Het liet Diena niet
los, het vage gevoel dat ze de man die voor haar stond ergens van kende. De dikke
waardin pakte traag wat koperstukken uit haar buidel die aan een roestige spijker
achter de toog hing. Ze bleef de man vanuit haar ooghoeken opnemen.
Diena was het type persoon dat haar heg bewust kort liet houden om bij de buren
naar binnen te kunnen kijken en ze moest en zou erachter komen wie deze vreemdeling
was.
‘Op doorreis, vreemdeling?’ vroeg ze terloops.
‘Zo kunt u het noemen, vrouwe.’
‘U maakt me nieuwsgierig, vreemdeling.’
‘Dat hoor ik wel vaker.’