Ben je ergens bang voor? Net als toen in de trainingsruimte in Nobles,
toen sloeg haar stemming ook zo om. Waarom? Hij laat haar los, maar houd haar
hand nog heel even vast om te voorkomen dat ze zijn vraag ontwijkt en wegrent.
"Kan ik je helpen?"
Nynaeve neemt de doek over en gaat zorgzaam verder met het deppen van Mordars
voorhoofd. Vanuit haar ooghoeken houdt ze Amy en Arsennon nauwkeurig in de gaten.
Zou het dan toch? Eindelijk? Maar Amy worstelt zich los uit Arsennons armen,
en Nynaeve slaat een hand tegen haar hoofd in frustratie. Wat was Amy toch aan
het doen? Arsennon was totaal verkikkerd op haar, dat is duidelijk.
Met moeite klimt ze van het paard af en laat Mordar er ook, zo goed en zo kwaad
als het gaat, vanaf glijden. Ze sleept hem een eindje mee en legt hem in de
schaduw van een bosje, waar ze weer verder gaat met zijn voorhoofd deppen.
Mordar maakt plotseling een onwillekeurige beweging met zijn arm en kreunt,
maar komt niet bij bewustzijn.
Nynaeve pakt de bewegende arm van Mordar en legt die zachtjes naast hem neer.
"Ssht." Fluistert ze zachtjes. Was dit nou die krachtige Heer die
ze ontmoet had in Nobles?
Mordar lijkt iets rustiger te worden, maar komt niet bij bewustzijn. Er lijkt
toch iets ernstig mis te zijn.
"Lucas." Zegt Nynaeve, die Arsennon en Amy niet wil storen. "Lucas!"
Schreeuwt ze naar de jongen. "Als Arsennon klaar is met... wat hij dan
ook aan het doen is, zeg dan tegen hem dat we snel naar die herberg moeten.
Volgensmij is er iets goed mis met Mordar."
Lucas kijkt veelbetekenend naar Amy en Arsennon. Hij beseft dat ze nu toch echt
verder moeten, want er is iets raars aan de hand met Mordar.
Luid schraapt hij zijn keel.
"Ik denk dat we maar eens verder moeten gaan."
Amy kijkt Arsennon even bang aan, maar herstelt zich daarna. Waarom kan ik mijn
gedachten niet uitbannen? Ik zou hem gewoon willen vertrouwen en liefhebben.
Waarom zou hij, als hij mij naar mijn vader wilde lokken daar nu pas mee komen?
Het was praktischer geweest als hij dat in Nobles al gedaan had. Haar gezicht
toont verschillende trekken waardoor duidelijk is dat haar gedachten als een
razende tekeer gaan. Op een gegeven moment ontspant haar gezicht en kijkt ze
hem lachend aan, bedenkend dat ze gewoon spoken gezien heeft zegt ze: “Ik
twijfelde even of ik je wel kan vertrouwen. ” Dan heft ze haar hoofd op
om hem een kus op zijn wang te drukken. Terwijl hoort ze Lucas roepen en kleurt
daardoor diep rood.
Arsennon voelt een gerustgesteld gevoel tevreden door zijn aderen glijden. Nu
liep het beter af als in de trainingsruimte. Dan hoort hij Lucas roepen. Amy
kleurt diep rood voor hem en zelf voelt hij zich ook iets of wat betrapt. Vooral
op onalertheid, een zonde binnen de Orde. Er was veel tijd aan hem voorbij gegaan.
Kon dit nog maar even duren. De timing kon niet slechter.
Hij kijkt Amy nog even snel veelbetekenend aan en neemt dan de touwtjes weer
in handen. "Is de andere groep al weg bij de herberg dan? Eerder is het
niet veiliger voor Mordar in de herberg dan hier." Hij kijkt de kant van
de Herberg op.
Nynaeve loopt
langzaam rood aan van woede als ze luistert naar wat Arsennon te zeggen heeft.
"Wat maakt het uit of ze weg zijn!" Gilt ze hysterisch, alle remmingen
loslatend. "Deze man is ziek! Hij moet een bed hebben en iemand die beter
voor hem kan zorgen dan wie dan ook hier! En jij loopt je een beetje druk te
maken over een stelletje reizigers?!"
Terwijl ze haar tirade loslaat over Arsennon loopt ze stampvoetend op de man
af, pal voor z'n neus eindigend en met haar wijsvinger tegen zijn borstkas geprikt.
Woedend kijkt ze hem in zijn ogen; de hare spuwen vuur.
Arsennon zucht eens diep en zijn ogen staan onveranderd vastberaden. Hij begint
rustig, "Dat stelletje reizigers is wellicht gevaarlijker voor Mordar dan
nog even hier te blijven liggen. Laat Amy nog eens even naar hem kijken en ga
anders vast vooruit naar de herberg om te kijken of daar wel iemand is die Mordar
kan helpen. De ziekte van Mordar is niet normaal en ook niet zo te behandelen,
anders had mijn handoplegging wel iets geholpen."
"Dat stelletje reizigers is wellicht gevaarlijker voor Mordar dan nog even
hier te blijven liggen." Doet Nynaeve Arsennon na, met een drammerig stemmetje.
"Dat je een tempelridder bent betekend niet dat je iedereen hoeft te wantrouwen!
Niet iedereen is slecht!" Met een laatste por trekt ze haar vinger van
Arsennons borstkas alsof ze zich plotseling heeft gebrand aan hem. "Mannen!"
Murmelt ze onverstoorbaar terwijl ze op haar hurken naast Mordar gaat zitten
en aan zijn voorhoofd voelt.
Mordar is niet, zoals Nynaeve misschien verwacht, koortsig warm, maar juist
ijskoud.
Ondertussen begint het te schemeren. Door alle gepraat is de tijd sneller gegaan
dan verwacht.
Bloedvuur! Nynaeve schrikt zich kapot als ze Mordars temperatuur voelt. De enige
keer dat ze iemand aan had geraakt die zó koud was, was toen ze als klein
meisje haar moeder had geholpen bij het verslepen van het lijk van een aan de
griep overleden meisje uit haar dorp. Toch zag ze Mordars borstkas nog op en
neer gaan, wat betekende dat hij nog ademhaalde.
Ze draaide zich om naar Arsennon.
"Arsennon, Mordar is ijskoud. We moeten echt naar die Herberg. Nu."
Sanguin kijkt zuchtend voor zich uit. "Hoe denken de dames over stoppen,
zoveel haast is er nu ook weer niet bij om terug te gaan. Ik vind dat we hier
moeten overnachten, ik heb in tijden geen fatsoenlijk bed gehad. Als ze deze
hier ook niet hebben dan gaan we weer verder. Stijg af mannen, we gaan overnachten
en ik hou het boek bij me. Dan is hij tenminste veilig." Sanguin stijgt
af en helpt daarna Elanor met afstijgen.
Amy kijkt naar Nynaeve en haalt haar schouders op. Met een zucht mompelt ze:
"daar krijg je ook geen hoogte van, de ene keer is ze heel aardig en de
volgende keer echt een kat." De enige wie het zou kunnen horen is Arsennon,
maar dat is zelfs niet geheel zeker en ze hoopt dat het ook niet het geval is.
Plots denkt ze weer aan Daefr en haar ogen zoeken de jongen. Terwijl ze zoekt
bedenkt ze dat ze Luan ook bijna niet meer gezien heeft, of lijkt dat maar zo
omdat ze zo in beslag was genomen door Arsennon.
In de tijd dat Amy en Arsennon enkel aandacht hadden voor elkaar had Luan zich
wat afgezonderd houden. Ze vindt liefde tussen die twee niet zo interessant.
Ze is sowieso meer geïnteresseerd in de herberg waar ze aangekomen zijn,
en in de toestand van heer Mordar. Hij lijkt wel dood te zijn - wat natuurlijk
buitengewoon interessant is.
Nynaeve knijpt haar ogen samen als ze Amy iets ziet mompelen, vaag vermoedend
dat het wel eens over haar zou kunnen gaan.
Als Arsennon er geen blijk van geeft haar gehoord te hebben, zegt ze nog een
keer, nu lichtjes haar stem verheffend: "Arsennon! Mordar! Herberg! Nu!"
Elanor laat zich
van het paard afhelpen en kijkt even rond. Het maakt haar niet zoveel uit of
ze zouden stoppen of niet, tijdens de rit was het alsof ze doffer geworden was.
Ze wil hier helemaal niet zijn. Ze wil ook niet naar de plek waar ze naartoe
gingen. Ze wil gewoon terug. Misschien is Illisér wel dood, of ziek,
of erger - kan het wel erger?
Fronzend kijkt ze naar een punt in de verte, in stilte.
Sanguin kijkt naar Elanor en begint zich schuldig te voelen dat hij haar meegenomen
heeft maar weet dat hij er niets aan kan veranderen - hij kan haar niet terugbrengen.
Sanguin loopt naar de deur van de herberg en bekijkt alles aan de buitenkant
goed voordat hij aanstalten maakt om de deur open te maken en naar binnen te
gaan.
Bij de God! Het
lijkt wel of de groep bij de herberg gaat blijven. Arsennon zet snel alles op
een rij, Nynaeve niet eens opmerkend, en probeert een goede oplossing te verzinnen.
Zelfs Amy hoort of ziet hij niet eens mompelen. Heer Mordar moet verzorgd én
beschermd worden. Maar met die huurlingen in de herberg was dat laatste nu juist
het probleem in de Herberg, al is het eerste er weer beter te doen. Eigenlijk
moeten we naar een Hogepriester van de God, zijn genezende gebeden zijn vele
malen sterker dan de mijne. Hij zou ten minste kunnen achterhalen wat er met
hem is. Het is geen natuurlijke ziekte, dus wie zegt dat natuurlijke behandeling,
hier of in de herberg zin heeft...
Hij schrikt op uit zijn gedachtestroom van Nynaeve's geroep. "Herberg,
nu!" krijgt hij mee.
"Nee!" verklaart hij dan. "We zetten hem bij mij op het paard
en gaan direct in de richting die de Heer met zijn laatste kracht opwees. Er
is geen enkele aanwijzing dat zijn toestand verbeterd met welke behandeling
dan ook, hier of in de herberg. Het enige wat we hebben om op te gaan is zijn
eigen wil. De andere groep blijft in de herberg. Wij verlaten hier de weg en
trekken noordwaarts." Hij kijkt vastbesloten de groep rond, vooral wat
langer naar Nynaeve, van wie hij half een protest verwacht.
Tegen Arsennons vermoedens in geeft ze hem geen half protest, maar een heel
protest.
"Hoe weet jij nou wat er is, daar in het noorden! Het kan wel dagen duren
voordat we zijn bij wat Mordar in gedachten had toen hij wees!" Haar stem
begint over te slaan. "En bovendien, misschien was het wel helemaal niets,
maar was het gewoon een spastische beweging of zo! We-kunnen-niet-verder-gaan-voordat-Mordar-beter-is!!!"
Uit haar rechter oog loopt een traan.
Arennon is niet verbaasd van het protest, maar vastberaden. Hij weet wat hij
doet en zal het rustig uitleggen. "Ik weet niet wat daar is, maar ik weet
wel dat Mordar die kant op wilde vanaf het moment dat hij ziek begon te worden,
niet alleen vanwege een 'spastische beweging'. Ik weet ook dat de herberg niet
veilig is en we misschien wel twee keer beter af zijn als we aankomen vóór
de groep huurlingen. De enige God heeft mij met Mordar meegestuurd, daar is
een reden voor en ik zal mijn rol vervullen!" De laatste zin komt met een
dusdanig fanatisme uit zijn mond waaruit duidelijk is dat hij geen tegenspraak
meer zal dulden.
"Ik neem Heer Mordar mee naar het noorden, als het iemand niet bevalt,
dan blijft die maar hier, of ga met die andere groep in de herberg zitten. En
we rijden 's nachts door."
Hij tilt Mordar voorzichtig over zijn paard en stijgt dan zelf weer op.
Gedurende Arsennons
betoog raapt Nynaeve zichzelf weer bij elkaar, en langzaam sijpelt haar gewone
koppigheid er weer in. Van de hysterische, paniekerige Nynaeve is niets meer
te merken.
"Hier blijven?" Zegt Nynaeve, alsof er nooit iets aan de hand was,
"Dacht het dus even niet hè?" Met moeite klimt ze weer op het
paard waar Arsennon voorheen op zat, en stuurt het dier, zwaar onzeker van wat
ze doet, naast Arsennons paard.
Amy is ondertussen naar haar paard gelopen. Ze kijkt nog steeds rond of ze Daefr
kan vinden. Als ze langs Mordar loopt kijkt ze naar hem. Ze durft niet neer
te knielen omdat ze geen zin heeft in nog meer protesten van Nynaeve. Ze voelt
zich wel schuldig omdat ze de tijd heeft gerekt door zo met zichzelf en Arsennon
bezig geweest te zijn.
Z op het eerste gezicht denkt ze dat er niet veel meer gedaan kan worden voor
Mordar.
Het maakt niet uit of we hem naar de herberg brengen of meenemen, veel helpen
zal het niet*
Ze stijgt op en kijkt nogmaals of ze Daefr ziet en roept zijn naam, "Daefr!"
Daefr heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt en is inderdaad uit de groep
verdwenen. Hij wandelt op zijn gemak richting de herberg, zo nu en dan stoppend
om een interessant beestje of een mooie wolk te bekijken.
Amy rijd snel naar hem toe. Ze is best geschrokken en kan zichzelf wel voor
haar hooft slaan dat ze niet beter heeft opgelet.
Als ze bij Daefr is aan gekomen vraagt ze: "Ga je weer met ons mee Daefr?"
Het voormalige
dienstmeisje kijkt ook kort naar de herberg, dan naar de groep mannen, dan naar
Sanguin. Dan kijkt ze even om zich heen. Ze staan niet echt in het bijzonder
op te letten.. Zal ze weg kunnen glippen? Waar zal ze dan heengaan? Eigenlijk
maakt het ook niet zo heel veel uit - alles is beter dan hier. Moet ze niet
een beter moment afwachten? Vannacht? Nee - dan zit ze misschien in een kamer,
achter slot en grendel. Maar als ze nu een poging doet maakt ze helemáál
geen kans..
Elanor besluit nog maar even te wachten om op een goed moment haar kans te grijpen,
maar weet diep van binnen al bijna zeker dat ze er de moed niet voor zal hebben.
Arsennon controleert
of Mordar er een beetje goed bij ligt en wil dan het vertreksein geven. Hij
houdt nog even in om Amy de kans te geven Daefr op te pikken.
Geschrokken kijkt Luan toe als Arsennon heer Mordar over de rug van zijn paard
legt. Bij de herberg blijven was misschien niet zo slim, maar om met de heer
zo door te rijden, terwijl hij zo ziek is? - Luan heeft de blik in Nynaeves
ogen gezien toen die aan heer Mordars voorhoofd voelde. En zoals velen zeggen:
een blik zegt meer dan duizend woorden, en hoewel deze blik misschien geen duizend
woorden bevatte, bevatte hij wel wat Luan nodig had om te weten dat het ernstig
was.
Op het moment dat ze zelf uit haar gedachten ontwaakt en opmerkt dat Daefr er
vandoor is, heeft Amy hem gelukkig alweer opgepikt. Maar dit gezelschap. Wat
was dit voor gezelschap? Een halfdode heer, een tempelridder, een kind, en dan
nog een wannabe-tempelridder, een - wat was Amy eigenlijk? en dan Nynaeve, de
koppelaarster. Luan kon niet wachten totdat die ook zou vallen voor de liefde.
Maar daar was hier niet zoveel kans voor, aangezien ze nu alweer bij de herberg
weg moesten. Even overweegt ze om te blijven, slechts een fractie van een seconde,
maar ze beseft dat dat onmogelijk is. "Is het niet slimmer om heer Mordar
wat extra dekens te geven? Dat ligt wat comfortabeler, en dan blijft hij warm,"
zegt Luan plots tegen Arsennon.
Terwijl Mordar plotseling begint te hoesten, schudt Daefr even verderop zijn
hoofd. "Herberg," wijst hij en hij loopt stug door.
"Hoe bedoel je?" Vraagt Zonnestraal aan Daefr als ze weer naast hem
rijdt. "Wil jij naar die herberg of moeten we?"
Een gevoel in Amy zegt dat dit jongetje meer in zich heeft dan dat op het eerste
gezicht lijkt.
Arsennon bekijkt Heer Mordar onderzoekend als deze begint te hoesten. Zou hij
bijkomen?
Het doorgaans goede humeur van Arsennon wordt verder op de proef gesteld als
ook Deafr zich tegen hun reisdoel aan gaat bemoeien en naar de herberg wil.
Hij laat het aan Amy over om uit te zoeken wat hij precies wil. Hijzelf houdt
zich bezig met Mordar en legt hem een zilveren tempelsymbool op de borst. Dat
zou hem toch een tijdje moeten beschermen...
Het tempelsymbool lijkt Mordar echter eerder kwaad dan goed te doen. Hij begint
te schokken en wordt zo mogelijk nog bleker.
Arsennon haalt bij de heftige reactie van Mordar het symbool weer weg. Wat het
ook is, het leeft niet op goede voet met de Enige God. Nou dan hebben ze hun
zin. We kunnen alleen nog naar die herberg. Moge de God ons beschermen.
Hij wacht Amy's reactie op Deafr niet meer af. "Goed," stelt hij.
"We gaan naar de Herberg." Hij kijkt rond voor reacties, maar voegt
er snel "voorlopig" aan toe voor er te hard gejuicht kan worden. Ik
verwacht geen gezellig verblijf, dus blijf alert."
Daarmee wenkt hij Lucas en rijdt dan achter Amy en Daerf aan.
Sanguin roept
naar zijn mannen om af te stijgen en hun "gevangenen" mee te nemen.
"We overnachten hier mannen, we hebben onze rust nodig. Zit niet in over
de betaling, want we gaan niet betalen. Hahaha, maar dat weet de herbergier
niet!" Sanguin loopt met zijn paard aan de hand op zoek naar een stal waar
zijn paard verzorgd en gevoed kan worden of tenminste onderdak heeft.
Naast de herberg zijn enkele stallen, maar die zien er nog enigzins verwaarloosd
uit, alsof ze heel lang geleden voor het laatst gebruikt zijn. Er ligt echter
wel vers hooi op de grond.
Sanguin zucht diep als hij de verwaarloosde stallen ziet en strijkt door de
manen van Lukas. "Het spijt me jongen, maar ik denk niet dat paarden binnen
worden gelaten." Zegt hij teleurgesteld tegen zijn paard als hij hem in
de stal leidt. "Mannen, zorg ervoor dat de paarden goed eten en als hier
geen water is: dan brengen we zo meteen wat water naar buiten."
Er wordt geknikt en de paarden worden verzorgd.
Sanguin wenkt
Sam om met hem mee te komen naar de deur van de herberg en om de twee "gevangenen"
mee te nemen. "Laten we ons verschansen aan heerlijk eten en wanneer men
niet oplet te vertrekken." Hij lacht goedschiks en klopt Sam op zijn rug.
Sanguin onderzoekt de deur, om te kijken of hij open of gesloten is. Hij besluit
dat ze tot middernacht blijven en dan wegsluipen, hij wil de Gemantelde niet
te lang laten wachten of het boek te lang in zijn bezit te hebben. Hij vraagt
zich toch af wat hij met het boek wilt doen. Rustig klopt hij op de deur, alsof
hij bij een bekende langsgaat.
Elanor kijkt om
zich heen en loopt dan naar Sanguin. Bedrieger en moordenaar of niet, ze voelt
zich altijd nog veiliger bij hem dan bij de rest van de mannen.
Sanguin zou willen dat hij niet meer hoefde te werken voor de Gemantelde. Alles
wat hij tot nu toe voor hem heeft gedaan heeft hem alleen maar van kwaad tot
erger gebracht, in een neerwaardse spiraal de duisternis in. Hij was niet altijd
zo, hij wou vechten voor een zaak. Voor een republiek, voor vrijheid... - niet
voor geld. Hij is zijn makkers niet vergeten, zijn mederebellen, zijn kameraden.
Hij moet ze een bericht sturen, laten weten dat het goed met hem gaat en dat
hij druk bezig is met zoeken naar manschappen voor hun missie. Dat het alleen
wat langer duurt dan hij gehoopt had. Waarom hij voor de Gemantelde is gaan
werken, is hem zelfs niet duidelijk meer. Hij twijfelt steeds meer aan zijn
motieven en de missies waar hij Sanguin opstuurt.
"Sam, hoe loyaal ben jij eigenlijk aan de Gemantelde?" vraagt hij
opeens aan Sam en aan het gezicht van Sam kan hij goed zien dat hij erdoor wel
van kaart wordt gebracht.
"Ik zou vechten en sterv-..." begint Sam maar Sanguin valt hem in
de reden.
"Ik bedoel diep in je hart Sam, je mag eerlijk tegen mij zijn. Twijfel
je nooit aan zijn motieven, aan waarom hij ons op deze missies stuurt?"
Sam verstrakt. "Nooit," zegt hij kort.
Sanguin glimlacht zwakjes. "Natuurlijk! Ik bedoelde er ook niets mee hoor."
Sanguin kan zichzelf wel voor zijn kop slaan, zichzelf zo kwetsbaar op te stellen,
hij moet zo snel mogelijk weg uit dit gezelschap. Hier krijgt hij nooit de manschappen
uit die hij nodig heeft, hoewel hij weet dat Sam een pracht aanwinst zou zijn
aan het kleine legertje dat ze al hadden. Hoeveel mensen hadden ze nu? Hij weet
het niet meer, het is lang geleden en de andere leiders zullen vast ook nieuwe
manschappen hebben. Hoe groot is zijn groep, iets van vijftien man gelooft hij.
Hij heeft één van de grotere groepen onder zijn leiding, maar
als hij ongeveer 5 man meer krijgt kunnen ze beter het de adel moeilijk maken
in rovingen en valstrikken. Als hij een goede spion zou vinden voor de Gilde,
zou dat ook goed uitkomen... - langzaam zakt hij weg in zijn gedachten over
de Gilde van Chaos. Eerst komt de Chaos, dan pakken ze de Macht en als laatst
stichten ze de Republiek Torsan.
Elanor luistert in stilte naar het gesprek, zich afvragend waar het allemaal
om gaat. Sanguin is toch ook in dienst van die.. persoon, die Gemantelde. Wie
het ook mag zijn. Opnieuw kijkt ze kort om zich heen.
Sam fronst, maar zwijgt.
De herberg waar de groep zit, ziet er schoon uit, maar wel oud. Het is rustig;
er zijn geen andere gasten en er lopen ook geen dienstmeisjes rond. De herbergier
staat rustig achter de bar enkele bekers vol te schenken. Ze werpt soms een
korte blik op haar gasten om te zien of ze iets nodig hebben.
De keuken bevindt recht achter de bar en naast de bar is een deur naar, waarschijnlijk,
de trap naar de kelder en/of naar de tweede verdieping. Behalve de voordeur
lijken er geen andere deuren naar buiten te zijn.
Sanguin is nog zeker een half uur in zijn dromenland voordat hij er eindelijk
uit ontwaakt en ziet dat de rest al hun borden op hebben en hun bekers al leeggedronken
hebben. Hij drinkt wat van zijn bier maar laat het al snel staan, hij heeft
nog geen eten besteld en wuift de herbergier om naar hem toe te komen. "Herbergier,
mag ik wellicht wat eten bestellen?" vraagt hij in zijn beste taal en het
netst als hij kan.
Elanor heeft geen bord eten toegeschoven gekregen en zit aan de hoek van de
tafel op haar elleboog te leunen - proberend de geur van de rest van het eten
te negeren en zichzelf wijs te maken dat ze toch geen eten van die mensen aan
zou nemen.
Ze kijkt een beetje rond, maar omdat er geen andere gasten zijn valt er niet
veel om naar te kijken dus het duurt niet lang tot ze in een dagdroom vervalt.
Wat was er ook alweer met Floortje? Ze kan zich herinneren haar gesproken te
hebben, maar niet meer waarover? En Illisér? Ze bijt op de binnenkant
van haar wang. Niet aan denken..
De herbergier lijkt niet op hem te reageren, tot zijn irritatie.
Zal hij nog eens de herbergier roepen of nog een paar minuten wachten in de
hoop dat die zijn roep toch gehoord heeft.
Sanguin kijkt richting Elanor en glimlacht zwakjes.
Hij zit nog even van haar af maar schuift zijn stoel iets dichterbij.
"Wil je misschien ook wat eten, je moet sterk blijven voor de reis als
je het wilt overleven... Wees gerust, alles komt goed, wacht maar tot middernacht."
hij fluistert het laatste erachteraan, het eerste brengt hij er half-streng
eruit.
Ze fronst enigszins. Overleven.. dat klinkt bemoedigend.. Dan knikt ze. Middernacht..
Elanor vraagt zich af wat hij van plan is, maar begrijpt de hint dat ze er nu
beter niet over door kan vragen.
Arsennon houd Amy en Daerf vlak voor de ingang van de herberg tegen. "Laat
mij maar eerst gaan," zegt hij. Dan kijkt hij om en wacht even tot de groep
compleet is...
Primula zit een stukje achter Sanguin en Elanor. Ze kan niet horen wat er gezegd
wordt. Ze heeft net zoals een aantal van de mannen een bord eten gekregen.
Sanguin heeft inmiddels ook een bord gekregen en eet het snel op, hij instructureert
Elanor om haar bord ook op te eten. "Je moet goed eten, dus eet je bord
goed op. Okay?" zijn stem is aangenaam vriendelijk en er verschijnt zelfs
een vriendelijke glimlach op zijn gezicht. Hij wilt haar vanavond meenemen,
weg van deze plek, weg van deze ellende. Die andere kan hij niet meenemen, er
kan maar één andere op zijn paard.
Die Elanor heeft ook een beter figuur en waarschijnlijk kan hij haar goed gebruiken...,
opeens schiet het hem binnen. Ja, hij weet waarvoor hij haar kan gebruiken -
maar hij gaat haar niet dwingen. Ze moet het vrijwillig willen doen, als ze
ver genoeg van deze plek af zijn - zal hij haar de keuze voorleggen.
Als hij zijn bord op heeft en hoopt van Elanor ook grotendeels haar bord leeg
heeft staat hij op. "Mannen, ga naar jullie kamers toe en rust. Morgen
word een drukke dag. Sam, neem jij die daar mee naar jullie kamer. Jullie slapen
of één kamer, met twee bedden. En hou jezelf in.... Deze blijft
bij mij." Sanguin wijst naar Primula dat Sam moet meenemen en Elanor blijft
bij hem. De groep gaat naar boven, op de voet gevolgd door Sam en Primula. Sanguin
glimlacht naar Elanor.
"Kan ik je trakteren op een drankje wellicht?"
Elanor had ook gulzig gegeten. Het was haar zwaar gevallen nog enige tafelmanieren
te laten zien, eigenlijk, zo hongerig was ze geweest.
Ze fronst als Sanguin haar de laatste vraag stelt, was dit niet weer een of
ander toneelspel, net als in het kasteel? Dat is ze zeker nog niet vergeten.
Aan de andere kant.. haar lot ligt in zijn handen, misschien toch maar meewerken..
Met wat moeite, werkt ze haar frons weg en knikt.
Sanguin glimlacht naar Elanor en ziet de laatste van zijn groep naarboven gaan.
Hij haalt even opgelucht adem.
"We kunnen nu spreken als normale mensen, maar laat mij eerst drinken voor
je halen. Drank of iets lichters? Ik denk dat je wel van een wijntje houd...,
rode lijkt me en een beetje zoet." hij glimlacht als hij een verbaasde
blik op Elanors gezicht ziet en neemt direct aan dat ze waarschijnlijk weinig
van alcoholische goedjes weet.
"Je drinkt vast niet veel, ik heb het drinken geleerd. Ik ben opgegroeid
in een klooster, daarover heb ik niet gelogen en zal ik nooit doen. De broeders
hebben mij goed geleerd hoe het leven in elkaar ziet - maar dan vooral het leven
van genot en geluk, niet die van de ene god. Maar goed." hij loopt naar
de herbergier en bestelt een glas rode zoete wijn en een kouder dan lauwe beker
bier. Hij vind dat bier niet lauw moet zijn, maar dat word meestal toch lauw
geserveerd. Hij legt 3 goudstukken neer, hij neemt aan dat het wel genoeg zal
zijn en het de kosten zal dekken voor het drinken en wellicht ook wat van het
eten.
"De kosten wat hiermee niet gedekt zijn, zullen morgen worden betaald door
die ene kleine man die met ons was. Zorg dat hij niet kan vertrekken zonder
te betalen, als het moet heeft u mijn toestemming om hulp in te roepen. Ik moet
eerder vertrekken deze nacht, als u mij dan ook de deur naar buiten zou kunnen
wijzen of beter gezegd openen - zou mij dat zeer op prijs gesteld worden. U
zult ook voor uw moeite beloond worden."
Dan loopt hij terug naar Elanor met de wijn en bier in zijn handen.
"Kom, we gaan naar een rustig plekje in de herberg. We hebben nog veel
te bespreken en weinig tijd om het te bespreken. Nog excuses voor het schouwspel
in het kasteel en het sterven van uw vriend, maar dat tweede was niet mijn schuld
als ik het mij goed herinner. Ik vraag je wel om mij te vertrouwen want, wat
je tot nu toe van mij hebt gezien is niet hoe ik echt ben maar hoe ik geforceerd
was om te zijn." Sinds dat de groep weg is, is hij bespraakte geworden
en vriendelijker. Zijn houding is ook rustiger en hij voelt zich meer op zijn
gemak. Het is duidelijk dat hij een echte spreker is en een goede opleiding
heeft gehad, waarom hij hier terechtgekomen is en hoe is hemzelf niet eens duidelijk.
Samen lopen ze naar een rustigere en wat donkerdere plek waar ze rustiger kunnen
praten en alle vrijheid hebben om te zeggen wat ze maar willen.
Elanor neemt de drank wat onwennig aan en is een hele tijd stil, onder andere
omdat Sanguin aan het praten is. Bij het noemen van Illisér slikt ze
even. Hij was nog niet dood.. toch? Ze bijt op haar lip en fronst, plotseling
bezorgd.
Zelfs wanneer Sanguin al klaar is met spreken, blijft ze nog even stil. "Ik
herinner me de kwestie in het kasteel nog," zegt ze dan zacht, het is bijna
mompelen, "hoe moet ik nu weten of u nu niet weer toneelspeelt?" Ze
besluit haar drank toch nog maar even niet aan te raken.
Sanguin verstrakt niet en kijkt niet verbaasd als Elanor begint over zijn toneelspel.
In plaats daarvan glimlacht hij genegeerd en beschaamd, hij neemt een flinke
teug van zijn bier en schraapt zijn keel als hij begint met spreken.
"Ik kan niet zeggen dat ik nu niet aan het toneelspelen ben, die kwestie
in het kasteel. Ik kan je vertellen waarom het zo is gegaan en wat voor ons
de reden was dat we naar Stend kwamen, in het bijzonder naar het kasteel. We
waren gestuurd door de 'Gemantelde', zelfs ik weet zijn echte naam niet...,
hij is een tovenaar - een slechte dat kan ik je goed kan vertellen. Ik heb al
eerder voor hem moeten doden, het bloed zit nog steeds aan mijn handen en hoe
vaak ik het ook was of probeer te wassen - het wilt er maar niet af. Maar nu
lijk ik meer aan hem te twijfelen dan ooit, misschien was het wel zo dat hij
een bezwering op mij geplaatst had. Het kan dat die nu verzwakt was geraakt
en ik het zo heb kunnen bevechten. Wat duidelijk is, is dat ik niet meer voor
hem wil vechten, sterven of werken. Ook dit hoef je niet van me aan te nemen,
maar zowaar mijn naam Exsanguinatio is, de naam die de Broeders hebben gegeven
ter 'ere' van mijn moeder - is dit de rechtige waarheid." hij stopt even
met spreken, zijn keel lijkt op te drogen en dichtgeknepen te zijn en hij neemt
een slok van het bier. Zijn keel ontspant zich en hij kan weer goed ademhalen
en spreken, zijn vriendelijke glimlach staat nog steeds gebrand op zijn gezicht.
"We moesten het boek genaamd Zwart voor hem zoeken en het enige wat we
wisten dat het in Stend was. Waar wisten we niet, dus we gingen in Stend op
zoek. We merkten al snel dat er iets aan de hand was, de zwarte dood als het
mij nog goed herinner en het werd ons door een bewoner van Stend bekendgemaakt.
Hij wees ons ook het kasteel aan als een plek om te zoeken naar hoe alles in
elkaar zat. Wij gebruikten het verhaal om binnen te komen en logen dat het boek
Zwart het antwoord zal geven op jullie vragen. Het was fout van mij om te liegen,
maar toen wist ik niet beter. Je weet hoe het verder is gegaan, ik heb alles
nu uitgelegd en verteld." hij grinnikt even.
"Jij hebt niets van jezelf verteld of wat je daar deed, maar ik neem ook
aan dat het niet mijn zaken zijn. Hoewel ik wel nieuwsgierig ben, ik ben dan
ook nieuwsgierig van aard."
"Ik.." Elanor moet toegeven dat ze het bijna niet meer herinnert.
"Ik herinner me met Illisér te zijn vertrokken, wat rondreizen,
was zijn plan. We eindigden in Stend omdat we waren gevraagd een of andere roversbende
te verjagen, maar die bleek al niet meer actief te zijn maar we zaten vast,"
zegt ze, nog even zacht, wat kortaf misschien.
Ze schokschoudert en kijkt twijfelend naar haar glas, dat nog steeds onaangeroerd
op tafel staat.
"Waarom heb je me dit verteld?" vraagt ze dan, nog steeds enigszins
op haar hoede. "Is het een test? Denk je dat ik me ook kan verzetten tegen
voor wie je dan ook maar werkt?" Want als je dat denkt heb je misschien
niet goed genoeg gekeken.. denkt ze bij zichzelf. Ik mag dan wel wat meer meegemaakt
hebben, maar eigenlijk ben ik nog steeds maar gewoon een kamermeisje.
Sanguin grinnikt om Elanors bedenkingen dat hij haar test. Hij komt echter snel
uit zijn lach en knikt in overeenstemming over haar verhaal.
"Het klinkt als een avontuur die je normaal niet zou meemaken of toch?
Ik weet niet veel over je, maar toch kan ik aan je zien dat je al deze commotie,
avontuur en actie niet gewend bent. Dat je toch een leven iets rustiger gewend
bent. Maar corrigeer me als ik het fout heb, ik kan het fout hebben."
Zijn vriendelijke glimlach is weer op zijn gezicht, niet spottend maar vriendelijk.
Deze glimlacht verdwijnt echter weer snel als hij weer in gedachten verzinkt
en bedenkt of hij wel of niet meer moet vertellen over zichzelf. Natuurlijk
kan hij dat wel, ze is maar een simpele ziel - ze weet zo weinig over de wereld.
Over hoe die echt is en hoe alles eraan toe gaat. Hij neemt weder een slok van
zijn bier en ziet zijn bier langzaam in zijn mondholte verdwijnen, hij geniet
van de slok en opent zijn mond weer om te spreken.
"Ik heb echter nog niet alles over mijzelf vertelt en de reden dat ik je
geïsoleerd heb van de rest van de groep, zij zijn namelijk niet te vertrouwen
en trouwe dienaars aan de Gemantelde. Ze mogen dus ook niet weten over mijn
missie en mijn opdracht van mijn gilde. Ik behoor namelijk tot een groep, een
groep van rebellen die zich schuilhouden in de bossen van Torsan. Ik zeg niet
waar, of tenminste nog niet, omdat ik onze positie niet wil verraden en onze
thuisbasis van cruciaal belang is voor onze zaak." hij glimlacht breed
en geniet van herinneringen over zijn leven voor de Gemantelde.
"Het is namelijk zo dat wij een missie hebben zoals ik al eerder heb gezegd,
wij willen van Torsan een rijk maken zonder koningen of koninginnen. Een rijk
waarin de adel het niet voor het zeggen heeft maar het volk, waarin onze leiders
door onszelf gekozen worden. Waar vanuit heel Torsan vertegenwoordigers bij
elkaar komen om te beslissen wat er moet gebeuren, wat er gebeurt en of er ergens
ingegrepen moet worden. Dit is onze droom, onze visie en met hulp van genoeg
mankrachten en het volk achter ons moet dit lukken. We hebben al een kleine
regio die leeft volgens deze regels en het gaat goed. Wij willen een klasseloze
Torsan, gelijkheid. Het is echter jammerlijk zo dat niets bereikt word zonder
geweld of geld. Het eerste hebben we te veel van en van het tweede te weinig."
hij vraagt zich af of hij het haar nog moet vragen of niet. Hij schudt het van
zich af, letterlijk, hij schudt met zijn hoofd en gaat dan verder.
"Wat mijn vraag nu aan jou is, of je ook voor deze zaak wilt inzetten.
Ik zal ervoor zorgen dat je een risicoloze functie krijgt of eentje waarbij
je in zo min mogelijk gevaar loopt. Je zult mijn beschermelinge zijn."
Tjee.. Wat een voorstel. Elanor valt er even stil van, bijt bedachtzaam op haar
lip. Het klinkt in ieder geval een stuk beter dan mee te gaan naar die Gemantelde
- wie dat ook mag zijn. Maar als ze het doet, is er zeker geen weg terug.
Ze denkt nog eens terug aan wat het doel was van Sanguins gilde. Klasseloos.
Elanor had zich nooit zo met politiek bemoeid, maar had haar vader vaak genoeg
horen klagen. Aan de andere kant had ze een hele reis gemaakt met de jonge vrouw
die tegen deze waarschijnlijk kroonprinses was - en dat was toch geen slecht
mens geweest.. Helemaal niet zelfs. Maar op zich was ze het, op het eerste gezicht,
wel eens met dat doel. Geen adel meer aan de macht, de mogelijkheid inspraak
te hebben op welke leiders gekozen zouden worden, ja, dat leek haar best een
goede zaak.
Elanor kijkt kort naar Sanguin, besluit dan het risico te nemen. "Goed.."
Sanguin ziet dat Elanor in haar gedachte zijn voorstel bedenkt, de goede en
slechte kanten afweegt, tenminste wat voor haar de goede en slechte kanten zijn.
Als hij haar antwoord hoort, glinsteren zijn ogen een beetje op en hij staat
op om haar een omhelzing te geven.
"Je zult er geen spijt van krijgen dat je deze keuze hebt gemaakt. Onze
weg is misschien nog lang en hard, maar we zullen er komen - hoe dan ook."
zijn enthousiasme neemt alleen maar toe als hij terugdenkt aan de groep.
Ze zullen zeker wel blij met hem zijn, hij heeft een spionne geregeld voor de
gilde, ze weet het zelf alleen nog niet. Hij denkt wel dat ze er goed in zal
zijn, haar natuurlijke onschuld en uitstraling kan haar in veel plekken binnenloodsen.
Het zal de gilde zeker goed doen, ja dat zeker.
"We moeten dit vieren, kom drink, maar niet te veel. We moeten nog nuchter
genoeg zijn wanneer we deze nacht deze helleput verlaten, weg van de Gemantelde
en zijn mannen. Weg van al die elende en moedeloosheid. Onze dagen van leven
in angst zijn voorbij en het boek krijgt hij niet meer." opeens schiet
het hem te binnen.
Hij heeft nog steeds het boek Zwart maar wat moet hij ermee doen, zal hij het
terugbrengen naar Stend en vragen om vergiffenis. Nee, dat is dwaas, hij zal
alleen maar vermoord worden door de wachters voordat hij zelfs een voet binnen
het kasteel kan zetten.
Zal hij het dan meenemen naar de gilde, naar de Rebellen, naar de Gilde van
Chaos? Was het boek niet gevaarlijk op één of andere manier of
was het, het boek dat ervoor zorgde dat hij niet meer onder de macht was van
de Gemantelde?
"Weet jij misschien wat we met het boek kunnen doen?" wijzend naar
het boek en een met angstbezaaide gezicht, het is duidelijk dat hij wel een
beetje angst voor het boek heeft.
Dan zwaait de deur van de herberg open. Arsennon stapt zelfverzekerd binnen
en kijkt op zich heen om te zien of het veilig is voor de rest. Hij ziet alleen
nog de 'wetenschapper' en een van de vermoedelijk gevangenen meisjes aan de
bar zitten. Hij wenkt de rest naar binnen. Vreemd gezelschap dat zich zo heeft
afgezonderd. Hij laat zich niet meteen met hen in en doet eerst zijn ding. "Breng
Mordar binnen en leg hem op een bank," zegt hij tegen Lucas en Amy. "De
rest blijft bij hem."
Pas dan richt hij zijn blik weer naar de bar. Bij het zien van het boek dat
de man aanwijst loopt hij een koude rilling over zijn rug. Bij de God!
Elanor is even verbaasd als hij haar omhelsd, maar weet haar blos te verbergen
en richt dan ook haar aandacht op het boek. "Ik.. weet het ook niet zo,"
geeft ze toe met een lichte frons. Ze moet toegeven dat nu ze heeft besloten
zich in te laten met Sanguin, ze hem meteen een stuk meer vertrouwd en wat spraakzamer
is, maar waarom weet ze ook niet.
"Het lijkt me inderdaad geen goed idee om het naar die Gemantelde te laten
gaan.. we zouden het kunnen vernietigen, maar dat kan ook niet meer teruggedraaid
worden.. Ik.." ze twijfelt even. "Ik zou kunnen kijken wat erin staat?"
Sanguin kijkt angstig naar het boek en vraagt zich af of hij het wel zou moeten
proberen om het te openen. Het ziet er niet angstaanjagend uit, maar de kennis
van dat er erge dingen mee kunnen gebeuren weerhoudt hem ervan om het boek meteen
te openen. Hij recht zijn rug, wrijft door zijn ogen en kijkt moeilijk naar
het boek.
"Ik weet niet of het slim is om het boek te openen, ik vraag me ook af
of de Gemantelde mij daarvoor gewaarschuwd heeft."
In gedachte gaat hij terug naar wat de Gemantelde tegen hem had gezegd: "Haal
gewoon dat boek en keer dan hier terug, dat is alles." Het harde en korte
antwoord hangt weer tussen zijn oren, het pijnigt zijn gehoor. Hij kijkt op
naar Elanor en probeert zo min mogelijk te laten blijken dat hij zich niet lekker
in zijn vel voelt.
"Misschien kunnen we het boek beter door iemand laten openen die ervaring
heeft met zulke dingen, misschien een heilig man - tempelridder of priester?"
Hij heeft zin nog pas net uitgesproken en hij ziet de tempelridder de herberg
betreden, hij is precies degene die hij nodig heeft. Hij glimlacht zwakjes naar
de tempelridder en staat dan op.
"Wacht hier op mij, ik denk dat ik weet wat ik hiermee moet doen."
Sanguin loopt meteen naar de Tempelridder toe, hij hoort hem nog bevelen roepen
naar zijn gezelschap. Hij vraagt zich af hoe hij het gesprek moet beginnen,
hij was eerder zo onbeschoft tegen de man geweest. Hij stopt het boek snel tussen
zijn kleren en heft zijn hand om de tempelridder te groeten.
"Geëerde tempelridder, u komt als geroepen. Excuses voor mijn eerder
onbeschofte gedrag, maar uw hulp is zeker nodig." dan kijkt hij naar de
man die op de bank word neergelegd.
Hij voelt even over het boek, zou dit de reden zijn dat die man onwel is? Dan
kijkt hij de Tempelridder weer aan en tovert een klein vriendelijk glimlachje
op zijn gezicht.
"Ik zou het erg op prijs stellen als u mij zou willen vergezellen naar
de tafel waar ik en vrouwe Elanor ons bevinden, ik heb iets met u te bespreken."
hij loopt al weg naar zijn tafel zonder te wachten op een antwoord. Hij draait
zich onderweg nog om en roept: "Het is dringend!"
Als Mordar ligt en iedereen binnen is, kijkt Daefr nieuwsgierig om zich heen.
De stem van Sanguin doet hem opschrikken. Hij kijkt langs de man en ziet Elanor
naar een boek staren. Even volgt hij haar blik, dan kijkt hij snel de andere
kant op. Hij is misselijk. Snel kijkt hij naar Mordar; de man ligt nu al een
tijd doodstil en ziet er ziek uit. Daefr haalt zijn schouders op en loopt naar
Luan. Bij gaat naast haar zitten en valt prompt tegen haar aan in slaap. «